‘Mijn grootvader bezat een kolossale boerderij’

Vorige week publiceerden we hier het eerste deel uit de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. Hieronder deel II:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

nee, geboren ben ik er niet maar wel opgegroeid; in Zeeuws-Vlaanderen. Ik hield als kind al erg van het landschap. Het platte, het vlakke. Vooral de geur van het hooi dat in brand werd gestoken, de wind die er non-stop waaide en het uitgestrekte. Heerlijk om een lege horizon te kunnen zien, dat er geen beeld in je gezichtsveld staat. Zodra ik een stap in dat landschap zet, heb ik het idee dat ik thuis ben.

Van een kamer en een deur die piept zijn we dan nu bij de keukentafel aangekomen. Als je schrijft dat jullie leven zich daar omheen afspeelde, kan ik me er iets bij voorstellen. Ik heb thuis een aparte keuken met keukentafel. Wij en ons bezoek bevinden ons eigenlijk altijd in de keuken. En niet in onze woonkamer bijvoorbeeld, die groot genoeg is. Vanwege de extra warmte die een keuken uitstraalt denk ik.

Wanneer je schrijft dat je ouders zich als agressieve kennelhonden gedroegen lijkt me dat niet echt warm. Ik moet denken aan een film van van Warmerdam. Peertje boven de tafel. Robuust hout. Beetje schemerig. Verlaten omgeving.

Honden aan tafel, het is lastig voor te stellen hoe je daar zat. Je moet er dus toch lang met hen gezeten hebben, gegeten, gepraat. Ik ken je vader uit je gedichten: als een spiegelbeeld, als een vogel, als iemand die op het dak zit, en van het uitzicht geniet.

Hoe speelt een leven zich rond een keukentafel af?

Groeten,

Annemieke

————-

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

we woonden in het huis van mijn grootvader. Hij was boer geweest. In de dichtbundel schrijf ik over een vader die ’s avonds achter het huis zat en opmerkt dat het uitzicht elke avond anders is. Eigenlijk gaat dat gedicht over mijn grootvader maar aangezien mijn vader in de bundel vallend en zelfmoord plegend voorkomt wilde ik hem rust gunnen achter ons huis. Vandaar dat gedicht.

Mijn grootvader bezat een kolossale boerderij die ergens eind jaren dertig in vlammen is opgegaan. Ze hebben toen aan de overkant een nieuw huis gebouwd waar mijn ouders later zijn ingetrokken.

Aan die keukentafel aten we. Mijn ouders, mijn broer en ik. Mijn broer was er soms niet omdat hij aan het vissen was, of boeren hielp met bij voorbeeld hooien. Mijn ouders maakten vaak ruzie en dat begon steevast aan die keukentafel.

In mijn bundel schrijf ik over de zelfmoord van mijn vader zoals je weet. Wat ik niet opschrijf is dat wij – mijn vrouw en ik, onze kinderen – al weer eeuwen geleden op het punt stonden om mijn ouders onverwachts te bezoeken. We waren al jaren niet on speaking terms, mijn kinderen hadden hun grootouders eigenlijk maar een paar keer gezien.

We zouden op een zaterdag onverwachts langskomen en dan maar hopen dat mijn moeder de strijdbijl wilde begraven. Ze wist vaak niet eens meer waarom ze hem in de hand had. De dinsdag voor het bezoek belde mijn broer: mijn vader had zelfmoord gepleegd.

Hij wist niet van onze komst, het was een merkwaardige samenloop van omstandigheden. Nog merkwaardiger was het dat ik die zaterdag in een bomvol crematorium een toespraak hield terwijl niemand van de aanwezigen wist dat ik mijn ouders al tijden niet meer zag.

Ik had overigens de avond voordat mijn broer vertelde dat hij zelfmoord pleegde over mijn vader gedroomd. Die merkwaardige Pim van Lommel die gelooft in berichten van gene zijde meldde dat mijn vader zich kenbaar aan mij wilde maken. Ik denk dat ik zo vol van hem was dat ik droomde over een scene die ik vaak meemaakte.

Het is laat, ik kom thuis uit Zutphen, mijn vader zit nog aan de keukentafel. Hij leest de krant die hij die dag al drie keer heeft gelezen. We zitten even zwijgend aan die tafel, als ik nu goed luister kan ik zijn zware ademhaling horen. Dan zegt hij dat hij de hond gaat uitlaten, ik zeg dat ik naar boven ga.

Onlangs zag ik mijn vader trouwens aan de leestafel van een Amsterdams cafe zitten.

