Ontstemd

Ik zat (net als Menno) deze week in het concertgebouw. Meesterpianist Piotr Anderszewski speelde Szymanowski en Bach. Bach, natuurlijk ook mooi, maar ik kwam vooral voor Szymanowski. Ook naast mij zat (net als naast Menno) een 70-plusser die beter thuis had kunnen blijven. Tijdens Bach deed hij nog zijn best om zijn gehoest tot een minimum te beperken. Maar soms schokte onze rij stoelen van zijn ingehouden kuch. Ik overwoog het gangpad over te steken, waar een lege stoel naar me lonkte, maar besloot dat ik me eroverheen moest zetten. Immers ook bij Glenn Gould luister ik om de bijgeluiden heen. Tijdens Szymanowski echter gingen alle remmen los. Gehoest, gesnotter. Onbeschaamd haalde mijn buurman zijn loopneus op, tikte verveeld met zijn voet tegen de stoel. Tijdens het applaus verzuchtte hij tegen zijn buurman dat het toch knap was hoe zo’n pianist zoiets uit kon voeren, wat toch nauwelijks muziek te noemen valt.

Donderdag stond ik in een uitverkochte OT301, waar Arca optrad, een soort moderne muzikale child prodigy, die op zijn 23ste al een indrukwekkend repertoire heeft opgebouwd in albums en samenwerkingen met grootheden als Kanye en Björk. Arca doet iets interessants met valse instrumenten. Zijn muziek is niet dissonant te noemen, of atonaal. Ik weet niet of er een term voor bestaat, maar zijn muziek is ontstemd (antitonaal?) Zijn noten zijn stuk voor stuk vals, ze hangen onaangenaam tussen de frequenties in die we gewend zijn te horen (de bijbehorende beelden van Jesse Kanda, zijn overigens even angstaanjagend/indrukwekkend)

Staand tussen de bebaarde hipsters in OT301 vroeg ik me af of vals het nieuwe zuiver is. Lelijk was al een tijdje het nieuwe mooi. Draag een zo lelijk mogelijke trui, een slecht passende broek, een baard die je tien jaar ouder maakt, en je behoort (of moet ik al zeggen: behoorde?) tot de modieuze avant garde. Misschien is een volgende stap valse muziek.

IMG_4023

Op de open dag van de Rijksakademie afgelopen zaterdag was ik bijzonder onder de indruk van een ontstemde versie van de Matthäus-Passion. Felix Burger maakte een installatie over censuur en onderdrukking, in een halfduistere ruimte waar je haast op de tast doorheen moest schuiven. Op een flakkerend scherm vertoonde hij beelden van zichzelf, een kunstenaar vastgebonden in een stoel, die verwarde taal uitslaat. Op tafels lagen gipsen koppen waaruit de mond vakkundig was weggesneden, de overblijfselen daarvan lagen als uitgerukte tongen verspreid door de ruimte. Op een glazen plaat lagen boeken waaruit passages waren weggepoetst, en op de achtergrond hoorde je steeds de stamelende kunstenaar. Tot in het midden van de ruimte een leger van gipsen gezichten het openingskoraal uit de Matthäus begon te zingen. Hun gipsen monden bewogen op en neer door mechanische pinnen die dwars door de kop waren gestoken en die met een angstaanjagend geklepper het hemelse gezang nog verder ontstemden.

Nooit eerder had ik de Matthäus geassocieerd met censuur. Maar die is er wel degelijk, zo begon me te dagen in de dagen erna. Want wat is het verstikkend dat er zoveel consensus bestaat over dat stuk. Zó zeker was mijn buurman in het concertgebouw ervan dat Bachs muziek hemels is, dat hij muziek die daar te veel van afwijkt haast niet meer als muziek kan zien. Door consensus over wat mooi is, wordt iets anders gecensureerd. Ik probeer dus vanaf nu mijn blik niet meer te laten vertroebelen door al te veel moois.

 

In de Oorshop

‘Mijn grootvader bezat een kolossale boerderij’

Vorige week publiceerden we hier het eerste deel uit de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. Hieronder deel II:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

nee, geboren ben ik er niet maar wel opgegroeid; in Zeeuws-Vlaanderen. Ik hield als kind al erg van het landschap. Het platte, het vlakke. Vooral de geur van het hooi dat in brand werd gestoken, de wind die er non-stop waaide en het uitgestrekte. Heerlijk om een lege horizon te kunnen zien, dat er geen beeld in je gezichtsveld staat. Zodra ik een stap in dat landschap zet, heb ik het idee dat ik thuis ben.

