Long ago and far away

Een vroege Argentijnse uitgave van het boek ‘Ver weg en lang geleden van W.H. Hudson.

In de jaren ’40 van de negentiende eeuw rijdt over de pampa’s  van Argentinië een jongetje rond op een paard. Vanaf zijn zesde kan hij dat en mag hij dat. Het gezin bestaat naast vader en moeder uit een een stel jongens en een paar meisjes en is van Britse origine maar verhuisde naar Argentinië toen meer Britten, Ieren en Schotten dat deden, vanwege honger in Groot-Brittannië. Op de pampa’s is veel ruimte. Eerst gewoontegetrouw voor intensieve veeteelt, en vervolgens voor extensieve veeteelt. Dat betekent: laat die duizenden runderen en schapen maar rondlopen en leef ervan. In Ver weg en lang geleden schrijft W.H Hudson (in Argentinië bekend als Guillermo Enrique Hudson) over zijn jeugd op de pampa’s. Vogels kijken en in de natuur zijn, wat op eenden schieten  (vanaf zijn tiende mocht hij jagen) waren zijn belangrijkste bezigheden tot zijn 15e.

De buren worden bezocht, die wonen 3 tot 40 kilometer uit de buurt. Het volk op de pampa’s verleent gastvrijheid aan de toevallige bezoeker. Een knappe Spanjaard bijvoorbeeld die na een avondje De Sarasate spelen op zijn gitaar, moet stoppen omdat hij te zeer overmand wordt door emotie – heimwee. Tientallen personages beschrijft Hudson in dit prachtige boek: grijsogige gaucho’s met flitsende messen, politieke tirannen van het tijdsgewricht. Ook gevederde tirannen: een lokale vogelsoort. Honderden vogelnamen, slangen, bloemen.

Bien te veo, ' ik zie je wel' een vogel die naar je roept.
Bien te veo, ‘ ik zie je wel’ een vogel die naar je roept.

‘Ik wil in bomen klimmen en mijn hand in het diepe, warme nest van de Bien-te-veo steken om de warme eieren te voelen, de vijf spitse, crèmekleurige eieren met chocoladebruine spikkels en vlekken op het brede eind. Ik wil op een met gras begroeide oever liggen in het het blauwe water tussen mij en de rijen hoge biezen, luisterend naar de geheimzinnige geluiden van de wind en de verborgen rallen, koeten en koerlans, die op een vreemde, bijna menselijke toon met elkaar praten, en ik wil mijn blik genietend laten rusten op de bloem van de camalote te midden van de drijvende massa vochtige, heldergroene bladeren en ook op de grote allamanda-achtige bloem van zuiver, bovenaards geel, die haar snoezige blaadjes laat vallen als ze wordt geplukt en niets anders in je hand overlaat dan een groene steel.
Ik wil op de heetste dagen, wanneer de hele aarde glinstert van bedrieglijk water, midden op de dag uitrijden en de duizenden runderen en paarden zien waarmee de vlakte bij de drinkplaatsen is bedekt en in dat stille, warme uur wil ik een plek opzoeken waar grote vogels zich ophouden en wil ik ooievaars, ibissen, grijze reigers, verblindend witte zilverreigers en rode lepelaars en flamingo’s in het ondiepe water zien staan waarin hun roerloze gestalten worden weerspiegeld. Ik wil in januari liggend op mijn rug in het roestbruine gras naar de weidse, warme, witachtig blauwe hemel staren, die vergeven is van eeuwig voorbijzwevende, miljoenen, myriaden schitterende bolletjes distelpluis; ik wil staren en staren tot ze voor mij tot leven komen en ik er in extase bij ben, meezweef in die immense stralende leegte.’

Gaucho_AgendadeReflexion
Gaucho in 1851, William is dan 10. Let op de bolas – ijzeren kogels aan een touw waarmee ze jaagden – aan zijn gordel. William speelt met de houten variant.

Ver weg en lang geleden levert je beelden die je niet snel meer kwijtraakt: ‘Een van de buitengewone kenmerken van de particuliere quintas of boomgaarden of plantages in de buurt van de Saladero waren de muren of heggen. Die waren helemaal opgetrokken uit koeienschedels, wel zeven of acht of negen rijen dik, even gelijkmatig neergezet als stenen, terwijl de hoorns uitstaken. Honderdduizenden schedels waren zo gebruikt, en sommige van de oude zeer lange muren, waarvan de bovenkant werd gesierd door groen gras en waar klimplanten en wilde bloemen uit de holten in de botten groeiden, zagen er merkwaardig schilderachtig, maar enigszins griezelig uit.’

