Een uitzinnige liefde, door Marc Poorter

Nog nooit was ik zo vroeg op school geweest. Ik liep door een lege gang naar het klaslokaal waar ik een leestoets Nederlands moest doen. Stilte, geen geschreeuw van mijn klasgenoten, geen geduw en getrek, geen angst om de punt van een passer in mijn rug te voelen. In het klaslokaal zat ik alleen met mijn leraar en ik las een stuk van het verhaal Vreemde verschijnselen van Bob den Uyl voor zoals ik nog nooit had gedaan: foutloos, met de juiste modulatie. Toen ik klaar was leunde mijn leraar achterover en keek mij verbijsterd aan, nog nooit had ik zo goed voorgelezen in de klas. Al de jaren van mijn schooltijd probeerde ik mij aan te passen aan het slechte leesniveau van mijn klasgenoten om maar niet op te vallen en uitgelachen te worden, want slim zijn was niet de bedoeling op die school. Maar nu was ik alleen met mijn leraar en Bob den Uyl, en ik durfde te laten zien wat ik kon.

Dat ik een verhaal van Bob den Uyl had uitgekozen om mijn leraar te overtuigen van mijn vaardigheden leek toeval. Ik herinner mij dat het verhaal in een bundel met verhalen van andere schrijvers stond, en dat het mij aansprak vanwege de absurdistische humor. Pas jaren later begreep ik dat de humor van Den Uyl als een zoete saus over een bitter gerecht was. Een man die met achterdocht en walging naar zijn medemens keek, en precies de staat van mijn gevoel over mijn klasgenoten uitdrukte. Ik was net als de schrijver een eenling, een verstotene, mijn leven voelde zinloos.

De verhalen van Den Uyl leken bijna achteloos te zijn opgeschreven, alsof hij in een café aan een vriend vertelde hoe mislukt zijn reis naar bijvoorbeeld Duitsland was. Met veel omwegen en gemompel pakte hij ons uiteindelijk bij de kladden met een observatie waarin wij zijn achterdocht jegens de mensheid herkennen. Hoeveel Den Uyl ook reisde, het ging bij hem nooit om het landschap, maar om de mensen die hij ontmoette. Soms waren het aan lager wal geraakte dichters, of afzichtelijke vrouwen die hij in trieste hotels van zich moest afschudden, maar nooit kwam de mens er goed van af. Het was lachen geblazen met Den Uyl, maar in al zijn verhalen was er de ondertoon van eenzaamheid. Dagenlang ziek in bed liggen en niemand die hem opzocht, zwerven door een desolaat landschap en nergens aankomen, en vooral de onmacht om mensen te begrijpen.

Bob den Uyl was een stotteraar, een alcoholist en verslaafd aan medicijnen. Hij leed aan straatvrees en andere fobieën. Ook al ontving hij met zijn werk erkenning en won hij prijzen, de grote doorbraak is er nooit gekomen. Over zijn begrafenis in 1992 zei Jan Siebelink in De Gevoelige Plaat:

‘De plechtigheid in crematorium “Hofwijk” te Rotterdam-Overschie zal ik nooit vergeten. De gazons waren met rijp bedekt, de zon scheen uitbundig. Er waren geen bloemen, geen toespraken en heel weinig mensen. Er klonk de ijle, schrijnende solo van een jazztrompettist.’

Eén keer mocht ik hem ontmoeten. In de hal van het Centraal Station in Den Haag was er begin jaren tachtig een boekenmarkt waar hij bij de stand van zijn uitgever zijn werk signeerde. Nou ja, hij stond in een versleten kabeltrui wat mistroostig voor zich uit te staren, het liep niet echt storm met de verkoop van zijn boeken. Ik kocht zijn verhalenbundel Een uitzinnige liefde en ik vroeg hem het boek te signeren. Verlegen schudde hij mijn hand. Ik zag voor het eerst van mijn leven een schrijver in het echt en het viel me op hoe slecht hij eruit zag – enorme wallen onder zijn ogen, een vermoeide blik en een gerimpelde hand die trillend zijn handtekening zette. Toen ik de stationshal uitliep en het boek opende zag ik dat hij zich vergist had in de plaatsnaam, in een beverig handschrift stond Rotterdam boven de titel.

Soms, als ik in het Centraal Station van Den Haag ben, ga ik op de plek staan waar Bob den Uyl mij de hand schudde. Alles is daar veranderd: een nieuw dak, andere winkels, de hele boel moet altijd maar anders, maar die plek neemt niemand mij af. Voor heel even sluit ik mijn ogen, om mij heen razen de treinen, de trams, de bussen en de reizigers voorbij, en voor een ogenblik ben ik weer de verlegen jongen die de vermoeide schrijver de hand schudde. Een onbeduidend en eenzaam moment in de tijd.

