De stem van mijn overgrootvader

Deze week worstel ik me door een stapel brieven die mijn oma in de oorlog van haar vader uit Duitsland heeft ontvangen. Het zijn bij elkaar een kleine vijfhonderd kantjes. Brieven, tekeningen, ansichtkaarten, allen verrijkt met griezelige stempels met adelaars en hakenkruizen. Zo leer ik dus nu,  een 75 jaar na dato, via zijn brieven, de formele, autoritaire stem van mijn overgrootvader Hans kennen. Ik weet niet of ik hem mag, deze man, al geniet ik van zijn prachtige, ellenlange, Duitse zinnen, en al hou ik natuurlijk sowieso van hem, alleen al omdat mijn oma met zoveel liefde over hem sprak. De brieven die zij aan haar vader schreef, zijn niet bewaard gebleven, aangezien hij de oorlog niet heeft overleefd. Tijdens het lezen probeer ik me dus een beeld te vormen van wat mijn oma hem moet hebben geschreven. Het ene na het andere raadsel doemt op.

Zo was ik in de veronderstelling dat mijn oma door haar vader naar Amsterdam werd gestuurd. Maar uit de brieven blijkt dat ene Helmut, waarmee mijn oma zich kennelijk verloofd had, haar heeft “meegelokt” naar Amsterdam, met als doel om door te reizen naar Amerika. Haar vader ziet geen heil in deze onderneming (Waarom zo ver? Wat moet je daar dan? Huisvrouw worden, dat is toch beneden je stand?). En haar vader heeft geen goed woord over voor haar verloofde (nergens goed voor, “zo’n onbetrouwbaar joods type” – een eigenaardige typering uit de mond van een jood). De reis naar Amerika heeft mijn oma nooit gemaakt, en ook met deze Helmut is ze nooit getrouwd, dus hoe deze geschiedenis afloopt zal naar verwachting verderop in de Korrespondenz blijken.

Mijn oma’s vader is eigenlijk onophoudelijk boos de eerste twee jaar van zijn brieven. Boos op mijn oma. Ze haalt hem het bloed onder de nagels vandaan, schrijft hij keer op keer. En dat terwijl hij schrijft over geldzorgen, over verveling. Hij was werkloos, als jood mocht hij zijn beroep, arts, niet meer uitoefenen (al schrijft hij eind 41 hoopvol over een kans op een aanstelling als arts in het joodse ghetto van Keulen). Hij zal daarnaast vreselijk bezorgd zijn geweest om zijn jongste dochter, die te vroeg het nest verliet, met een, naar zijn mening, foute man. De uiting van die zorgen is, zacht gezegd, onprettig te noemen. Brief na brief noemt hij mijn oma dom, naief, onzeker. Haar beslissingen vindt hij waardeloos, haar plannen Quatsch! De problemen, die ze hem soms toevertrouwt, zag hij van mijlenver aankomen. En op het moment dat ik er niet meer tegen kan, is ook mijn oma vermoed ik in opstand gekomen. Want opeens volgt een brief met een andere toon. Bijna tegen het vriendelijke aan. Maar met een enigszins zwartgallig beeld van de wereld, zo vlak aan het begin van het uitbreken van een oorlog die, van deze familie, alleen mijn oma zou overleven. Ik heb hem voor het gemak even omgezet (is dat een germanisme?) naar het Nederlands.

Keulen, 11 oktober 1939

IMG_4069Lieve Helga, Engelchen,

Jouw ontroerende analyse van mijn laatste brief (je schrijft dat hij om te huilen is) is voor mij aanleiding om eens iets algemeens te zeggen over onze briefwisseling. Ook ik vond mijn laatste brief, nu ik hem weer eens doorlas, ontroerend slecht. Het simpele feit dat ik de opsteller was, en niet de ontvanger, maakte dat ik niet in de droevige stemming raakte, die jij zo overtuigend bij jezelf beschrijft. Ik denk dat ik een vergelijkbare denkfout maakte als de lieve God, toen die zijn schepping bekeek en dacht dat die goed was. Ach, wat moet de man trots zijn geweest (en ach, wat vergiste hij zich!). Net zo ben ik, stumper, tevreden geweest met een werkje dat me was gelukt. Jouw kritiek is daarvan het bewijs.

Dat gezegd hebbende wil ik even van de gelegenheid gebruik maken om ook jouw brieven eens grondig te bekritiseren. Ze zijn geweldig, lieve kind. Je laatste nog de beste van allen. Het is een kleine, maar door mij niet minder gewaardeerde, kunst goede brieven te schrijven. Bij jou heb ik daarin, sinds je vertrek uit Keulen, in toenemende mate een ontwikkeling mogen waarnemen. Zou ik daarop enige invloed hebben gehad, dan ben ik zeer vereerd. (…) Wat ben ik trots je vader te zijn, wat mag Helmut trots zijn om zich straks jouw man te noemen. Wat heeft de natuur, en wellicht ook de invloed van ons, je goedbedoelende ouders, een wezen geschapen dat zo trouw is, en zo inlevend. Het bemoedigt mijn oude hart dat je schrijft dat je het jezelf toewenst dat je mij op een dag zal kunnen helpen. En wat klinkt dat anders dan de (ik dacht: holle) frasen die je uitte bij je vertrek. Dit is wat we vast moeten houden in de wellicht barre tijden die voor ons liggen. We moeten de moed en de kracht opbrengen om vol te houden, wat er ook kome mag. Want ieder mens, ook jij, weet wat hem te doen staat. Ieder mens kan zijn lot wezenlijk beïnvloeden door de beslissingen die hij neemt, en met de daden die hij stelt.