Naast een antropologische component: hoe leefde de Britse immigranten op de pampa, (smient of roodsnavelgans  bij het ontbijt, ’s avonds koude maaltijd)  hoe leefde de gaucho’s die wij slechts kennen van een matige biefstuk-keten, (wellustig koeien vermoorden, gokken en zuipen en vechten en verhalen vertellen) naast een natuurhistorische kant heeft dit boek nog véél meer te bieden. Je vraagt je bijvoorbeeld af na lezing af hoe goed het is dat kinderen tegenwoordig nog maar zo weinig mogen, zo snel in een keurslijf moeten.

' El Ombu' , een verhalenbundel van Hudson is de naam van de boom met welks beschrijving ook zijn autobiografisch werk een aanvang neemt.
‘ El Ombu’ , een verhalenbundel van Hudson is de naam van de boom met welks beschrijving ook zijn autobiografisch werk een aanvang neemt.

Een fase in de Argentijnse geschiedenis wordt aangeroerd, er staan schitterende episoden in over de broers onderling. Gezinnen van buren en hun indolentie of juist levenslust worden zeer levendig beschreven. Maar vooral de natuurbeschrijvingen – zonder enige kwezeligheid – zijn geweldig. Ik heb in tijden niet zo’n magistraal boek gelezen.

Of zoals – John Galsworthy schreef in de inleiding bij de Engelse uitgave:  ‘Zijn werk is een visioen van natuurlijke schoonheid en menselijk leven zoals het zou kunnen zijn – bezield en gezuiverd door de zon en de wind en de regen, en door het verbond met alle andere vormen van leven – een visioen voor ons, die er meer behoefte aan hebben dan welke generatie dan ook.’

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

‘Waar je ook bent, ik verlaat je nooit’

‘Weet je… het grootste verschil tussen de Vlaamse en Nederlandse literaire cultuur,’ zei DW B-redacteur en de Buren-gastheer Willem Bongers-Dek toen we na de DW B presentatie in de Faculteitsbibliotheek Ingenieurswetenschappen & Architectuur wat gingen eten bij Pane & Vino, ‘is dat het er hier allemaal wat ruiger aan toegaat… In Vlaanderen is ’t verschil tussen rockers en schrijvers veel kleiner dan in het noorden.’
‘Serieus?’
‘Ja, echt. Hier is ’t bijvoorbeeld heel normaal dat schrijvers na afloop van hun verblijf hun hotelkamer trashen… Sterker nog: als wij een hotelkamer na vertrek van een auteur netjes aantreffen, dan zijn we bang dat we iets niet goed hebben gedaan.’
‘Zoals Chinezen na het eten altijd keihard boeren om te laten zien dat het allemaal heeft gesmaakt?’, zei ik.
‘Nou, dat is volgens mij een fabeltje.’
‘Ik hoop van niet. Want dan heb ik de afgelopen tien jaar in heel wat Chinese restaurants voor niks voor me uit zitten boeren.’

We hadden geen tijd om het onderwerp verder uit te diepen: we zouden nog naar een handvol karaoke cafés. Niet in Gent, maar in Antwerpen, waar je volgens Willem meer en betere keuze hebt in ‘meezingkroegen’. In zijn Maserati – Miek Zwamborn en ik achterin omdat in de passagiersstoel naast Willem een geüniformeerde etalagepop zat (iets met preventie van autodiefstal en Vlaamse verzekeringsmaatschappijen) – reden we naar Antwerpen. En eenmaal daar van karaokekroeg naar karaokekroeg. Waarschijnlijk hoef ik niemand te vertellen hoe een karaoke avond verloopt. Maar onvergetelijk was ’t moment waarop we met z’n drieën op de leestafel van Café Het Beleid stonden om het Smurfenlied van Vader Abraham Pierre Kartner te zingen. Willem: ‘Waar komen jullie toch vandaan?’ Miek en ik: ‘Uit een land hier ver vandaan!’

‘Nou,’ zei ik toen Miek en ik om een uur of vier in de foyer van het hotel stonden, ‘laat ik nou eerst mijn kamer maar es even kort en klein gaan slaan, dan heb ik morgen tenminste genoeg tijd om mijn tas in te pakken.’
‘Zou je daar niet liever mee wachten? Anders moet je tussen de glasscherven en houtsplinters slapen.’

