‘Hij leerde me timmeren, in de tuin werken, zagen…’

Vorige week publiceerden we hier deel IX van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel X:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

eergisteren fietste ik in het donker langs een café op weg naar huis, en zag en hoorde een man, naast een café, hartstochtelijk huilen.

Ik fietste door en voelde me meteen schuldig. Ik draaide me om, fietste terug, en toen was de man verdwenen.

Nu denk ik de hele tijd aan die man; waarom huilde hij, was hij alleen, en waarom was hij duidelijk naar buiten gelopen om te huilen? Waarom stopte ik niet meteen?  (Het was koud en hij stond in alleen een overhemd.) Ik weet niet waarom deze man me zo bezig houdt, ik weet wel dat ik een beeld van een gedicht zag.

Wat een leuke grootvader had je. Ik had er ook zo een, opgegroeid op de boerderij, maar de zakenwereld ingegaan. Hij ging -misschien vanwege zijn achtergrond- nog wel al zijn klanten op de boerderijen persoonlijk langs. Hij had een voorliefde voor Amerikaanse auto’s, en eens in de zoveel tijd haalde hij ons op, om in die grote slee met ons door het dorp te rijden. Hij draaide marsmuziek, vrolijke muziek waarop we uitgelaten meezongen op de achterbank.

Hij leerde me timmeren, in de tuin werken, zagen, en uren bracht ik met hem door in de garage om van alles te bouwen. Hij hield van de krantenstrips van Marten Toonder, en las het ons voor. Hoewel ik er niks van begreep was dat leuk, hij moest steeds stoppen omdat hij onbedaarlijk in de lach schoot. Hij was stronteigenwijs. En koppig. En wat ik vooral achteraf leuk vind is dat hij hele eigen voorliefdes had voor dingen die hij leuk vond, en dat met ons deelde.

Hij kon prachtig voorlezen, ook uit de bijbel, waar uit werd voorgelezen na het eten. Dat ik geen hekel kreeg aan de bijbel is aan hem te danken geweest, denk ik.

Toen ik jouw mail las, en ook eerdere berichten, viel het me op dat je opa veel met je deed. Wandelen, hij gaf je een boekje voor de dieren die je zag.

Je schrijft bijna warmer over hem dan over je ouders.

Waarom was je zo gek op hem?

hartelijke groet,

Annemieke

—————————————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik denk dat ik zo dol was op mijn grootvader omdat hij me niet opvoedde en tegelijkertijd op een terloopse manier weer wel. Verder had hij een anarchistische natuur zonder dat hij zichzelf ooit een anarchist zou hebben genoemd.

Toen de koningin in een naburig dorp op bezoek zou komen zei hij: ‘En als ze me dan toeknikt draai ik me om’. Hij zei dat op een volstrekt natuurlijke, niet aanstelligere manier. Je had hem moeten zien. De enige die ik ooit op dezelfde onnadrukkelijke maar besliste wijze een soortgelijke boodschap heb horen verkondigen is de tekenaar Willem die me vertelde dat op een receptie Beatrix op hem afbeende. En wat heb je toen gedaan, vroeg ik. Me uit de voeten gemaakt, zei hij.

Mijn grootvader kon prachtig vertellen. Niet op een gladde manier, zo taalvaardig was hij niet. Nee, hij kon een verhaal vertellen zoals hij een bericht uit een advertentie-krantje voorlas: traag, een beetje verbaasd, alsof hij niet wist of het helemaal waar was.​

Ik herinner me zijn verhalen ook. Over een oude buurvrouw die stierf. Ze was lang ziek geweest. Maar dat vertelde hij niet. Hij vertelde dat er een mooie kist voor haar was besteld en dat hij een van de dragers was geweest. Hij herinnerde zich het moment dat ze de kist optilden en hoe verbaasd hij was geweest: als een veertje zo licht.