Ik denk dat het tijd is om naar buiten te gaan. Hoe ver was het naar school?

vriendelijke groeten,

Wim

———–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel 3.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

 

In de Oorshop

Uit de ban breken

In 1896 publiceert de Duitse dichter Richard Dehmel de bundel Weib und Welt. Het is een redelijk eenvoudig gedicht waar het hier om gaat. Een vrouw en man lopen door een bos, zij bekent hem zwanger te zijn maar niet van hem. Omdat ze een kind wilde. Op zoek naar ‘levensinhoud, moedergeluk en plicht’.

Zwei Menschen gehn durch kahlen, kalten Hain;
der Mond läuft mit, sie schaun hinein.
Der Mond läuft über hohe Eichen;
kein Wölkchen trübt das Himmelslicht,
in das die schwarzen Zacken reichen.
Die Stimme eines Weibes spricht:

Ich trag ein Kind, und nit von Dir,
ich geh in Sünde neben Dir.
Ich hab mich schwer an mir vergangen.
Ich glaubte nicht mehr an ein Glück
und hatte doch ein schwer Verlangen
nach Lebensinhalt, nach Mutterglück
und Pflicht; da hab ich mich erfrecht,
da ließ ich schaudernd mein Geschlecht
von einem fremden Mann umfangen,
und hab mich noch dafür gesegnet.
Nun hat das Leben sich gerächt:
nun bin ich Dir, o Dir, begegnet.

Sie geht mit ungelenkem Schritt.
Sie schaut empor; der Mond läuft mit.
Ihr dunkler Blick ertrinkt in Licht.
Die Stimme eines Mannes spricht:

Das Kind, das Du empfangen hast,
sei Deiner Seele keine Last,
o sieh, wie klar das Weltall schimmert!
Es ist ein Glanz um alles her;
Du treibst mit mir auf kaltem Meer,
doch eine eigne Wärme flimmert
von Dir in mich, von mir in Dich.
Die wird das fremde Kind verklären,
Du wirst es mir, von mir gebären;
Du hast den Glanz in mich gebracht,
Du hast mich selbst zum Kind gemacht.

Er faßt sie um die starken Hüften.
Ihr Atem küßt sich in den Lüften.
Zwei Menschen gehn durch hohe, helle Nacht.

De enige, nu en hier wellicht wat gebruikelijker bijzonderheid, is dat de man het kind aanneemt. Zij spreekt, hij spreekt, de maan loopt mee.
Drie jaar later componeert Arnold Schönberg ‘Verklärte Nacht’ een stuk voor zes strijkers. Hij was geïnspireerd geraakt door het gedicht van Dehmel. Wat een mooi stuk! Een lange intense compositie die vanuit de romantische traditie heel andere mogelijkheden zoekt, zich loswrikt uit de geformaliseerde afspraken zoals de man en de vrouw uit Dehmels gedicht dat doen. Een romantische setting met een ondertoon van verzet. Luister hier het stuk. Het was een bende bij de eerste uitvoering wil het verhaal. Maar dat wil het verhaal altijd.

Het was rustiger maandag in het Concertgebouw waar het Nederlands Kamerorkest het stuk speelde. Hoewel.Ongeveer 23 mensen hadden moeten besluiten thuis te blijven omdat ze last van hoest hadden. Daar is gelukkig onderzoek naar gedaan: mensen kuchen twee keer meer in een concertzaal dan ze erbuiten doen.

“It is the more modern pieces of 20th century classical music, it is the more quiet and slow movements that are interrupted by coughs. It is also non-random, in that coughing sometimes appears to occur in sort of avalanches or cascades through the audience so there are some patterns.”

En “My feeling is that because everyday life is so noisy, there’s so much noise around us all the time that when you go into something like a concert hall where you feel a lot of people are actually relishing the silence and looking forward to hearing those acoustic instruments played at a natural level, some people love that silence but some people feel tense.”

Verderop staat dan nog dat mensen misschien eigenlijk reageren op de muziek met de enige expressievorm die in een concertzaal min of meer toegestaan is: kuchen.

Oei. Had ik er maar beter naar geluisterd.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het leven op de krag

Surinaamse wolken zijn anders dan Nederlandse, die als dotten aan de hemel hangen of als een grijs systeemplafond de stookkosten helpen drukken. Hier lijken ze uit de aarde zelf te worden opgestuwd; soms waan ik me op een krag*, waaronder het water met bulderende gasbranders aan de kook gebracht is. Ja, het is regentijd.