Scherp, Zwamborn, verdomde scherp!

De volgende ochtend werd ik wakker van een ongelooflijk kabaal. Miek was begonnen uitdrukking te geven aan haar tevredenheid over het verblijf en de geboden accommodatie. Kogelstoten met een televisietoestel. Lampwerpen, stoelslingeren, spiegelbreken. Voor we naar de ontbijtzaal gingen, hielp ze ook nog even het interieur van mijn kamer te veranderen in een ravage. In een rebus. In een: ‘dankjewel!’

Maar nu een quizvraag!

In welke moderne Europese literaire tekst stapt een vrouw of een man een café-restaurant binnen met een afgebroken deurklink in zijn/haar hand? De lezer die als eerste reageert met het correcte antwoord wint een exemplaar van de door Miek Zwamborn vertaalde novelle De laatste (Arno Camenisch).

Over festival Writers Unlimited dat afgelopen weekeinde (do-zo) plaatsvond in Den Haag is en wordt elders al uitvoerig verslag gedaan. Maxim Februari en ik hebben het er zeer naar ons zin gehad. We begonnen vrijdag om een uur of zes te praten, backstage, liepen tegen half elf pratend het podium op, wandelden pratend naar de theaterfoyer, en later naar het hotel, en ik geloof dat het optreden een tamelijk organisch deel uitmaakte van deze marathonconversatie.

Februar Pruik PaardenhaarNa afloop van het optreden in Den Haag vroegen verschillende mensen me naar de exacte vindplaats van één van de passages die ik voorlas. Ik tik de tekst even over. De bewuste alinea komt uit M. Februari & Marjolijn Drenth, Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek, Amartya Sen en de Onmogelijkheid van de Paretiaanse Liberaal (2000;p.155):

‘Lieve V. Een brief is maar een tijdelijk bericht van eenzaamheid. Wie vermoedt dat de eenzaamheid eeuwig is schrijft een boek. De schriftgeleerden zullen achter beide, brief en boek, het oude verlangen wel weten aan te wijzen. Het vlees, zeggen zij, is zwak. Maar vanaf nu zul je begrijpen wat dat als drijfveer voor het schrijven eigenlijk betekent. Het betekent: waar je ook bent, ik verlaat je nooit.’

Er staat wat er staat. Maar lees je de brief in de context van de roman en het oeuvre van Februari dan gaat die, volgens mij, ook, over de relatie tussen schrijver en lezer, tussen een auteur en zijn of haar talent, tussen verbeelding en werkelijkheid en zelfs over de relatie tussen individu en samenleving en wetenschapper en traditie. Een comparatief literatuurwetenschapper houdt de passage ook nog even naast het nawoord van Februari’s romandebuut.

Soundtrack: Ernst Reijeseger, Mola Sylla, Harmen Fraanje:  Raykwela.

Tirade – constructief.

Volgende week: Herman Heijermans. En meer.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Een stuk dat nooit wordt opgevoerd

Vorige zondag schreef ik over “het romantische idee dat literatuur het laatste pure medium is, waarin de tekst het helemaal alleen moet doen.” Maar natuurlijk doet de tekst het allang niet meer alleen. Hij heeft het zelfs nog nooit alleen gedaan.

Lang voordat er taal werd opgeschreven, werd ze gesproken en gezongen. Stel je een kampvuur voor op de stranden van Pylos, en een pre-Homerische zanger die zijn hexameter met intonatie en gezichtsuitdrukkig ondersteunt; wiens armgebaren achter hem als grote, zwarte schaduwen over het tegen de wind gespannen zeildoek schieten, en die zijn adem dramatisch doet stokken op het moment suprême. Jammer, eigenlijk, dat niets daarvan bewaard wordt in de pagina’s van de Ilias, of om het even welke roman.

Tenzij de lezer het zelf toevoegt. Volgens historici is voor jezelf lezen pas sinds ongeveer 1800 een stille aangelegenheid. En met name sinds lezen geluidloos is geworden, horen we klachten over de expressieve armoede van het (alfabetische) schrift. Zo noemde de beroemdste twintigste-eeuwse taalkundige, Roman Jakobson, het “merely a parasitical superstructure upon speech”, en klaagde de futuristische dichter Khlebnikov dat gedrukte letters als kaalgeschoren geïnterneerden naast elkaar op een rechte lijn staan, sjagerijnig, “de een net als de ander, grijs en kleurloos”.