In de nabijheid van mijn grootvader, die in hart en nieren boer was, was de dood niet angstaanjagend. Vogelkenner Rob Bijlsma heeft ooit nauwkeurig bijgehouden wat er met een dood jong dier gebeurde dat was gestorven in de nabijheid van zijn boswoning. Vanzelfsprekend noteerde hij wat de gevolgen van de dood waren, alsof hij het leven gadesloeg. Mijn grootvader kon dat ook.

Een keer per jaar ging hij met een kleinkind, mijn broer of ik, naar de begraafplaats. Een potje verf en een kwastje bij zich. Hij schilderde dan de namen van de voorzaten bij en vertelde verhalen waarbij ik me toen ik ouder werd afvroeg of hij niet veel verzon. Nog weer ouder realiseerde ik me dat dat helemaal niet uitmaakt.

Heb jij die prachtige serie van Wim Kayzer weleens gezien waarin Marquez voorkomt? Marquez vertelt daarin volgens mij dat in zijn dorpje op een dag een ezel huiswaarts keerde met de onthoofde bezitter op zijn rug. Mijn grootvader had het kunnen vertellen. Marquez heeft ook weleens gezegd dat ik meen zijn grootmoeder hem kranteberichten voorlas alsof het sprookjes waren.

Of omgekeerd.

Waaraan werk jij op dit moment?

vrgr

Wim

————————-

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind je in Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel XI.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

In de Oorshop

Drie keer verlaten

Ooit iemands huis in Nebraska

Verlaten plekken schreeuwen tot de verbeelding. Op instagram is er een heel account aan gewijd: Itsabandoned. Resten van leven vind je daar, structuren waarbinnen een leven plaatsvond, als achtergelaten slangenhuid is een stenen of houten lichaam door de bewoner verlaten. Een versteend verleden. Een van de fraaiere verlaten gebouwen waar ik ooit kwam was het voormalig Seminarium in Driebergen. Ik verzamelde, of zo je wilt jatte er koperen hang- en sluitwerk. Lange gangen vol deuren, tassen vol klinken. Omdat ik gehoord had dat die seminaristen bijna nooit ziek waren en ergens las dat een koperen deurklink, veel meer dan alle materiaal dat we er nu voor gebruiken, bacteriën doodt.

De seminaristen staken elkaar dus in geen geval via de deurklink aan. Kom daar eens om in een kinderdagverblijf! Kinderen tussen de 2 en 4 zijn altijd ziek. Neem koperen deurklinken!

full27905937Ik lees een verlaten boek. Een verlaten boek is een boek waarvan je aanneemt dat het nog maar heel weinig gelezen wordt. Het is The Rover van Joseph Conrad. Niet zijn beste boek vermoed ik, dat is mogelijk zijn bekendste titel Heart of Darkness. The Rover is zijn laatste afgeronde roman. Laat werk van een auteur wordt geacht niet algemeen het beste werk te zijn, al zijn er natuurlijk uitzonderingen (Ada van Nabokov?) Als je heel beroerde laatste stukken van een oeuvre wilt lezen moet je eens naar Mulisch kijken. Er is geloof ik nooit een Nederlandse vertaling van The Rover gemaakt. Wat mooi is aan verlaten boeken, evenals verlaten huizen, is dat ze niet spectaculair zijn, dat ze verlaten zijn heeft een reden. En dat is in een spektakelwereld een hele opluchting; dat iets niet meesterlijk is! Géen onverbiddelijke bestseller. Níet de mooiste plekjes waar je ooit geweest bent. Gewoon – in het geval van The Rover – een niet al te bijzonder verhaal, maar wel goed verteld. En zoals je in een verlaten huis de vakkundige verbindingen in het dakgebint kunt zien, kan je de verteltechnische kanten van een niet spectaculaire roman veel beter volgen, en daarin is dit late boek toch wel bijzonder. Ik zou met alle vertrouwen een boek kopen met een sticker erop: ‘een niet al te bijzonder verhaal, maar wel goed verteld.’ ‘Gewoon goed’ is een mooie economische ingreep in de inflatoire kanten van de boekverkoop.