In de Oorshop

Bang

‘Hany, was ik éérst zwart of ben ik nú zwart?’ Hij gebruikt de trappen van vergelijking niet – in plaats daarvan zal hij vragen: ‘Hany, is de gado-gado in Solo lekker of is de gado-gado in Yogya lekker?’

De zwarte vlekken kwamen met de aids mee, al wisten we dat destijds niet. Toen hij doorschijnend werd en je hem omver kon blazen werd de ziekte ontdekt. Sindsdien zijn de vlekken bijna verdwenen. ‘Eerst was je zwart, nu ben je weer haast even wit als Hany.’ Hij lacht, hij weet dat ik een grapje maak.

De nachtmerries blijven komen, uit het diepst van de nacht.

Hij heeft zijn hals in de holte van mijn elleboog gevlijd en mijn andere arm stevig om zich heen getrokken. Direct daarna is hij veilig in slaap gevallen. Met mijn lippen tegen de fulpen huid van zijn nek ga ik achter hem aan.

Lang voordat de minaretten schallen voor het ochtendgebed word ik wakker. Door zijn armen en benen schieten spasmen, als bij een hondje dat droomt van een aanstormende Deense dog. Hij kermt, het komt van heel ver. Hij zoekt me, ik fluister dat ik vlakbij ben. Opeens slaat het toe – hij gooit zijn armen omhoog, zijn handen klauwen in de lucht, zijn hoofd zwiept heen en weer. Hij loeit hol. Een ogenblik later is het voorbij. Het heeft alles bij elkaar nog geen minuut geduurd. Hij komt overeind zitten en neemt een slok water uit het glas dat ik aan zijn lippen hou. Dan gaat hij weer liggen, legt zijn hoofd terug in mijn elleboog, mijn hand op zijn navel.

Het zijn monsters, slangen met mensenhoofden, duistere draken, die jacht op hem maken. Op een nacht vraagt hij of dromen betekenis hebben. ‘Voor wat geweest is, misschien. Niet voor wat nog moet komen.’ ‘O.’ ‘Er zijn geen monsters die je willen doden, nergens. Ze wáren er, eerst. Ze beten en spogen in je bloed. Al zag je ze niet.’ ‘Ik voelde ze. Eerst, nu niet meer.’ ‘Nu zijn ze dromen geworden.’ ‘Ja.’ ‘Over een tijdje gaan ze ook weg uit je dromen. Echt.’

In het begin was de gedachte dat hij gauw dood zou gaan verlammend. Hij kon er niet van eten, niet eens praten. Zijn ogen waren zwarter dan ze ooit waren geweest. Nu het leven terug is lijkt hij de dood ineens niet meer zo erg te vinden. Als ik zijn graf maar kom bezoeken. Telkens weer wil hij dat ik dat beloof. Ik zal er helemaal voor naar zijn kampong hoog in de bergen moeten en hij vraagt zich af of ik dat er wel voor overheb.

Ik zal blij zijn als ik wat te doen heb wanneer hij er niet meer is, god verhoede. ‘Als je doodgaat geef ik je een graf met roze tegels.’ Hij is aartszuinig, een echte Javaanse boer, bij de geringste extravagantie trekt hij de wenkbrauwen op. Maar een graf met roze tegels wil hij wel, van mij.

De kans dat ik eerder kom te overlijden dan hij is bepaald niet denkbeeldig: ik ben twee keer zo oud en hij kan dankzij de efavirenz nog tientallen jaren mee.

Het vooruitzicht dat je de ander overleeft is voor hem net zo grauw als voor mij. ‘Als Hany doodgaat hou ik op met obat slikken en ga ik vanzelf dood.’ ‘Eerst moet je wachten tot ibu en nenek dood zijn.’ Nenek is al een eind in de zeventig, maar ibu, zijn moeder, is een stuk jonger dan ik en kerngezond. ‘Waarom?’ ‘Omdat je ze anders ontzettend veel verdriet doet.’ Dat vindt hij geen vanzelfsprekendheid, hij moet erover nadenken. Maar ten slotte zegt hij ‘oké’.

Ondertussen maakt de gedachte dat ook ik sterfelijk ben hem banger dan zijn eigen dood, nu hij uitstel heeft gekregen. Overal dreigt het gevaar. Op straat waarschuwt hij bij elke kuil waar Hany in zou kunnen vallen: ‘Awas!’ Toen ik werkelijk op een modderpad uitgleed, de greppel in, was hij dagenlang overstuur. Hij belde iedereen op die hij kende, om ervan te vertellen en aan zijn schrik lucht te geven.