Van een kamer en een deur die piept zijn we dan nu bij de keukentafel aangekomen. Als je schrijft dat jullie leven zich daar omheen afspeelde, kan ik me er iets bij voorstellen. Ik heb thuis een aparte keuken met keukentafel. Wij en ons bezoek bevinden ons eigenlijk altijd in de keuken. En niet in onze woonkamer bijvoorbeeld, die groot genoeg is. Vanwege de extra warmte die een keuken uitstraalt denk ik.

Wanneer je schrijft dat je ouders zich als agressieve kennelhonden gedroegen lijkt me dat niet echt warm. Ik moet denken aan een film van van Warmerdam. Peertje boven de tafel. Robuust hout. Beetje schemerig. Verlaten omgeving.

Honden aan tafel, het is lastig voor te stellen hoe je daar zat. Je moet er dus toch lang met hen gezeten hebben, gegeten, gepraat. Ik ken je vader uit je gedichten: als een spiegelbeeld, als een vogel, als iemand die op het dak zit, en van het uitzicht geniet.

Hoe speelt een leven zich rond een keukentafel af?

Groeten,

Annemieke

————-

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

we woonden in het huis van mijn grootvader. Hij was boer geweest. In de dichtbundel schrijf ik over een vader die ’s avonds achter het huis zat en opmerkt dat het uitzicht elke avond anders is. Eigenlijk gaat dat gedicht over mijn grootvader maar aangezien mijn vader in de bundel vallend en zelfmoord plegend voorkomt wilde ik hem rust gunnen achter ons huis. Vandaar dat gedicht.

Mijn grootvader bezat een kolossale boerderij die ergens eind jaren dertig in vlammen is opgegaan. Ze hebben toen aan de overkant een nieuw huis gebouwd waar mijn ouders later zijn ingetrokken.

Aan die keukentafel aten we. Mijn ouders, mijn broer en ik. Mijn broer was er soms niet omdat hij aan het vissen was, of boeren hielp met bij voorbeeld hooien. Mijn ouders maakten vaak ruzie en dat begon steevast aan die keukentafel.

In mijn bundel schrijf ik over de zelfmoord van mijn vader zoals je weet. Wat ik niet opschrijf is dat wij – mijn vrouw en ik, onze kinderen – al weer eeuwen geleden op het punt stonden om mijn ouders onverwachts te bezoeken. We waren al jaren niet on speaking terms, mijn kinderen hadden hun grootouders eigenlijk maar een paar keer gezien.

We zouden op een zaterdag onverwachts langskomen en dan maar hopen dat mijn moeder de strijdbijl wilde begraven. Ze wist vaak niet eens meer waarom ze hem in de hand had. De dinsdag voor het bezoek belde mijn broer: mijn vader had zelfmoord gepleegd.

Hij wist niet van onze komst, het was een merkwaardige samenloop van omstandigheden. Nog merkwaardiger was het dat ik die zaterdag in een bomvol crematorium een toespraak hield terwijl niemand van de aanwezigen wist dat ik mijn ouders al tijden niet meer zag.

Ik had overigens de avond voordat mijn broer vertelde dat hij zelfmoord pleegde over mijn vader gedroomd. Die merkwaardige Pim van Lommel die gelooft in berichten van gene zijde meldde dat mijn vader zich kenbaar aan mij wilde maken. Ik denk dat ik zo vol van hem was dat ik droomde over een scene die ik vaak meemaakte.

Het is laat, ik kom thuis uit Zutphen, mijn vader zit nog aan de keukentafel. Hij leest de krant die hij die dag al drie keer heeft gelezen. We zitten even zwijgend aan die tafel, als ik nu goed luister kan ik zijn zware ademhaling horen. Dan zegt hij dat hij de hond gaat uitlaten, ik zeg dat ik naar boven ga.

Onlangs zag ik mijn vader trouwens aan de leestafel van een Amsterdams cafe zitten.

Ik denk dat het tijd is om naar buiten te gaan. Hoe ver was het naar school?

vriendelijke groeten,

Wim

———–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel 3.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Uit de ban breken

In 1896 publiceert de Duitse dichter Richard Dehmel de bundel Weib und Welt. Het is een redelijk eenvoudig gedicht waar het hier om gaat. Een vrouw en man lopen door een bos, zij bekent hem zwanger te zijn maar niet van hem. Omdat ze een kind wilde. Op zoek naar ‘levensinhoud, moedergeluk en plicht’.