De Times of Suriname kopte vandaag dat er een voodoopop gevonden is in een slootje naast het huis van de president. Uit het artikel bleek dat nog niet was achterhaald wie de pop (een blanke imitatieBarbie) daar had geplaatst en wie het beoogde slachtoffer was.

Op de grote foto was duidelijk te zien dat een lange glimmende naald met een roodplastic knopje uit Barbies buik omhoogstak. Ik herkende zowel de pop als de naald: beide zijn bij elke Chinese supermarkt voor een totaal van 18 SRD te vinden, en dan heb je ook nog 19 naalden over voor de meer alledaagse doeleinden. Nee, dacht ik, het waren eerder de huidskleur en het geslacht van de pop die het onderzoek zouden vergemakkelijken.

Daarna kwam ik – eigenlijk tijdens het werk – via het internet Onderhuids tegen, een onlinetest waarmee je kan ontdekken of je een onwenselijke voorkeur voor een bepaald type uiterlijk hebt. Deze met plakkerige vingers in elkaar geflanste lulkoek ontlokte me de eerste methodologische kritiek sinds het jaar dat ik mijn bul mocht ophalen en aansluitend in mijn fietskratje vergat. Het regende overigens, die dag.

 

Drijvend eilandje.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Archieven

Hermans zou intussen zijn naam niet waard zijn, als hij deze houding niet gerechtvaardigd had met een Napoleontisch handgebaar: ‘een geschrift dat mij niet bevalt, beschouw ik als een persoonlijke belediging’2. Hij heeft, evenals Napoleon, wel heel veel nodig om een persoonlijkheid te zijn, nl. de hele literatuur. Tweede vraag: waarom heeft hij zoveel nodig?

2012
442
Jan Emmens Decoratie voor een eerzuchtige Bijdrage tot een kroniek van de jongste literaire generatie
Omslag Tirade nr. 442

‘Niemand op deze aardbol kan ons van elkaar scheiden’

Liefde met een lok haar (1967) is het door Paul Bowles (1910-1999) opgetekende romandebuut van beeldend kunstenaar en verhalenverteller Mohammed Mrabet (1936) . In de media – en op de sociale media – maken Asis Aynan (1980), Abdelkader Benali (1975) en Said El Haji (1976) zich zo sterk voor dit boek dat ik de indruk kreeg iets te missen als ik LMELH ongelezen liet. Een vermoeden dat inmiddels is bewaarheid: Liefde met een lok haar is een prachtige roman. Een zwart, hard sprookje over lust, liefde, familie en (bij)geloof.

De roman vertelt het verhaal van de zeventienjarige Mohammed die al vier jaar als schandknaap en barman bij een Engelse hoteleigenaar woont als hij (Mohammed) verliefd wordt op Mina, het overbuurmeisje van zijn vader. Mohammed gaat met haar naar de bioscoop, wordt daar handtastelijk en weet Mina pas voor zich terug te winnen nadat hij haar met hulp van een heks heeft betoverd.

‘Er stonden een paar bloempotten bij het raam. Mina verdween naar binnen. Even later verscheen ze weer in het raam, met een schaar in haar hand. Ze knipte een witte anjer van een van de planten, kuste de bloem en gooide hem naar Mohammed. Hij ving hem en hield hem tegen zijn lippen.’

Mina en Mohammed beginnen te daten. Ze gaan naar cafés – in Tanger, where we lay our scene – en naar zee: ‘Ze stonden op en renden over het strand achter elkaar aan. Hij gaf haar een voorsprong, zodat hij naar haar kon kijken.’ Mohammed ontmaagdt Mina en moet dan met haar trouwen, eerst weigert hij – op last van zijn vader -,  maar een slopend verblijf in de gevangenis verandert zijn nee in een ja. De liefde tussen Mina en Mohammed lijkt dan eigenlijk al kapot.

De twee krijgen een baby – Driss – waarna hun relatie  verder verslechtert. Niet in de laatste plaats door Mohammeds drankgebruik. Als Mina een week nadat ze is bevallen niet met Mohammed naar bed wil, verkracht hij haar en bij een latere ruzie – hij verdenkt Mina van overspel – slaat hij haar: ‘Hij gaf haar zo’n harde klap dat het bloed uit haar neus kwam.’ Kort daarop lezen we: ‘Toen hij naar Mina keek, bedacht hij hoe fijn het zou zijn om haar te wurgen.’