Meer dan als van een zoon hou ik van hem als van een huisdier. Hoe naargeestig het leven zonder hem ook zal zijn, ik moet hem zien te overleven, zoals men zijn poes moet overleven.

Ik heb hem honderdmaal voorgehouden dat aids alleen via bloed overdraagbaar is. Bepaalde geintjes bij het neuken mogen niet, daar komt het op neer.

Hij wil er niet aan dat speeksel geen risicofactor vormt. Ik heb het waar hij bij was aan de dokter gevraagd, twee keer zelfs. Ook heb ik het hem voorgelezen, uit een folder over aids in zijn taal. Gelukkig is er niets dat hij zo graag doet als kussen en gekust worden.

Het lijkt me beter voor zijn gemoedsrust en zelfvertrouwen als ik het risico van een besmetting niet te zeer bagatelliseer. ‘Zullen we voor alle zekerheid voortaan ons eigen scheermesje gebruiken?’ Hij stemt gretig in en treft meteen maatregelen. ‘Hany gebruikt het groene scheermesje, ja? Ik leg het hier neer.’ Het blauwe, dat hij gebruikt, legt hij op het andere uiteinde van de plank.

Uit de folder over aids heb ik ook voorgelezen dat sperma niet gevaarlijk is. Dat het niet met bloed in aanraking moet komen liet ik weg. Anders wordt het te verwarrend. Het is of hij raadt dat ik iets achterhou. Maar hij weet ook dat hij me nergens zo blij mee kan maken als met klaarkomen. Als ik zijn zaad met een tissue van zijn buik veeg wuift hij zenuwachtig met zijn handen dat ik dat moet laten – tussen het lachen door, want hij moet steeds lachen als hij net is klaargekomen. Daarna ziet hij erop toe dat ik mijn handen was, met zeep.

Zijn ene teenslipper is kapot, we kopen nieuwe. De volgende dag heeft hij aan beide voeten een blaartje bij de grote teen. Hij leent mijn slippers om een boodschap te doen. Later zoek ik ze, en vind ze in de badkamer, in een emmer met zeepsop. Weer later staat hij ze te schrobben, met een borstel en zeep. ‘Waren ze zo vies? Het was me niet opgevallen.’ ‘Nee-ee,’ legt hij ongeduldig uit, ‘mijn blaren zijn opengegaan ja in jouw sloffen, straks steek ik Hany aan met aids, ik ben bang als Hany maar geen aids krijgt.’

Ik kom uit de douche en wil mijn nagels knippen. ‘Nee, Hany, niet dat schaartje, dat gebruik ik, hier is je eigen schaartje. Hie-ier!’ dringt hij aan, terwijl hij het nagelschaartje uit de J.P. Heije voor mijn neus houdt. ‘Ben je bang dat jouw nagels besmettelijk zijn?’ ‘Nagels zijn héél besmettelijk!’ ‘En haren?’ ‘Haren ook! Maar Hany kamt zijn haren nooit, geeft niet, ngapapa.’

Bijgeloof is achterlijk heeft hij van mij geleerd, en hij weet dat ik heel boos word van bijgeloof. Op hem boos worden is onmogelijk, maar ik kan niet voorzichtig genoeg zijn want hij is bang dat hijzelf ook achterlijk is. Daarom wacht ik tot we in bed liggen met hem vertellen dat haren en nagels werktuigen van het bijgeloof en de goena-goena zijn en absoluut helemaal in geen enkel geval besmettelijk. ‘Nagels en haren zijn zelfs het enige waaraan je geen kanker kunt krijgen.’ ‘Ja.’

Dat ‘ja’ zei hij niet omdat hij bang is dat ik anders boos word. Ik hoor het aan zijn stem. Hij is aan het ontdekken dat het fijn is om niet bang voor iets te hoeven zijn.

Slangen waren zijn lievelingsdieren, zei hij toen ik hem net had leren kennen. En honden. Hij wil later een grote hond.

Op Java wandelt niemand, dat doe je gewoon niet. Wij wel. Wanneer we een huis naderen met een hond – altijd achter een stevig hek en meestal aan een ketting – gaan we gauw aan de overkant van de straat lopen. Een heel enkele keer zwerft er een op eigen houtje over de weg. Dat ziet hij van verre. Hij sist ‘awas!’, duikt weg achter mijn rug en let goed op dat ik tussen hem en het dier in blijf tot we er ruimschoots voorbij zijn.