Zwei Menschen gehn durch kahlen, kalten Hain;
der Mond läuft mit, sie schaun hinein.
Der Mond läuft über hohe Eichen;
kein Wölkchen trübt das Himmelslicht,
in das die schwarzen Zacken reichen.
Die Stimme eines Weibes spricht:

Ich trag ein Kind, und nit von Dir,
ich geh in Sünde neben Dir.
Ich hab mich schwer an mir vergangen.
Ich glaubte nicht mehr an ein Glück
und hatte doch ein schwer Verlangen
nach Lebensinhalt, nach Mutterglück
und Pflicht; da hab ich mich erfrecht,
da ließ ich schaudernd mein Geschlecht
von einem fremden Mann umfangen,
und hab mich noch dafür gesegnet.
Nun hat das Leben sich gerächt:
nun bin ich Dir, o Dir, begegnet.

Sie geht mit ungelenkem Schritt.
Sie schaut empor; der Mond läuft mit.
Ihr dunkler Blick ertrinkt in Licht.
Die Stimme eines Mannes spricht:

Das Kind, das Du empfangen hast,
sei Deiner Seele keine Last,
o sieh, wie klar das Weltall schimmert!
Es ist ein Glanz um alles her;
Du treibst mit mir auf kaltem Meer,
doch eine eigne Wärme flimmert
von Dir in mich, von mir in Dich.
Die wird das fremde Kind verklären,
Du wirst es mir, von mir gebären;
Du hast den Glanz in mich gebracht,
Du hast mich selbst zum Kind gemacht.

Er faßt sie um die starken Hüften.
Ihr Atem küßt sich in den Lüften.
Zwei Menschen gehn durch hohe, helle Nacht.

De enige, nu en hier wellicht wat gebruikelijker bijzonderheid, is dat de man het kind aanneemt. Zij spreekt, hij spreekt, de maan loopt mee.
Drie jaar later componeert Arnold Schönberg ‘Verklärte Nacht’ een stuk voor zes strijkers. Hij was geïnspireerd geraakt door het gedicht van Dehmel. Wat een mooi stuk! Een lange intense compositie die vanuit de romantische traditie heel andere mogelijkheden zoekt, zich loswrikt uit de geformaliseerde afspraken zoals de man en de vrouw uit Dehmels gedicht dat doen. Een romantische setting met een ondertoon van verzet. Luister hier het stuk. Het was een bende bij de eerste uitvoering wil het verhaal. Maar dat wil het verhaal altijd.

Het was rustiger maandag in het Concertgebouw waar het Nederlands Kamerorkest het stuk speelde. Hoewel.Ongeveer 23 mensen hadden moeten besluiten thuis te blijven omdat ze last van hoest hadden. Daar is gelukkig onderzoek naar gedaan: mensen kuchen twee keer meer in een concertzaal dan ze erbuiten doen.

“It is the more modern pieces of 20th century classical music, it is the more quiet and slow movements that are interrupted by coughs. It is also non-random, in that coughing sometimes appears to occur in sort of avalanches or cascades through the audience so there are some patterns.”

En “My feeling is that because everyday life is so noisy, there’s so much noise around us all the time that when you go into something like a concert hall where you feel a lot of people are actually relishing the silence and looking forward to hearing those acoustic instruments played at a natural level, some people love that silence but some people feel tense.”

Verderop staat dan nog dat mensen misschien eigenlijk reageren op de muziek met de enige expressievorm die in een concertzaal min of meer toegestaan is: kuchen.

Oei. Had ik er maar beter naar geluisterd.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Het leven op de krag

Surinaamse wolken zijn anders dan Nederlandse, die als dotten aan de hemel hangen of als een grijs systeemplafond de stookkosten helpen drukken. Hier lijken ze uit de aarde zelf te worden opgestuwd; soms waan ik me op een krag*, waaronder het water met bulderende gasbranders aan de kook gebracht is. Ja, het is regentijd.

De Times of Suriname kopte vandaag dat er een voodoopop gevonden is in een slootje naast het huis van de president. Uit het artikel bleek dat nog niet was achterhaald wie de pop (een blanke imitatieBarbie) daar had geplaatst en wie het beoogde slachtoffer was.

Op de grote foto was duidelijk te zien dat een lange glimmende naald met een roodplastic knopje uit Barbies buik omhoogstak. Ik herkende zowel de pop als de naald: beide zijn bij elke Chinese supermarkt voor een totaal van 18 SRD te vinden, en dan heb je ook nog 19 naalden over voor de meer alledaagse doeleinden. Nee, dacht ik, het waren eerder de huidskleur en het geslacht van de pop die het onderzoek zouden vergemakkelijken.