Voor de Frans-Russische illustrator Alexeïeff (1901-1982) markeerde de transitie van orale naar geschreven literatuur de geboorte van de illustratie. “In orale literatuur”, schreef hij, “kan de verteller toevlucht nemen tot intonatie, ritme, lichaamshouding, tot muziek, dans, kostuums en maskers. Illustratie vult de lacune die de afwezigheid van deze instrumenten in geschreven literatuur veroorzaakt.” Voor hem was een boek zonder illustraties als een theaterstuk dat nooit wordt opgevoerd. “Aan hen die zich verzetten tegen illustratie wil ik vragen: waarom zouden we toneelstukken opvoeren? Waarom lezen we ze niet gewoon? Verliezen ze er wat mee als ze worden opgevoerd?”

Natuurlijk valt hier heel wat tegenin te brengen – het feit, bijvoorbeeld, dat een roman geen theatertekst is en daarom heel anders wordt geschreven. En het feit dat een illustrator die de illustratie verdedigt, niet als onpartijdig gelden kan.

Veel hedendaagse illustratoren staan ambivalent tegenover het beeld. Harrie Geelen bijvoorbeeld stelt dat sommige elementen van een tekst mooier uitkomen als hij ze niet tekent; voor Ted van Lieshout, die – overigens net als Geelen – naast beeldend kunstenaar ook schrijver is, blijven romans ongeïllustreerd omdat ze de laatste vrijplaats zijn waar het voorstellingsvermogen zélf beelden kan bedenken.

Literatuur is nooit beeldvrij, is het nooit geweest, en heeft het nooit willen zijn. Maar de meeste literatoren en lezers willen dat beeld situeren in hun eigen hoofd, in een persoonlijke vormentaal. Zoals Charles Swann die, in Prousts Un amour de Swann, betreurt dat de woorden van een liefdesbrief ook een onafhankelijke, voor vreemden toegankelijke betekenis hebben, en hen kwalijk neemt dat ze niet enkel en alleen bestaan uit de individuele trekken van de unieke geliefde*, zo wil de literatuurliefhebber het voorrecht behouden om die uniforme, ‘grijze en kleurloze’ letters en die algemene woorden tot een voller en ‘eigen’ leven te wekken. De woorden zijn niet persoonlijk; het beeld dat ze oproepen is dat wel. De lezer wil de opvoering van zijn roman zelf regisseren. Van de casting tot de kostuums.

Het is de vraag of deze schroom voor het beeld terecht is. Kan goede illustratie niet juist een springplank zijn voor de verbeelding? Ik betreur het geenszins dat mijn voorstelling van de Ilios altijd beïnvloed zal worden door de breedgeschouderde helden en de intense kleuren van Harrie Geelen, net zo min als ik de cadans betreur die het verhaal dankzij de ritmische tekst van Imme Dros ook in mijn hoofd begeleid. Het is het knappe geheel van tekst en beeld dat het wapengekletter en de soepele tred van Achilleus zo hevig oproept.

Prof. Saskia de Bodt zal op 22 januari tijdens een bijzondere lezing in Spui 25 de vraag stellen waarom de Nederlandse schrijver bang is voor het beeld. Waarom zien we zo weinig illustraties in de Nederlandse literatuur?

*“il regrettait presque qu’elle eût une signification, une beauté intrinseque et fixe, étrange a eux, comme (…) en des lettres écrites par une femme aimee, nous en voulons (…) aux mots du langage, de ne pas être faits uniquement de l’essence d’une liaison passagere et d’un être particulier.” – Un amour de Swann

————————-

hofstede cosseeBregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. In 2014 verscheen haar romandebuut De hemel boven Parijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede.

Volgende week: de Vierde Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede.