Tussen ons kosthuis en onze ontbijtstek ligt een autosloop. Op een morgen staat er een grote kooi bij de poort. Er ligt een Sint-Bernard in te zieltogen. De eerste keer blaft hij amechtig, eenmalig, de dagen erna tilt hij lusteloos zijn oogleden op wanneer we naderen. Na een dag of vijf steken we niet meer over; we lopen voortaan samen heel stoer vlak langs de gekooide, treurige reus, alsof het normaal is dat je zoiets doet.

Wel houdt hij het dier vanuit zijn ooghoeken in de gaten. En ik hou in de gaten wanneer het ogenblik komt dat hij dat vergeet.

We gaan een weekend naar Parangtritis, het Zandvoort van Java. Hij kent de zee van Jakarta, een saaie, levenloze, gore plas.

Wanneer hij het strand ziet roept hij ‘wow!’ Dan ziet hij de oceaan. Hij verroert zich niet. Ik moet hem tot drie keer toe zeggen dat we een hotel gaan zoeken.

Er is van alles te huur aan het strand, maar dat vindt hij niks. ‘Misschien komt er vannacht een tsunami.’ We lopen een berg op. Daar ligt een hotelletje waar de tsunami vast niet bij kan. Onze kamer heeft een terras met uitzicht op zee. Hij blijft staan kijken tot ik honger krijg.

In het donker lopen we over het leeggelopen strand. Hij straalt.

Maar hij houdt eerbiedig afstand van het water. Ik ga er in mijn eentje naartoe. ‘Nee, Hany! Niet doen!!!’ Als ik toch de zee in loop raakt hij zo in paniek dat ik gauw bij hem terugkom. Wat later zitten we geroosterde maiskolven weg te knabbelen op de rietmat van de venter, met wel dertig meter zand tussen ons en de zee. Een maanloze hemel vol sterren welft zich over het geruis en gedreun van de Indische oceaan.

De volgende ochtend, zondag, is het druk op het strand. Iedereen vermaakt zich in en aan de rand van het water, ook kleine kinderen, ook hun gesluierde moeders. Eindelijk durft hij zelf, schoorvoetend eerst nog, maar al gauw gaan alle teugels los. Hij rent en huppelt en schatert het uit. Hij is gelukkig. De ziekte is een tijdje helemaal weg.

Bij thuiskomst is het kosthuis leeg en stil. Alleen de deur van de laatste kamer op de gang staat open.

Terwijl hij in de keuken beneden koffie voor me maakt leg ik de vierhonderd vel van een afgewerkte correctieproef op een stapel om morgen bij het afval te doen. Hij komt binnen, zet de koffie voor me neer en zegt: ‘De deur is dicht.’ ‘Welke deur?’ ‘Die net nog openstond.’ ‘Nou en?’ ‘Er is niemand. Er staan nog steeds geen slippers. ’ ‘Dan is hij dichtgewaaid.’ ‘Waarom stond hij dan open?’ ‘Misschien woont er een spook?’ zeg ik plagerig.

’s Avonds wil hij de fles water vullen, maar hij durft niet in zijn eentje naar beneden. Ik sluit hem in mijn armen: ‘Ben je bang voor de zee of ben je bang voor het spook?’ Hij lacht, eerst onzeker, maar al gauw onstuitbaar, hij krijgt de slappe lach en laat zich op bed vallen.

Daarna haalt hij zelf water, zonder mij. Ik wacht in de deuropening. Wanneer hij terugkomt en me daar ziet begint hij weer te lachen. Hij is onzegbaar mooi als hij lacht.

’s Morgens gaat hij de papierstapel verbranden. Het gewoon weggooien vindt hij niet verstandig. Stel je voor dat iemand het uit de afvalbak steelt! ‘Steelt?’ vraag ik verwonderd. ‘Om het te kopiëren natuurlijk! Dan gaat de dief er een boek van maken en rijk worden van Hany’s werk.’ Het vooruitzicht maakt hem zo zenuwachtig dat zijn stem overslaat. Als ik zou lachen denkt hij dat ik hem uitlach. Maar het is soms zo grappig als hij bang is.

—————

hans boland vpro boekenHans Boland (1951)  is slavist, vertaler en schrijver.  In 2014 debuteerde hij als romancier met De zachte held.  Dit najaar weigerde hij, uit protest tegen “gedrag en denkwijze” van Vladimir Poetin, de Poesjkin-medaille die Rusland hem wilde toekennen. Wel accepteerde hij onlangs de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.  De jongste Tirade publicatie van Hans Boland vind je in Tirade 456.