Alsjeblieft, accepteer mijn hartelijke groet en idem kus,
Je liefhebbende Vati

 

In de Oorshop

‘Achter de caravan begonnen de weilanden’

Vorige week las je hier deel II van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. Vandaag deel III:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

wat een mooi, en ook ontroerend idee om je vader rust te geven in je bundel. En ja, ik wist dat je vader zelfmoord heeft gepleegd. Het is niet een onderwerp waar ik zelf over zou beginnen. Ik herinner me volgens mij ook een ander gedicht van je, over de blik van de hond, die het had gezien. Kan het even niet terugvinden.

Ik geloof zelf ook niet zo in berichten van dode mensen. Hoewel ik toen ik mijn opa zag sterven, oprecht meende een ziel te zien ontsnappen. Ik geloof wel dat poëzie een mooie plek is voor doden, of voor de dood. Zoals je bewijst.

Ik herinner me dat je me eens vertelde dat je vader een krantenbericht met jouw gedichten in zijn portemonnee bewaarde. Zoals ouders dat doen met een pasfoto. Ik vond het zelf wel een goede vondst van hem, om een gedicht van je kind als portret te bewaren.

Naar school fietsen was niet mijn favoriete bezigheid. Het was niet zo ver, samen met mijn zus langs weilanden en langs een visfabriek – een vreselijke combinatie van koeienvlaaien en visstank – en vooral erg vroeg. Mijn zus is een ochtendmens, ik totaal niet. Ik heb in een gedicht geschreven: ‘Ik open eerst mijn mond, dan mijn ogen, voordat ik wakker word’ . Dit gaat eigenlijk over mijn zus. Vaak kroop ik bij haar in bed, en dit zag ik letterlijk eens gebeuren: dat ze begon met praten, daarna haar ogen open deed, en toen pas wakker werd. Mijn vader en moeder zijn ook vrolijk ’s ochtends. Dit erfstuk is aan mij voorbij gegaan.

Toen ik in Zeeland kwam wonen met mijn moeder en zus, woonden we tijdelijk bij mijn opa en oma. Mijn opa heeft ook een groot, eigen huis gebouwd daar. Hij was accountant. In dat enorme huis mochten we niet wonen, we kregen een caravan helemaal achterin de prachtige en grote tuin. Ik vond dat toen doodnormaal. Achter de caravan begonnen de weilanden met schapen. Ik liep vaak langs het prikkeldraad, om plukken wol te verzamelen die waren blijven hangen. Ik denk dat ik van dat lege landschap houd omdat het zo goed is om in weg te dromen.

Ik kan me voorstellen dat je graag aan de keukentafel van jullie huis ontsnapte. En er was een bos dus, in de buurt, waar je van alles deed.

Waarom ging je daarheen, en wat deed je allemaal in dat bos?

Groet!

Annemieke

—————————————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik weet niet waarom maar op jonge leeftijd wist ik al wat ik wilde worden: bioloog, veldbioloog om precies te zijn. De enige vereniging waarvan ik ooit lid ben geweest is de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.

Om je vraag te beantwoorden:  ik heb me nooit afgevraagd wat ik in dat bos te zoeken had, dat bos was er.  Het was al op jonge leeftijd mijn huis. Ik had ook een onderkomen in het bos, een hut waarin ik als het slecht weer was kon schuilen. Dan moest het overigens wel echt noodweer zijn.

Toen ik jong was was er midden in het bos ook een kolonie van reigers. Als ik me even concentreer en terugreis naar m’n jeugd hoor ik weer het kabaal dat ze maakten. Naarmate de jaren vorderden kwamen er steeds minder terug. Volgens de jachtopziener kwam dat doordat ze in Frankrijk werden neergeschoten, ik herinner me nog goed wat hij zei: die Fransen vreten werkelijk alle vogels.

Ik was een soort onbezoldigde boswachter. Dat wilde ik trouwens ook wel worden, boswachter. Ik hield op mijn manier ook de wildstand bij. Noteerde in een boekje dat ik van mijn grootvader van vaders kant had gekregen zo nauwkeurig mogelijk hoeveel herten ik had gezien en waar. Ik kon uren aan de rand van een weiland in het bos zitten, wachtend op wild dat in de schemering tevoorschijn kwam.

In de tijd dat buizerds werden getroffen door een ziekte die hen vleugellam maakten heb ik zoveel mogelijk zieke vogels proberen te vangen en naar dierenartsen gebracht. Nu zou ik dat niet durven. Toen was ik niet bang.  Ook niet voor de dood, hoewel ik niet zo goed weet wat ik beweer als ik dat schrijf. Laat ik het zo zeggen: er dreef weleens een dood dier in de beek, een jong hert bij voorbeeld. Ik keek dan elke dag wel even hoe het vergaan er voor stond.