Annie’s optimisme

Ik was de afgelopen week ziek en luisterde Heksen en zo, van Annie M.G. Schmidt. Door haarzelf voorgelezen. Het is het enige luisterboek dat ik bezit, op een cassettebandje, en gelukkig ben ik nog in het bezit van een walkman om het te beluisteren. Ik heb dit bandje in mijn leven al zo vaak gehoord, dat ik precies weet wanneer Annie zich verspreekt, wanneer ze pauze neemt om adem te halen, wanneer ze een zin onderbreekt voor een kort kuchje. Toch zal het me niet snel vervelen, want de sprookjes hebben een zalvende humor, lichtheid, optimisme. Oxazepanniemgschmidt mag van mij op doktersrecept uitgeschreven worden. Het is garantie voor zacht inslapen, vriendelijke dromen, en vertrouwen in de mensheid. Wellicht een tikkie verslavend. Luisterend naar de sprookjes uit Heksen en zo viel het me op hoe hedendaags de verhalen aandoen. Zou er dan misschien toch niets veranderd zijn sinds 1964? In de Miesmuizers blijkt bijvoorbeeld dat mensen ook voor het bestaan van twitter massaal, en hoorbaar, zeurden:

 

‘Zo,’ zei de schillenman. ‘En zijn er veel van die miesmuizers in de stad?’

‘Veel?’ zei de mevrouw. ‘Wat heet veel? Duizenden, tienduizenden, luister maar eens goed.’
De schillenman luisterde goed. En wat hoorde hij om zich heen? Het klagen en brommen van de miesmuizers. Grote miesmuizers en kleine miesmuizers. Vader-miesmuizers, moeder-miesmuizers en kindermiesmuizers. Gejammer en gedrens. Gezeur en gejengel. Ja, wie goed luistert, hoort de miesmuizers. Ze willen:

niet naar school,
niet naar kantoor,
een ander leven,
meer snipperdagen,
elke week naar de Rivièra,
geen andijvie,
weer een nieuwe auto

en nog honderd dingen niet en honderd dingen wel.

In Het Beest met de Achternaam komen hiptseronderwerpen als dierenleed voorbij. En vrouwenemancipatie (context: Meisje brengt draak, die ze op diervriendelijke wijze ving, naar de koning):

‘U mag hem niet doodmaken,’ zei Pietepeut gauw.
‘Nee,’ zei de koning. ‘Ik zal hem een park geven voor hem alleen. En jij krijgt de helft van het koninkrijk en je mag met de prinses trouwen.’
‘Wat een onzin,’ zei Pietepeut. ‘Ik ben toch een meisje.’
‘O ja,’ zei de koning, ‘dat is waar ook. Nou goed, dan mag je met de prins trouwen.’
‘Eerst zien,’ zei Pietepeut. En toen ze de prins zag, zei ze: ‘Okee.’

Vroeg ik me af waarom Annie MG’s verhalen zo’n zalvende werking hebben. Natuurlijk groeien al generaties op met haar werk, maar het is niet alleen nostalgie waardoor ik zo op haar verhalen ben gesteld. Volgens mij heeft naast Annie MG haast niemand de Hollandsche volksaard zo zorgvuldig, en zo vermakelijk, doorgrond. Annie’s personages hebben zonder uitzondering een prettige neiging tot rebellie, een onaangepastheid, waarmee ze ons, zonder dat expliciete kritiek nodig is, laten zien dat onze maatschappij bij vlagen wat kortzichtig is, kleinzerig ook, en bovenal (zelfs vandaag de dag nog) burgerlijk. Haar personages hebben vervelende buurvrouwen (mevrouw Helderder), vervelende bestuurders (de burgermeester in Minoes) en vervelende moeders (Floddertje). Geen van Annie MG’s helden zit echter ooit bij de pakken neer. Ze hebben een onvermoeibare drang om goed te doen, om plezier te maken, om zich niets aan te trekken van het gezeur. Ze zijn stuk voor stuk assertief, autonoom, en vooral rasoptimisten.

Zo is Schmidt een eigenaardig soort profeet. Eentje die zag hoe de Nederlansche volksaard in elkaar steekt, maar die ook inzag dat die niet snel zou veranderen. Wellicht daarom schreef ze boeken die al generaties lang aanmoedigen om zich tegen de burgerlijke moraal te verzetten. Halleluja.

‘God werd bedacht door mensen…’

Vorige week publiceerden we hier deel VII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel VIII:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

de laatste paar weken lees ik amper poëzie. Dat komt denk ik door mijn hormonen, die als een razende tekeergaan.

Daardoor ging ik nadenken over hoeveel poëzie ik normaal lees, en of dat eigenlijk wel genoeg is. Nee dus. Maar ik wil niks moeten, met poëzie. Niet moeten lezen, niet moeten schrijven, niet moeten kunnen uitleggen, niet moeten kopen.