Foto H.B.: VPRO boeken.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Wat Ilja zegt

‘Hoe minder iemand doet, hoe meer ik hem begrijp.’

Ilja Leonard Pfeijffer, Zeventiende idylle. Idyllen, Nieuwe poëzie (2015;p.61).

Soundtrack:  Miles Davis, Nature Boy.

Volgende week:  en hup… van bloggenstein.

De duivel in Knausgård

Al dagen wil ik schrijven over Karl Ove Knausgård. Over ‘Schrijver’, zijn laatst vertaalde boek. De andere delen uit de serie las ik met interesse, maar ik vond ze niet perse goed, te wijdlopig, onrustig. ‘Schrijver’ maakte grote indruk. Maar alles wat ik de afgelopen dagen op papier zette over het boek, was niet goed genoeg. Ik wiste versie na versie, en besloot het er maar bij te laten zitten. Maar mijn drang om over het boek te schrijven verdween niet, zat me dwars zoals een kiwipitje dat achter een kies is blijven haken. Het moest eruit. Als ik dan per se iets over ‘Schrijver’ wilde publiceren, laat het dan in godsnaam maar gaan over de invloed die het boek op mij heeft uitgeoefend.

Ik koop het boek op een sneeuwdag. Het ligt al maanden in de schappen, maar ik kom er nu pas aan toe. Op de achterkant staat dat Karl Ove zijn periode aan de schrijversvakschool beschrijft, zijn wording tot schrijver. Lezen hoe schrijvers zijn gevormd, voelt vaak toch alsof ik over mezelf lees. Zelfs wanneer de vorming heel anders tot stand is gekomen dan bij mij, herken ik zaken, zie onderliggende gelijkenissen. Ik neem het boek mee naar de hipste koffietent van Utrecht, waar het zo druk is dat ik er op de grond moet zitten. De ruiten zijn beslagen, net als mijn brilglazen zodra ik er binnenstap. Weinig dingen zijn zo fijn als een roman kopen en er meteen in gaan lezen. Ik hou het lijvige boek voor mijn gezicht, om me ervan te vergewissen dat iedereen ziet wat ik lees. Knausgård  is sexy. Een hipster-meisje vraagt al snel: ‘En, is het echt zo goed?’

‘Dat is een ingewikkelde vraag,’ antwoord ik. De boeken van Knausgård  jaag ik er in grote vaart doorheen. Iets in zijn werk dwingt tot haast, de schijnbare afwezigheid van urgentie nodigt uit tot het overslaan van stukken. Je komt ermee weg als lezer, eigenlijk zou dat niet moeten mogen. Ik neem me voor Schrijver rustiger te lezen, ook al maant mijn nieuwsgierigheid me geregeld vaart te maken, vooruit te kijken. Ik wil weten of Karl Ove het meisje krijgt, of zijn nieuwste verhaal eindelijk wel zal worden gepubliceerd en of broer Yngve en hij het goedmaken na een vreselijke ruzie.

Buiten ligt een laag sneeuw op de straten, tegen het vriespunt is het. Het past bij het kille van het boek. Karl Ove klimt dronken op balkons van niet ter zake doende meisjes, bezig zijn liefdesgeluk af te breken, de destructieve lul. Wanneer ik de koffiezaak verlaat, zonder een bevredigend antwoord te hebben kunnen geven aan het hipster-meisje, waan ik me in de studentenstad Bergen, ergens in de winter van ’99, tijdens één van die avonden waarop het maar niet donker wil worden. Sommige goede boeken doen dat met mij. Ze halen me naar hun tijd en even zie ik de mensen om me heen door de bril van de hoofdpersoon. Soms voel ik me zelfs de hoofdpersoon, maar dat vind ik een stuk moeilijker om toe te geven, want dat is raar.

In alle ernst vermoed ik wanneer ik halverwege Schrijver ben de hand van de duivel, zo’n vernietigend pact dat vroeger nog wel eens werd gesloten: Knausgård  heeft het talent gekregen om wervelend en onstuimig te schrijven over het donkerste in zijn ziel, tot op het bot te gaan en dan nog te schrapen over de bodem. De duivel biedt hem bovendien een wereldwijd podium. Wat Knausgård daarvoor in ruil moet doen? Zonder verfraaiingen verhalen over zijn menselijkheid. Ik voel me geregeld onthutst en mistroostig terwijl ik Schrijver lees. Overal wordt Karl Ove’s werk te licht bevonden. Pijnlijk aan de oppervlakte blijft het. Literatuur moet het persoonlijke blootleggen en daardoor een universele uitdrukkingskracht krijgen, dat weten we allemaal. De jonge Karl Ove snapt er geen zak van.