Daarna kwam ik – eigenlijk tijdens het werk – via het internet Onderhuids tegen, een onlinetest waarmee je kan ontdekken of je een onwenselijke voorkeur voor een bepaald type uiterlijk hebt. Deze met plakkerige vingers in elkaar geflanste lulkoek ontlokte me de eerste methodologische kritiek sinds het jaar dat ik mijn bul mocht ophalen en aansluitend in mijn fietskratje vergat. Het regende overigens, die dag.

 

* Drijvend eilandje.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

‘Niemand op deze aardbol kan ons van elkaar scheiden’

Liefde met een lok haar (1967) is het door Paul Bowles (1910-1999) opgetekende romandebuut van beeldend kunstenaar en verhalenverteller Mohammed Mrabet (1936) . In de media – en op de sociale media – maken Asis Aynan (1980), Abdelkader Benali (1975) en Said El Haji (1976) zich zo sterk voor dit boek dat ik de indruk kreeg iets te missen als ik LMELH ongelezen liet. Een vermoeden dat inmiddels is bewaarheid: Liefde met een lok haar is een prachtige roman. Een zwart, hard sprookje over lust, liefde, familie en (bij)geloof.

De roman vertelt het verhaal van de zeventienjarige Mohammed die al vier jaar als schandknaap en barman bij een Engelse hoteleigenaar woont als hij (Mohammed) verliefd wordt op Mina, het overbuurmeisje van zijn vader. Mohammed gaat met haar naar de bioscoop, wordt daar handtastelijk en weet Mina pas voor zich terug te winnen nadat hij haar met hulp van een heks heeft betoverd.

‘Er stonden een paar bloempotten bij het raam. Mina verdween naar binnen. Even later verscheen ze weer in het raam, met een schaar in haar hand. Ze knipte een witte anjer van een van de planten, kuste de bloem en gooide hem naar Mohammed. Hij ving hem en hield hem tegen zijn lippen.’

Mina en Mohammed beginnen te daten. Ze gaan naar cafés – in Tanger, where we lay our scene – en naar zee: ‘Ze stonden op en renden over het strand achter elkaar aan. Hij gaf haar een voorsprong, zodat hij naar haar kon kijken.’ Mohammed ontmaagdt Mina en moet dan met haar trouwen, eerst weigert hij – op last van zijn vader -,  maar een slopend verblijf in de gevangenis verandert zijn nee in een ja. De liefde tussen Mina en Mohammed lijkt dan eigenlijk al kapot.

De twee krijgen een baby – Driss – waarna hun relatie  verder verslechtert. Niet in de laatste plaats door Mohammeds drankgebruik. Als Mina een week nadat ze is bevallen niet met Mohammed naar bed wil, verkracht hij haar en bij een latere ruzie – hij verdenkt Mina van overspel – slaat hij haar: ‘Hij gaf haar zo’n harde klap dat het bloed uit haar neus kwam.’ Kort daarop lezen we: ‘Toen hij naar Mina keek, bedacht hij hoe fijn het zou zijn om haar te wurgen.’

De gewelddadige bejegeningen zijn overigens wederzijds. De eerste fysieke klap in het boek wordt uitgedeeld door Mina, en wel als Mohammed stomdronken thuiskomt en haar probeert te kussen. Baf: ‘Bloed drupte op zijn kin.’

Sympathiek zijn Mohammed en Mina niet. Ze zijn allebei grillig, berekenend, materialistisch en wreed – mensen van vlees en bloed, zeg maar. Dat hun huwelijk door iedereen wordt afgekeurd maakt hun liefdesleven natuurlijk niet eenvoudiger: zijn vader is tegen hun relatie, haar moeder, zijn werkgever/minnaar Mr. David*, zijn vrienden.

De grote kracht van LMELH is de tegenstelling tussen het filmische, mondaine decor (taxi’s, pijnbomen, bioscopen, markten met levensmiddelen, dakterrassen, palmbomen, de zee) en de protagonisten die er maar niet in slagen in dat decor gelukkig te worden.

LMELH lijkt zo’n verhaal dat je niet moet navertellen omdat de bewegingen en schijnbewegingen van de handeling zo’n belangrijk deel uit lijken te maken van het leesplezier. Maar ik doe het toch. In de literatuur is het hoe altijd belangrijker dan het wat.

Als Mina en Mohammed uit elkaar zijn, krijgt hij een relatie met Melika, een straatprostituee en vriendin van Mina die eigenlijk van plan was hem voor haar (Mina) te vergiftigen. Voor Mohammed is Melika het surrogaat dat hem moet laten vergeten hoe Mina ooit was: ‘Hij ging op haar liggen en duwde zich in haar vlees, zich voorstellend dat ze echt Mina was.’