Alleen als ik er zin in heb.

Vaak komt de zin in een bundel in een opwelling, stop ik er een in mijn tas en loop ik er een paar dagen mee rond. Zo kan ik me er goed op concentreren, en in verdiepen.

Wat ik zelf mooi vind van poëzie, is de onderstroom die er -als het goed is- in zit, die je onbewust kan oppikken.

Tenminste, bij mij gaat dat onbewust. Daarna kan ik pas een beetje vangen in woorden wat ik er mooi aan vindt, of goed, maar nooit helemaal. Juist dat oppikken van het onbenoembare, dat een dichter een sfeer neerzet die je aanvoelt, daar houd ik van. Kale poëzie, misschien zelfs licht en helder gebracht, maar wat daar achter en onder zit kan me niet zwaar genoeg zijn.

Anders dan de religieuze poëzie in de kerken vroeger, waar ik meezong met loodzware psalmen, op loodzware muziek, in een loodzware omgeving. Geen wonder dat het er saai is: er zit niks dubbelzinnigs in. De boodschap is glashelder.

Ben je eigenlijk religieus opgevoed?

Groet,
Annemieke

———————————————————————————————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

Nee, ik ben niet religieus opgevoed maar heb wel op de Zondagsschool gezeten en luisterde gretig naar de bijbelverhalen.

Onlangs heb ik trouwens de hervertellingen van Guus Kuijer gelezen en herlezen. Ik kan je die reeks – de bijbel voor ongelovigen – aanbevelen, al is het alleen maar omdat Kuijer telkens verrassende perspectieven kiest.

Ik beschouw hem overigens als een van onze beste schrijvers.

Maar dat terzijde.

Tijdens een tv-gesprek dat ik onlangs met hem had refereerde ik aan een boekje van Ellen van Wolde, zij is hoogleraar exegese van het oude testament en haalde een paar jaar geleden de internationale pers omdat het oude testament niet begint met In den beginne schiep God.

Volgens haar interpretatie staat er dat de aarde er al was en dat toen God op het toneel verscheen.

Dat lijkt mij ook logisch. God werd bedacht door mensen die elkaar verhalen vertelden over de oorsprong van de wereld maar ze wisten ook wel dat die wereld er al was.

Terwijl ik dit schrijf moet ik denken aan de laatste voorstelling van Wim T. Schippers, Hoogwater voorheen Laagwater. Lang geleden dat ik zo monter een schouwburg verliet, wat een stuk! Zoals je weet is Schippers in hart en nieren nog steeds een Fluxus-kunstenaar.

Ik citeer uit het programmafoldertje:

‘Zij wijzen elke zoektocht naar betekenis af en zijn ervan overtuigd dat het beter is het leven en de onbegrijpelijkheid die daarbij hoort te omarmen. In al zijn onzinnigheid is het leven voor ons allen een onverwacht cadeau dat we zoveel mogelijk en zolang mogelijk moeten zien te vieren. Want het grote raadsel ligt niet zozeer in de vraag waarom we geboren zijn, maar waarom we, als het dan eenmaal zo is, na een keer of zeventig, tachtig rondjes rond de zon zo nodig weer moeten sterven’.

Zo… en buiten is het opgehouden te regenen.

vrgr

Wim

————————–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel IX.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Man en vrouw met camera

Het laatste deel van Susan Sontags On photography is gewijd aan citaten over fotografie die zij belangrijk vond. Er is sinds 1971 natuurlijk nogal veel veranderd in het denken over fotografie. Er is ook ontstellend veel veranderd in de fotografie zelf – en het belang ervan voor ons. Susan Sontags heeft een schitterende denktrant, en een benijdenswaardige melange van eenvoud en diepzinnigheid, helderheid – ik blijf maar denken dat de grote fotografe Annie Leibovitz na het lezen van deze bundel verliefd op haar moet zijn geworden.

Inmiddels kunnen  Sontags eigen citaten moeiteloos tussen die van de grootheden in haar laatste hoofdstuk staan. Ik citeer uit het essay ‘In Plato’s cave’. Geannoteerd voor 2015.

‘To collect photographs is to collect the world.’ – Pinterest, Flickr en bijvoorbeeld instagram komen tegemoet aan juist deze intentie, verzamelen van plaatjes met als verstrekkend doel bezit te nemen van de wereld om je heen. Je die wereld eigen te maken. Vakanties, straatleven, feestjes. Zijn van jou omdat je ze gefotografeerd hebt.