3-596-13655-5.256867Józef Teodor Konrad Korzeniowski is een ‘verlaten’ persoonlijkheid. De man die ooit zo heette was niet bruikbaar meer, de persoon die hij was, moest achtergelaten worden ten gunste van iets handigers: ten gunste van de naam Joseph Conrad. Een van de grootste onderzoekers van verlaten en vergeten zaken – W. G. Sebald –  last in zijn Die Ringe des Saturn een ruime passage in voor het verhaal achter Conrads eerste persoonlijkheid. Het begint zo: ‘Am Ende des Somers 1862 reiste Mme. Evelina Korzeniovska  mit ihrem damals nog nicht ganz fünfjährigen Knaben Teodor Josef Konrad von der kleinen podolischen stad Zitomir nach Warschau. ‘

Conrad in zijn huis in Engeland waar hij stierf heeft wat weg van Peyrol – The Rover – in zijn boerderij aan de kust bij Toulon. Het motto van zijn laatste roman werd ook  Conrads epitaaf

Sleep after toyle, port after stormie seas,
Ease after warre, death after life, doth greatly please

Spenser

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Gratis proza #2: Naar Zeeland

Terwijl het laatste licht als in een net gevangen uit de hemel verdwijnt, sla je af. Bij de sluizen, glimmend van de aangevroren nevel, minder je vaart totdat je stapvoets rijdt. Je haalt een hand over je ogen, die branden alsof er pekel in gestrooid is.

‘Driver,’ zegt MADDI vanuit de boezem van het dashboard. ‘Road safety systems register that you are getting tired. You have now been driving for over three hours. Please switch to Assisted Drive Mode or pull over.’

Je draait het volume omlaag, volgt de zuidkant van het kanaal langs vrijwel uitgestorven dorpen, telt de paar verlichte ramen. Elk jaar zijn het er minder en elk jaar liggen ze verder uiteen; is er meer zwart tussen gekomen.

Het stuur trilt, de verlichting in de wagen zwelt aan en koude lucht wordt in je gezicht geblazen. Op het display worden de letters blauw, dan oranje, rood, paars en weer blauw.

You have 5.10 minutes before MADDI automatically overrides, staat er. Appropriate authorities will be notified. Pull over now or switch to Assisted Drive.

Je reikt onder het stuur, trekt het klepje weg en tast de zekeringen in de linker rij af tot je bij de eennalaatste komt. Met je duimnagel wip je hem los; een plastic nietje valt op je handpalm. Nu is het donker in de auto.

Soms mis je de straatlantaarns van vroeger, en wegen die de hele nacht verlicht waren als een woonkamer na een matig feestje. Koude koffie, ingevallen taart, vervloeide slagroom. Het gevoel dat iedereen elders is, behalve jij.

‘Kijk nou eens,’ zeg je. ‘Sneeuw.’

De velden die je al je hele leven kent, die de achtergrond van je vroegste herinnering vormen, zijn wit. Glimmendzwarte lijnen kaderen ze in en een dun vel ijs drijft op de sloten. Hoeveel winters zijn er zonder sneeuw voorbijgegaan? Je denkt aan sleeën. Straks, bij het huisje, zal je een sneeuwbal maken en met alle kracht die je nog in je hebt de nacht in gooien.

Als men knotwilgen niet knot, worden het zwakke wilgen. Na het faillissement van de gemeente bracht een schimmel ze tot rottende knoesten terug, waarna bramen de berm overnamen. Bruine doornwallen rijzen en dalen nu aan weerszijden van de weg, met een beginnend laagje sneeuw op hun rug. Je draait je raampje op een kier en rijdt verder naar het westen, bedenkt dat je nooit te oud of moe zou kunnen zijn om deze weg te rijden. Het is als vallen, als de werking van de zwaartekracht.

Zeeland is je droom van thuis, van warme armen onder een beginnend leven. Een versie van de hemel waarin het makkelijk is te geloven.