In drie dagen lees ik het boek uit, dat had drie keer zo snel gekund als ik mezelf niet tot traagheid had gemaand. Ik ben er beduusd van, waan me een Noor op de rand van een depressie, de grauwe luchten boven de stad helpen niet. De ochtend nadat ik Schrijver definitief dicht heb geslagen, ontwaak ik met de mededeling dat mijn eigen roman die ik in de lente publiceerde, niet op de longlist voor de Libris Literatuurprijs is geplaatst. Mijn veelbesproken debuut is voor niets genomineerd, ook niet voor debuutprijzen. Wat vervolgens met me gebeurt past niet bij me: ik hoor mijn zelfvertrouwen kraken. De chronische twijfel waarover ik drie dagen achter elkaar heb gelezen, spitst me op zijn drietand en sleurt me mee omlaag. Is mijn roman eigenlijk wel zo goed als ik denk? Als ik gevoelig zou zijn voor verslavingen, zou ik deze avond meer dan één glas whisky drinken om het benauwende gevoel weg te spoelen.

De volgende morgen constateer ik dat de onzekerheid is achtergebleven in de nacht, daar lijkt het tenminste sterk op. Dat ik toch even zo aan het twijfelen ben geslagen, is een bewijs van de kracht van goede literatuur en een duivelsbewijs van het ontembare talent van Karl Ove Knausgård .

————–

SAMSUNGRoman Helinski (1983) studeerde Moderne Letterkunde en Journalistiek. Zijn teksten verschenen, en verschijnen, in, onder meer, Tirade, Hollands Maandblad, Hard gras, De Brakke Hond en Deus ex Machina. In 2014 verscheen zijn romandebuut, Bloemkool uit Tsjernobyl. Helinski werkt aan een nieuwe roman. Hij woont in Utrecht. Zijn jongste Tirade-publicatie vind je in Tirade 456.

Volgende week: de Tweede Zondagse Gastblog van Roman Helinski.

 

Foto (K.O.K.):  Serge Ligtenberg (WU). Foto (R.H.):  Corine 24.

Tante Ellen

Maandagavond werd mijn oudtante Ellen overvallen in de hal van haar seniorenflat. Een onguur type wachtte haar daar op, nam haar in een houdgreep, viste haar portemonnee uit haar handtas, en haastte zich het gebouw uit met zijn trofee, een paar tientjes, en een identiteitsbewijs.
Ik belde haar die avond om een andere reden. Het was de volgende dag zeventig jaar geleden dat zij als zestienjarig meisje werd bevrijd uit Auschwitz.
‘Wat lief dat je belt’, zei Ellen aan de telefoon. ‘Maar het gaat niet zo goed met mij.’ Ze vertelde over de overval. Dat ze het uitgegild had van angst. Dat ze thuis meteen de bank had gebeld en de politie. Dat haar kleindochter naar haar toe was gekomen, dat iedereen zo lief en behulpzaam was geweest.
Maar ze had niet goed geslapen die nacht, zei ze. Gek genoeg had ze niet gedroomd over de overval. Vooral Auschwitz kwam terug in haar herinnering. Ze had toevallig ook een boek over de Duits-joodse kunstenaar Nussbaum gelezen, die in Auschwitz aan zijn einde kwam. Dat had ook al van alles opgerakeld. ‘Het komt ook allemaal tegelijk’, besloot ze.

Op Pesach vorig jaar kwam ik mijn oudtante Ellen weer tegen. Ik had haar jaren niet gezien; ik was misschien te veel gevormd door mijn vaders gebrek aan behoefte aan contact met de weinig talrijke, verre familie die we nog over hebben. Bij het Pesachmaal las ik mijn eerste verhaal voor dat kort daarvoor werd gepubliceerd in Tirade. En toen ik het uit had keken Ellens kraakheldere, donkere ogen me betraand aan, en greep ze me vast in een stevige omhelzing.
‘Ik ben helemaal ontroerd’, zei ze met haar lichte Duitse accent. ‘Wat zou je oma trots zijn geweest.’

Sindsdien ben ik een aantal keer bij haar op bezoek geweest. Ik vind haar onmetelijk stoer. Zesentachtig jaar is ze, en ze strompelt daadkrachtig door haar zonnige appartement in Amstelveen, dat omlijst is met planken vol boeken over de Holocaust. Ze kookte asperges voor me, en een keer een spinazietaart. Hulp heeft ze niet nodig, en ze staat alleen oogluikend toe dat ik de afwas doe. Ze vraagt belangstellend naar mijn leven en toekomstdromen. Ze nodigt me uit te komen voorlezen op haar boekenclub. Soms vraag ik voorzichtig naar de oorlog, maar ik ben bang dat ik haar belast met mijn nieuwsgierigheid.