De gewelddadige bejegeningen zijn overigens wederzijds. De eerste fysieke klap in het boek wordt uitgedeeld door Mina, en wel als Mohammed stomdronken thuiskomt en haar probeert te kussen. Baf: ‘Bloed drupte op zijn kin.’

Sympathiek zijn Mohammed en Mina niet. Ze zijn allebei grillig, berekenend, materialistisch en wreed – mensen van vlees en bloed, zeg maar. Dat hun huwelijk door iedereen wordt afgekeurd maakt hun liefdesleven natuurlijk niet eenvoudiger: zijn vader is tegen hun relatie, haar moeder, zijn werkgever/minnaar Mr. David*, zijn vrienden.

De grote kracht van LMELH is de tegenstelling tussen het filmische, mondaine decor (taxi’s, pijnbomen, bioscopen, markten met levensmiddelen, dakterrassen, palmbomen, de zee) en de protagonisten die er maar niet in slagen in dat decor gelukkig te worden.

LMELH lijkt zo’n verhaal dat je niet moet navertellen omdat de bewegingen en schijnbewegingen van de handeling zo’n belangrijk deel uit lijken te maken van het leesplezier. Maar ik doe het toch. In de literatuur is het hoe altijd belangrijker dan het wat.

Als Mina en Mohammed uit elkaar zijn, krijgt hij een relatie met Melika, een straatprostituee en vriendin van Mina die eigenlijk van plan was hem voor haar (Mina) te vergiftigen. Voor Mohammed is Melika het surrogaat dat hem moet laten vergeten hoe Mina ooit was: ‘Hij ging op haar liggen en duwde zich in haar vlees, zich voorstellend dat ze echt Mina was.’

Mohammed wordt alsnog vergiftigd door een andere vrouw. Na zijn herstel besluit hij Melika te verlaten omdat zij hem teveel aan Mina doet denken. In een hartverscheurende scène laat hij de huilende Melika achter op een bankje met uitzicht op de haven.

Omdat Mrabet terughoudend is met uitleg, beschrijvingen en gedachten, krijgt zijn boek ongelooflijk veel vaart, terwijl het je tegelijkertijd dwingt om mee te denken over de gevoels- en gedachtewerelden achter de handeling. Dat is erg enerverend. Net als een paar echte actiescènes trouwens. Zo maken Mohammed en Mr. David bijvoorbeeld plezier: ‘Toen ze het café verlieten, liepen ze omarmd en zingend naar buiten. Ook achter het stuur ging Mohammed door met zingen. Op twee wielen vlogen ze door de bochten bij Cap Spartel.’

LMELH bevat prachtige scènes op dakterrassen, er wordt telkens vlees, vruchten en andere levensmiddelen ingeslagen op de markt en overal in de roman vind je mooie metaforen – ‘Als de golven van de zee gingen de kussen tussen hen heen en weer.’ – of puntige natuurbeschrijvingen: ‘Hij deed de voordeur achter zich dicht en liep de Avenida Espana uit. De wind blies onstuimig door de palmen.’

Allah is groot. Maar Mohammed Mrabet is ook geen kleine jongen. Met het bittere, bikkelharde slothoofdstuk van zijn debuut bewijst hij een echte, meedogenloze schrijver te zijn. Liefde met een lok haar is net zo wreed als het leven zelf.

Tiradeyouyouyouyou!

Soundtrack: Farid el Atrache, Hikayat Gharami.

Liefde met een lok haar, vertaald uit het Engels door Hester Tollenaar, met een voorwoord van Asis Aynan, is verschenen bij Uitgeverij Jurgen Maas (2014).

Volgende week: De Voorstraat, Utrecht. Mohammed Mrabet, Strandcafé. En meer.

*Noot

Nu en dan mengen de werelden van Marokkanen en buitenlanders in Tanger zich. Maar de belangstelling van de Nazareners (‘Christenen’: Europeanen en Amerikanen) voor hun gastland lijkt niet erg diep te gaan. Over de Engelse Mr David – dan al jaren de minnaar van Mohammed – lezen we: ‘De moslimcultuur maakte hem altijd aan het lachen, omdat hij er niets vanaf wist.’

Tirade dankt Maarten van der Graaff

De afgelopen vier Novemberzondagen schreef dichter Maarten van der Graaff (1987) gastblogs voor ons. Deze Vijfde Novemberzondag declameert de Tirade-redactie, bij wijze van dank én bij wijze van uitroepteken achter Van der Graaffs gastblogschap, een gedicht uit zijn C.Buddingh-Prijswinnende bundel ‘Vluchtautogedichten’ (2013):

 

Gedicht voor Laurie Steinbusch

Met een heggenschaar in mijn hand stap ik naar binnen.