De populieren bij de boerderij zijn meegegroeid met je herinnering. Zo machtig als ze vroeger leken zijn ze nog steeds. Dit is waar je liep toen je net begon te lopen, waar je leerde fietsen: op de laatste dijk voor de duinen. Hier ligt het asfalt dat elke zomer smolt, en waarin je naam nog steeds geschreven staat. Morgen zul je gaan kijken naar de letters die je met je eerste zakmes kerfde. Door het verleggen van de weg zijn ze nooit bedekt geraakt, zijn ze gebleven.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Beschuit met muisjes

Persoonlijk was ik liever niet dan wel geboren. ‘Ja, lekker Tyn,’ zei mijn moeder toen ik daar als tiener voor ’t eerst mee kwam, ‘dat had je wel wat eerder mogen zeggen. Ik kan je moeilijk alsnog laten weghalen, hè?’ Persoonlijk was ik liever niet dan wel geboren. Dat zet al mijn oordelen tussen aanhalingstekens. Ik adstrueer met een voorbeeld. ‘Mmm… Boedapest is toch een tikkeltje minder charmant dan ik had verwacht.’  ‘Wat jou betreft had het hele universum niet gehoeven, dus waarom zouden we van jou wel onvoorwaardelijke waardering voor het stedelijk schoon van Boedapest mogen verwachten?’ ‘Touché!’

Persoonlijk was ik liever níet dan wel geboren*. De kunstkritische implicaties daarvan verdisconteerd hebbende: het levert honderdeenenvijftig jaar na de geboorte van de auteur nog steeds een heel aardige avond op, een opvoering van Herman Heijermans’ Beschuit met muisjes (1910). Als oom Gerrit sterft, Gerrit Bien Aimé, leren zijn nabestaanden dat er, omgerekend naar onze tijd, meer dan twee miljoen euro te erven valt. Tegenvaller: de verscheiden oom – of broer, of zwager, of wat dan ook, dat is een kwestie van perspectief – blijkt een levende geliefde te hebben, Pollie. En de twee zijn nog maar een week eerder in de echt verbonden. De erfenis moet dus naar Pollie. Opluchting: doordat zij in het verleden schulden heeft gemaakt, zijn Gerrit en Pollie op huwelijkse voorwaarden getrouwd – ze heeft dus géén recht op de erfenis. Het geld blijft in de familie. Wending: Pollie blijkt zwanger… het nog ongeboren kind is de enige wettige erfgenaam. Woede, woede, woede!

Ik heb begrepen dat je het geruzie om geld in Beschuit met muisjes mag opvatten als kritiek op het kapitalisme en andere vormen van al dan niet gesystematiseerde hebzucht. Ik vind het prima. Maar ik denk in zulke gevallen ook: wees blij dat er in ieder geval nog iets is dat bij de gemiddelde lamzak hartstocht opwekt. De één wordt geprikkeld door onrecht, een ander leeft op bij het zien van kunst of bij het vooruitzicht op roem. En weer anderen rennen voor geld. Veel plezier ermee.

De lol van deze voorstelling – door Oostpool, in de regie van Joeri Vos, deze week voor het laatst te zien – zit voor mij vooral in het kluchtige acteren, in het keten met rekwisieten en in de dialogen van Heijermans. Sinds ik Beschuit met muisjes zag, probeer ik iedere conversatie een beetje op te peppen door op beladen momentjes deze woorden van Prosper Bien Aimé rond te strooien: ‘Ik zeg jou de waarheid zo dikwijls als mij dat convenieert!’ Het verhaal loopt trouwens goed af voor de familie Bien Aimé. Door al het geruzie over de erfenis krijgt Pollie een miskraam.

————-

Volgende week: nieuw proza van Hans Boland.

‘Hoeveel sterren, bal?’
‘Voor Beschuit met muisjes? Drie. Plus een halve bonusster voor een hilarische knokpartij met Bud Spencer & Terence Hill achtige geluidseffecten.’