Om er toch iets meer over te weten te komen, las ik de afgelopen weken het oeuvre van Gerard Durlacher. Ook Durlacher overleefde als jonge jongen Auschwitz. En hij schreef daarover zo onverdraaglijk mooi, dat ik zijn verhalen verslond, al was ik telkens in tranen. In zijn boeken, waarin hij een geschiedenis beschrijft die zo diepzwart is dat je het maar nauwelijks kunt bevatten, zijn het de momenten van menselijkheid, van goedheid, die in zijn verhalen de meeste indruk maken. De man die hem Latijnse les gaf in de barakken van Theresienstadt, de schoolmeester die hem in de politiecel in Apeldoorn kwam bezoeken om hem door de tralies een wiskundeboek te geven.

Het verhaal Na 1945, uit de bundel Quarantaine, wil ik graag even noemen in deze week waarin Auschwitz wordt herdacht. Het beschrijft Durlachers veel te lange zoektocht na de oorlog, naar een plek waar hij veilig was. Nadat hij uit Auschwitz werd bevrijd op het moment dat hij meende te sterven, ontving hij maar weinig hulp om terug naar Nederland te keren. Terug in Nederland trof hij in zijn ouderlijk huis een vreemde in een pak van zijn vader. Ook als hij intrekt bij een oom en tante wacht hem vooral kou en onbegrip. Maar op een dag klopt hij aan bij een vriendelijke notaris, die hem warm binnenhaalt, die hem aanbiedt te blijven zo lang hij wil, die hem helpt terug naar school te gaan, een bestaan op te bouwen. Durlacher schrijft: Geleidelijk verliest de wereld om mij heen het bedreigende. Mijn voeten raken grond. De ijsrivier die me jaren heeft meegesleept, smelt. De toekomst is nog wazig, maar niet meer onbestaanbaar.
Na het lezen van Durlachers werk kun je niet anders dan ontzag hebben voor deze man die niet alleen gruwelijkheden overleefde zonder verbitterd te raken, maar die daarover wonderlijk mooi proza schrijft, dat vrij van oordelen is, en dat impliciet aanmoedigt om een ander te helpen, om niet te oordelen of weg te kijken als een ander in nood is.

Soms vertelt Ellen flarden over de oorlog, en dan voel ik me vereerd. Zo vertelde ze over de vreugde die ze voelde toen ze in een ziekenhuis aansterkte na de bevrijding uit Auschwitz, en een verpleegster haar bij ontwaken meedeelde dat haar moeder op de lijst van overlevenden van Thesienstadt stond.
Ellen werd gescheiden van haar moeder, toen ze werd geselecteerd voor transport naar Auschwitz. Haar moeder bood toen aan vrijwillig met haar mee te gaan, maar Ellen zei: ‘geen mens gaat vrijwillig naar Auschwitz.’ In de vertrekkende trein heeft ze wel een half uur lang van angst gegild.

‘Ja ach, het kamp’, zei Ellen. ‘Het maakte me een beetje achterdochtig, maar ook oud. Want ik hecht zo aan het leven.’ En dinsdag sprak ze, ondanks de overval, op een Auschwitzherdenking in Amstelveen. Ik ben ontzettend trots op haar.

‘Hij leerde me timmeren, in de tuin werken, zagen…’

Vorige week publiceerden we hier deel IX van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel X:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

eergisteren fietste ik in het donker langs een café op weg naar huis, en zag en hoorde een man, naast een café, hartstochtelijk huilen.

Ik fietste door en voelde me meteen schuldig. Ik draaide me om, fietste terug, en toen was de man verdwenen.

Nu denk ik de hele tijd aan die man; waarom huilde hij, was hij alleen, en waarom was hij duidelijk naar buiten gelopen om te huilen? Waarom stopte ik niet meteen?  (Het was koud en hij stond in alleen een overhemd.) Ik weet niet waarom deze man me zo bezig houdt, ik weet wel dat ik een beeld van een gedicht zag.

Wat een leuke grootvader had je. Ik had er ook zo een, opgegroeid op de boerderij, maar de zakenwereld ingegaan. Hij ging -misschien vanwege zijn achtergrond- nog wel al zijn klanten op de boerderijen persoonlijk langs. Hij had een voorliefde voor Amerikaanse auto’s, en eens in de zoveel tijd haalde hij ons op, om in die grote slee met ons door het dorp te rijden. Hij draaide marsmuziek, vrolijke muziek waarop we uitgelaten meezongen op de achterbank.