Mohammed wordt alsnog vergiftigd door een andere vrouw. Na zijn herstel besluit hij Melika te verlaten omdat zij hem teveel aan Mina doet denken. In een hartverscheurende scène laat hij de huilende Melika achter op een bankje met uitzicht op de haven.

Omdat Mrabet terughoudend is met uitleg, beschrijvingen en gedachten, krijgt zijn boek ongelooflijk veel vaart, terwijl het je tegelijkertijd dwingt om mee te denken over de gevoels- en gedachtewerelden achter de handeling. Dat is erg enerverend. Net als een paar echte actiescènes trouwens. Zo maken Mohammed en Mr. David bijvoorbeeld plezier: ‘Toen ze het café verlieten, liepen ze omarmd en zingend naar buiten. Ook achter het stuur ging Mohammed door met zingen. Op twee wielen vlogen ze door de bochten bij Cap Spartel.’

LMELH bevat prachtige scènes op dakterrassen, er wordt telkens vlees, vruchten en andere levensmiddelen ingeslagen op de markt en overal in de roman vind je mooie metaforen – ‘Als de golven van de zee gingen de kussen tussen hen heen en weer.’ – of puntige natuurbeschrijvingen: ‘Hij deed de voordeur achter zich dicht en liep de Avenida Espana uit. De wind blies onstuimig door de palmen.’

Allah is groot. Maar Mohammed Mrabet is ook geen kleine jongen. Met het bittere, bikkelharde slothoofdstuk van zijn debuut bewijst hij een echte, meedogenloze schrijver te zijn. Liefde met een lok haar is net zo wreed als het leven zelf.

—

Tirade – youyouyouyou!

Soundtrack: Farid el Atrache, Hikayat Gharami.

Liefde met een lok haar, vertaald uit het Engels door Hester Tollenaar, met een voorwoord van Asis Aynan, is verschenen bij Uitgeverij Jurgen Maas (2014).

Volgende week: De Voorstraat, Utrecht. Mohammed Mrabet, Strandcafé. En meer.

*Noot

Nu en dan mengen de werelden van Marokkanen en buitenlanders in Tanger zich. Maar de belangstelling van de Nazareners (‘Christenen’: Europeanen en Amerikanen) voor hun gastland lijkt niet erg diep te gaan. Over de Engelse Mr David – dan al jaren de minnaar van Mohammed – lezen we: ‘De moslimcultuur maakte hem altijd aan het lachen, omdat hij er niets vanaf wist.’

Tirade dankt Maarten van der Graaff

De afgelopen vier Novemberzondagen schreef dichter Maarten van der Graaff (1987) gastblogs voor ons. Deze Vijfde Novemberzondag declameert de Tirade-redactie, bij wijze van dank én bij wijze van uitroepteken achter Van der Graaffs gastblogschap, een gedicht uit zijn C.Buddingh-Prijswinnende bundel ‘Vluchtautogedichten’ (2013):

 

Gedicht voor Laurie Steinbusch

Met een heggenschaar in mijn hand stap ik naar binnen.

Ik ben voorbereid, zou je kunnen zeggen.

Dat dit alles in Lombok, Utrecht gebeurt,

heel duidelijk en zonder adem te verspillen,

is mooi.

’s Nachts hangt een raaf in zijn vlucht verstard,

wanneer jij de ochtend ruikt is hij vrij.

 

Ik ben verliefd op jou.

De lege auto’s in de straat weten dat niet.

Alle mensen die in Utrecht met elkaar in bed liggen

hebben hiervan niet het flauwste benul.

Meestal neem ik ze het niet kwalijk.

 

De Utrechtheid van deze ruimte strekt zich

loom voor ons uit. Veelgeurig en

nutteloos en licht.

 

Maarten van der Graaff, Vluchtautogedichten (Atlas Contact, 2013;p.38).

——————————

De jongste Tirade-publicaties van Maarten van der Graaff vind je in Tirade 450 en in Tirade 454.

Volgende week: De Eerste Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Bibi Roos"
    Bibi Roos

    Bibi Roos studeert in 2025 af van de opleiding Writing for Performance aan de HKU en is de eerste in de reeks Tiradeblogs van afstudeerders. Ze schreef een scriptie over schaamte en humor en maakt daarnaast als Funny Bergman de explosieve solo ‘Ik ben Funny’, waarmee ze deze zomer op de Parade staat. Ze maakt het liefst werk over Bijzonder Vreemde Personen en Dingen en is entertainer, winnaar en performer in vele opzichten.
    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.