Noot

*Dat meen ik niet hoor! Grote grutjes, zeg. Ik ben blij dat ik besta! Maar in iedere literaire tekst is ‘ik’ de naam van een personage, weet je nog? Teksten zijn teksten.

Wenken voor jonge letterkundigen

Onder deze titel – Wenken voor jonge letterkundigen – publiceert Charles Baudelaire in 1846 “de vrucht van zijn ervaring”, een “opperste wijsheid die [hij] ter overpeinzing aanbied aan alle filosofen”. Met grote zelfverzekerdheid doet de dichter uitspraken over juiste methode van afkraken; over de optimale voeding van de letterkundige (“zeer substantieel maar regelmatig”) of de schrijfmethode van Balzac, die hij als ondeugdelijk afdoet.

Ik ben gewend om Baudelaire te zien als een gigant; een magere, verbeten, vervaarlijke man van in de veertig, briljant en beroemd maar ziek van geest, die tijdens zijn zelfverkozen ballingschap in Brussel dagelijks op- en neer flaneerde in de Sint-Hubertuspassage, op veilige afstand gevolgd door jonge bewonderaars. Daarom was ik verrast om uit te rekenen hoe oud hij was toen hij deze Wenken schreef: net 25 geworden. Zoals de vertaler Rokus Hofstede in zijn nawoord schrijft, was er bovendien nog nauwelijks iets van hem gepubliceerd. De werkelijke educatieve waarde van de tekst ligt dan ook niet in de wat melige adviezen over voeding, dagelijkse arbeid of de omgang met schuldeisers, schrijft de vertaler, maar in “de hooghartige, zelfverzekerde attitude” die de jonge letterkundige uitdraagt: “literair bestaansrecht wordt niet afgesmeekt, maar afgedwongen.”

Enige tijd geleden zat ik zelf op een terras onder het glazen gewelf van de Sint-Hubertusgalerie. Het was ochtend en nog erg rustig, zodat ik de oude man opmerkte die twee keer voor mijn tafeltje langs schuifelde, waarbij hij steelse blikken wierp. Toen ik een hand opstak en vroeg of ik soms aan zijn tafeltje zat, lachte hij breed, groeide vijftien centimeter en nam diep tevreden plaats op zijn vaste stoeltje in de hoek, dat ik voor hem vrijmaakte. Enige minuten nadat ik mijn werk had hervat, sprak hij me aan. “Wat heeft u een prachtig, ferm handschrift, juffrouw. Ja, u schrijft goed. U moet maar schrijver worden.” Ik bedankte hem en vroeg me besmuikt af wat de verschrikkelijke Baudelaire hem zou hebben toegevoegd.

Als ik de raad – de geest, niet de letter – van zijn Wenken op zou volgen, zou ik wellicht direct zijn overgegaan op het afkraken van de arme man (zie het hoofdstuk ‘Afkraken’, methode: ‘via de rechte lijn’). Ik zou deze, noch een andere gelegenheid om hoog op te geven van mijn eigen schrijverschap voorbij laten gaan; zou voor de literaire jeu flink wat vijanden maken, mijn kansen op syphilis wat opschroeven, en met of zonder uitnodiging in een superlatieve baljurk op het Boekenbal verschijnen.

Helaas val ik, als vrouw “die een tik van de literaire molen heeft gehad”, volgens dezelfde Wenken in de categorie “vrouwen die voor letterkundigen een bedreiging vormen”. Van een anomalie als de vrouwelijke letterkundige ontmoette Baudelaire de schim enkel in zijn duisterse Opiumdromen.

——————–

hofstede cosseeBregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Tirade, Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. In 2014 verscheen haar romandebuut De hemel boven Parijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede.

Volgende week: de Eerste Zondagse Gastblog van Roman Helinski.

Dit was de Laatste Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede. De Tirade redactie zegt: Bregje… chapeau, merci! En tot ziens weer daar of hier / in het echt of op papier.