Hij leerde me timmeren, in de tuin werken, zagen, en uren bracht ik met hem door in de garage om van alles te bouwen. Hij hield van de krantenstrips van Marten Toonder, en las het ons voor. Hoewel ik er niks van begreep was dat leuk, hij moest steeds stoppen omdat hij onbedaarlijk in de lach schoot. Hij was stronteigenwijs. En koppig. En wat ik vooral achteraf leuk vind is dat hij hele eigen voorliefdes had voor dingen die hij leuk vond, en dat met ons deelde.

Hij kon prachtig voorlezen, ook uit de bijbel, waar uit werd voorgelezen na het eten. Dat ik geen hekel kreeg aan de bijbel is aan hem te danken geweest, denk ik.

Toen ik jouw mail las, en ook eerdere berichten, viel het me op dat je opa veel met je deed. Wandelen, hij gaf je een boekje voor de dieren die je zag.

Je schrijft bijna warmer over hem dan over je ouders.

Waarom was je zo gek op hem?

hartelijke groet,

Annemieke

—————————————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik denk dat ik zo dol was op mijn grootvader omdat hij me niet opvoedde en tegelijkertijd op een terloopse manier weer wel. Verder had hij een anarchistische natuur zonder dat hij zichzelf ooit een anarchist zou hebben genoemd.

Toen de koningin in een naburig dorp op bezoek zou komen zei hij: ‘En als ze me dan toeknikt draai ik me om’. Hij zei dat op een volstrekt natuurlijke, niet aanstelligere manier. Je had hem moeten zien. De enige die ik ooit op dezelfde onnadrukkelijke maar besliste wijze een soortgelijke boodschap heb horen verkondigen is de tekenaar Willem die me vertelde dat op een receptie Beatrix op hem afbeende. En wat heb je toen gedaan, vroeg ik. Me uit de voeten gemaakt, zei hij.

Mijn grootvader kon prachtig vertellen. Niet op een gladde manier, zo taalvaardig was hij niet. Nee, hij kon een verhaal vertellen zoals hij een bericht uit een advertentie-krantje voorlas: traag, een beetje verbaasd, alsof hij niet wist of het helemaal waar was.​

Ik herinner me zijn verhalen ook. Over een oude buurvrouw die stierf. Ze was lang ziek geweest. Maar dat vertelde hij niet. Hij vertelde dat er een mooie kist voor haar was besteld en dat hij een van de dragers was geweest. Hij herinnerde zich het moment dat ze de kist optilden en hoe verbaasd hij was geweest: als een veertje zo licht.

In de nabijheid van mijn grootvader, die in hart en nieren boer was, was de dood niet angstaanjagend. Vogelkenner Rob Bijlsma heeft ooit nauwkeurig bijgehouden wat er met een dood jong dier gebeurde dat was gestorven in de nabijheid van zijn boswoning. Vanzelfsprekend noteerde hij wat de gevolgen van de dood waren, alsof hij het leven gadesloeg. Mijn grootvader kon dat ook.

Een keer per jaar ging hij met een kleinkind, mijn broer of ik, naar de begraafplaats. Een potje verf en een kwastje bij zich. Hij schilderde dan de namen van de voorzaten bij en vertelde verhalen waarbij ik me toen ik ouder werd afvroeg of hij niet veel verzon. Nog weer ouder realiseerde ik me dat dat helemaal niet uitmaakt.

Heb jij die prachtige serie van Wim Kayzer weleens gezien waarin Marquez voorkomt? Marquez vertelt daarin volgens mij dat in zijn dorpje op een dag een ezel huiswaarts keerde met de onthoofde bezitter op zijn rug. Mijn grootvader had het kunnen vertellen. Marquez heeft ook weleens gezegd dat ik meen zijn grootmoeder hem kranteberichten voorlas alsof het sprookjes waren.

Of omgekeerd.

Waaraan werk jij op dit moment?

vrgr

Wim

————————-

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind je in Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel XI.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • "Foto van Femke Lucia"
    Femke Lucia

    Femke Lucia (Bogota, 1998) is een eerlijke schrijver, die realistische, menselijke verhalen in een magisch daglicht zet. Ze schrijft omdat ze gelooft in de kracht van verhalen en hecht veel waarde aan gemeenschappelijkheid, haar voorouders en Latijns Amerikaanse muziek. Ze bevindt zich in een zoektocht naar de vorm en betekenis van het schrijverschap, en laat zich daarbij leiden door haar eigen ritme en intuïtie.

  • "Foto van Inez van de Ven"
    Inez van de Ven

    Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.