‘To photograph is to appropriate the thing photograped.’ – Heel eenvoudig geformuleerd de essentie. Vanaf kadrering – buitensluiting  – eigent de fotograaf zich het gefotografeerde toe, maakt het passend, interpreteert het dan ook. De beste toetsteen is Instagram, je kunt in de verzameling van willekeurig wie aan de foto’s zien hoe zij zich tot de wereld verhouden. Iemands verzameling zien, is iemand kennen. En andersom, zoekend vanaf een ding, #icecream bijvoorbeeld, kun je de interessante makers eruit vissen, zij spreken tot je als het ware door hun foto’s heen.

‘Like guns and cars camera’s are phantasy machines whose use is addictive.’ – Makers van camera’s adverteren in de late 60’er jaren op dezelfde wijze als fabrikanten van auto’s en wapens: het zijn gestroomlijnde machines die alles zelf doen, en altijd resultaat leveren. Met de camera in je telefoon tegenwoordig is dit ook zo, je hebt hem altijd aan je holster, altijd geladen, altijd werkend. En de verslaving: ik zie op tegen kennis omtrent hoe exponentieel mijn cameragebruik gegroeid is de laatste jaren, dat zegt genoeg.

Natuurlijk ben ik On photography gaan lezen omdat ik me afvroeg wat fotografie voor me betekent, dus de vraag lag er al, maar juist door Sontags betrekkelijk eenvoudige redeneertrant is er een wereld van vragen geopend. De zekerheid dat mensen hun leven construeren door beelden van dat leven is vandaag nog veel pregnanter aanwezig dan toen het boek in 1971 verscheen. Ook facebook is voor een belangrijk deel een plaatjesboek waarin men zijn wereld verzameld. Ik ben me bewust geworden van mijn impuls te leven door foto’s.

‘Room for thought’ is een denkstap verder: deze app geeft 1 maal per dag op een moment dat door de app gekozen wordt aan, dat je binnen 10 seconden een foto maken moet. ‘To collect photographs is to collect the world.’ is hierdoor iets buiten de beslissingsbevoegdheid van de fotograaf gebracht. Om in ‘Plato’s grot’ te blijven: ‘Room for thought’ verplicht je iets meer je echte wereld te verzamelen, meer dan je gedroomde of ideale wereld. ‘To photograph is to appropriate the thing photographed’ wordt lastiger en tegelijkertijd veelzeggender door ‘ Room for Thought.’ Op Instagram zet je niet snel de binnenkant van je wc-deur, maar als de app je verplicht te fotograferen als je op de wc zit heb je weinig keus. Dan moet je dus in heel korte tijd bedenken hoe je je die omgeving op zo’n manier eigen maakt dat het je persoonlijkheid representeert. Fotograferen als hordenloop.

Het tweede essay, over Diane Arbus is op alle mogelijke manieren een hoogtepunt in de twintigste-eeuwse fotografie-essayistiek. Haar voorbeelden zijn natuurlijk ook uitgelezen. Niet alleen Arbus overigens, Sontag grossiert in verwijzingen, ook in voor mij onbekende voorbeelden.  Neem deze totale beeldliefhebbersporno The Man with the Movie camera van Dziga Vertov:

Sontag schrijft: ‘The man with a movie camera (1929) gives the ideal image of the photographer as someone in perpetual movement, someone moving through a panorama of disparate events with such agility and speed that any intervention is out of the question.’ En daarvoor: ‘The person who intervenes cannot record; the person who is recording cannot intervene.’ Op deze wijze de inactiviteit van de beeldmaker aanroerend die ook nu, in 2015 zo tekenend is, we schieten ons een breuk en voelen ons passiever dan ooit. Overigens ook interessant voor wie geïnteresseerd is in het dagelijks leven in steden als Kiev, Charkov, Moskou en Odessa in de late 20’er jaren. De film van Vertov is vooral fascinerend in de mate waarin het het kijken zelf waarneembaar maakt en hoe je voelt dat wanneer je kijkt  je jezelf op gelijksoortige wijze verlustigt in wat er te zien is, als de cameraman deed. Leven is kijken.

Tirade – ziet voor- en achteruit

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • "Foto van Anja Sicking"
    Anja Sicking

    Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
    hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.