‘De rust dat het allemaal goed komt, die heb ik sinds een jaar gevonden…’

Vorige week publiceerden we hier deel VIII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel IX:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

natuurlijk herlas ik voor onze correspondentie ‘Brieven aan een jonge dichter’ van Rilke. Ik ben best benieuwd wat je van die bundel brieven vindt.

Ik las onder andere:

‘Kunstenaar zijn betekent: niet rekenen en tellen, rijpen als de boom die zijn sappen niet opstuwt en die rustig de voorjaarsstromen doorstaat zonder bang te zijn dat er geen zomer zal volgen.’

De rust dat het allemaal goed komt met mijn eigen werk, die heb ik sinds een jaar gevonden. Het was er opeens. Ik weet niet meer waar het ontstond of vandaan is gekomen. Daarvoor maakte ik me vooral zorgen, met al mijn ambities en bewijs- en geldingsdrang. Nu maak ik me af en toe zorgen, maar niet meer verlammend. Ik werk rustig door.

Veel beeldspraak gebruikt Rilke, en veel bemoedigende woorden. Ik las de bundel voor het eerst toen ik een jaar of twintig was. Ik vond het mooi dat het zo persoonlijk was, en niet vanuit een eenzame hoogte geschreven van een dichter die neerkijkt op een worstelende jongeling.

Van wie heb jij het meeste geleerd tot nu toe?

Hartelijke groet,

Annemieke

—————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik kan veel mensen opsommen van wie ik iets heb opgestoken. Wat poëzie betreft zou ik bij voorbeeld K.L. Poll willen noemen die mij op jonge leeftijd liet debuteren in Hollands Maandblad. Die gedichten zijn – ik blijf het roepen – beslist niet goed maar hij meende dat ik talent had.

Toen ik uiteindelijk op zijn verzoek een dichtbundel samenstelde voor de HollandsMaandblad-reeks kreeg ik een brief van hem van tenminste vijf kantjes waarin hij gedicht na gedicht afwees. Een gedicht was goed genoeg voor een bundel, herinner ik me.

Maar waarom heeft u ze dan gepubliceerd, riep ik door de telefoon?

Niet boos, verbaasd.

Je snapt niet dat zo’n bundel veel meer een toneel is dan een tijdschrift, antwoordde hij rustig.

Dat was leerzaam.

En zo kan ik meer mensen opsommen.​

Ik wil intussen even stilstaan bij mijn grootvader in wiens huis ik opgroeide. Hij was boer geweest, bezocht zes jaar de lagere school, waarbij aangetekend dat hij nooit verder kwam dan de derde klas.

Niet omdat hij stom was, nee, hij liep voortdurend de klas uit omdat hij liever buiten was.

Ik heb de eerste klas overigens om dezelfde reden ook twee keer moeten doen.

Met mijn grootvader maakte ik elke zondagmiddag een lange wandeling door de omgeving. Langs de beek, het bos in. Hij kende alle paden, ook de paadjes van gesnipperd hout die bijna nooit door wandelaars werden gebruikt.

Ik heb nadien maar weinig mensen ontmoet die hun omgeving zo goed konden lezen als mijn grootvader die ook verhalen wist te vertellen over oeroude bomen waarin bij voorbeeld een boerenknecht zich uit liefdesverdriet had verhangen of die tijdens een stormachtige nacht lelijk door de bliksem werden getroffen om zich vervolgens na jaren weer zonwaarts te verheffen.

Ik verdenk mijn grootvader ervan dat hij sommige verhalen ter plekke voor mij verzon.

vrgr

Wim

———————

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in jeTirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel X.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

  • "Foto van Senna Felius"
    Senna Felius

    Senna Felius (1997) is dichter. Ze studeert filosofie en Arabisch en woont in Egypte. Haar poëziedebuut staat in Tirade 487.

  • "Foto van Menno van der Veen"
    Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.