Ik ben voorbereid, zou je kunnen zeggen.

Dat dit alles in Lombok, Utrecht gebeurt,

heel duidelijk en zonder adem te verspillen,

is mooi.

’s Nachts hangt een raaf in zijn vlucht verstard,

wanneer jij de ochtend ruikt is hij vrij.

 

Ik ben verliefd op jou.

De lege auto’s in de straat weten dat niet.

Alle mensen die in Utrecht met elkaar in bed liggen

hebben hiervan niet het flauwste benul.

Meestal neem ik ze het niet kwalijk.

 

De Utrechtheid van deze ruimte strekt zich

loom voor ons uit. Veelgeurig en

nutteloos en licht.

 

Maarten van der Graaff, Vluchtautogedichten (Atlas Contact, 2013;p.38).

——————————

De jongste Tirade-publicaties van Maarten van der Graaff vind je in Tirade 450 en in Tirade 454.

Volgende week: De Eerste Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

Presse-Papier

IMG_4021In een oude kartonnen doos met foto’s vond ik een presse-papier van mijn opa. Ik heb het ding een ereplaatsje  in mijn boekenkast gegeven en kan er sindsdien bijna niet langslopen zonder het op te pakken. De presse-papier stond vroeger in het secretaire waaraan mijn opa vaak zat te werken als ik op maandag bij mijn oma en opa op bezoek kwam. Oma morrelde meestal in de keuken aan iets te eten. Als opa niet met me puzzelde zat ik in de fauteuil voor het raam met de presse-papier, en liet het licht vallen op die immense kever die opgesloten zat in dat gladde materiaal dat minder koud voelde dan glas. Of was het toch een sprinkhaan? Het dier leek zich schrap te zetten, zijn lange voelsprieten naar achteren gevouwen, alsof het een reuzensprong zou maken als het hars open zou breken.

Mijn opa kocht ooit een soort gebruiksrecht, patent, op dit type snelhardende kunsthars. Kevers, bloemen, zelfs kleine visjes kon je erin conserveren. Het was lichter en goedkoper dan glas, minder breekbaar. Het was het materiaal van de toekomst, meende mijn opa, en het had een lichtgele waas die in de mode was. Hij had er diep voor in de buidel getast. Het appartement van mijn oma en opa aan de Beethovenstraat was van onder tot boven in tinten mosterd, oker of variaties daarop. Daarin kwam het gelige kunsthars goed tot zijn recht. Ze goten er foto’s in, postzegelverzamelingen. Ze maakten er handvatten van, voor kasten, wandelstokken, handtassen en paraplu’s, in verschillende kleuren, met telkens andere insecten en bloemen erin opgesloten. Elke jarige kreeg een stilleven in kunsthars cadeau. Toch zijn de producten nooit zo’n groot succes geworden als ze hadden gehoopt.

Mijn ouders kwamen lunchen en ik liet hen enthousiast de presse-papier zien terwijl ik me hardop afvroeg waaraan mijn opa eigenlijk zo plotseling was overleden. ‘Maar lieverd, je weet toch dat je opa euthanasie heeft gepleegd’, zei mijn moeder enthousiast. Alsof het nou uit was met al die gekkigheid. Ik was zo verbaasd dat mijn voorhoofd zich groefde en mijn ogen zich sloten. ‘Was opa ziek dan?’, probeerde ik de geschiedenis te herinterpreteren. Ik zag dat mijn vader een neusvleugel optrok, niet zeker of dit nou wel de bedoeling was. ‘Kanker’, zei hij aarzelend ‘Eigenlijk al zolang als jij bestond. Op het laatst was het uitgezaaid in bijna al zijn organen. Maar als jij langskwam moest het infuus eraf. Dan moesten de pleisters verstopt onder lange truien, al was het dertig graden. Hij vond zijn ziekte te moeilijk voor een kind.’

Ik herinnerde nog goed dat mijn opa en oma op visite kwamen in ons smalle huis aan de keizersgracht, kort nadat mijn zusje was geboren. De foto’s van dat bezoek heb ik teruggezocht. Hoe nieuwe informatie een beeld kan veranderen. Aan onze lange keukentafel zag ik opeens mijn doodzieke opa. Mager, asgrauw; zijn armen stevig om mij heen geslagen. Ik was bijna acht en ik wijs op de foto enthousiast naar mijn nieuwe zusje. Hij wist, en ik niet, dat het de laatste keer was dat we elkaar zouden zien.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.