Vogelkenner Rob Bijlsma heeft dat trouwens eens nauwgezet opgeschreven toen er voor zijn huis in het bos een jonge ree was gestorven. Aan het sterven wordt te weinig aandacht besteed, zei hij tegen me.

Wat beweegt daar, heette dat boekje van mijn grootvader volgens mij. Er stonden ook sporen van dieren in. Sporenzoeken kon ik als de beste.

Ik denk trouwens dat het sporenzoeken in mijn geval als vanzelf dichten is geworden. Dat klinkt wellicht romantisch of gezocht maar het is een vrij eenvoudig verhaal dat ik pas goed snapte nadat ik van mijn vriend Pek van Andel met wie ik onlangs een boek over ongezochte vondsten heb gemaakt een studie cadeau kreeg van de ZuidAfrikaanse tracker Louis Liebenberg: the art of tracking, the origine of science. In dat meesterlijke boek betoogt Liebenberg dat de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Afrika veel eerder dan bij voorbeeld de Grieken wetenschappers waren. Ze kwamen door het lezen van afdrukken op het spoor van het onzichtbare.

Dichten is voor mij niets anders dan dat,

vrgr

Wim
—————-

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel IV.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Raoul DUFY (1877-1953)

Homme lisant, 1898 Huile sur toile marouflée sur carton. Signée en bas à gauche et datée. (Manques). 22,5 x 15,5 cm.

‘#lekkerweertje aan het strand in #normandie’

twittert deze jongen, is de eerste sensatie. Niet de meest voorkomende gedachte overigens bij alle 88-plussers die in het Larense Singer museum naar het schilderij stonden te kijken. Maar bij mij dan toch wel. Of stonden? Het ritmisch gebonk van luchtbanden  tegen je kuiten was niet van de lucht.

Gisteren keek ik de ‘zwartepieten documentaire’ Zwart als roet van Sunny Bergman. Een hele goede film die duidelijk maakt hoe het zit. Als je nog niet vond dat er wel wat te veranderen valt, dan vind je dat na deze film.  Op zeker moment vraagt ze aan een drietal grijze rijke witte mensen bij een VPRO avondje, of wat we daar zien de afspiegeling van de bevolking is. Ja, zeggen ze schaapachtig, een beetje trots ook wel: alle lagen van de bevolking zijn vertegenwoordigd.  De camera gaat even rond en je ziet nog 300 witte  mensen met een tweemaalmodaal inkomen.

Waarom zien mensen dat niet? Als je door een museum loopt is dat net zo. Het Singer is weliswaar extreem, maar het Stedelijk in Amsterdam of het Haags Gemeentemuseum is niet veel anders. Naar schilderijen kijken lijkt een bezigheid waar vooral mensen die wit zijn, die rijk zijn en die redelijk oud zijn zich mee onledig houden.

0af19e780d89fa8cafa4ea31b70807c2Daar hoeven ze zich niet voor te schamen. Maar het is wel zinnig de buitennissigheid van je eigen voorkeuren te doorgronden.

Raoul Dufy heeft iets heel prettigs voor de museumbezoeker, wat ik verder alleen bij Matisse zijn knipkunst wel eens had: je krijgt onmiddellijk zin om aan het werk te gaan. Dit kan jij immers ook. De lichte toon bevalt me, en vreemd genoeg: dat de man dessins maakte voor modehuizen. Zijn affiliatie met het geld in die tijd vind ik wel verfrissend. Het is luchtige, kleurrijke en vrolijke kunst. De dessins werden met name door Paul Poiret gebruikt, een modekoning uit de twenties, de man who liberated women, creating high-waisted tunics and shorter skirts.

 

E14802-raoul-dufy-1920-croquis-de-modes-n-3-gazette-du-bon-ton-hprints-comn zo loop je door het Singer langs cocktail jurken, behangetjes en havengezichten, portretten en stillevens. En je vraagt je af (ik roep de verdenking over mij af een gerontophoob te zijn… wat niet waar is, ik houd van oude mensen ‘en met name hun verhalen’:-)

Stel dat je geboren bent in een decennium waarin de mode dit voorschreef, waarom is daar dan zo weinig van overgebleven? Waarom heeft elke esthetiek zich bij vrijwel iedereen op zekere leeftijd volledig teruggetrokken? Dat kan niet uitsluitend praktische redenen hebben. Het is ook niet mogelijk dat je door alle modes die je daarna doorlopen hebt ver af bent komen te staan van je gevoel van schoonheid in je jeugd.  Nodig is dat niet, want een heel enkele keer zie je gewoon een 07978-raoul-dufy-1920-croquis-de-modes-n-6-fashion-coat-gazette-du-bon-ton-hprints-comtachtigjarige lopen met stijlgevoel. En dan weet je wat het straatbeeld mist in een vergrijzend land.

Waarschijnlijk zijn de modehuizen de schuldigen en hebben afnemende modebehoefte van oudere mensen en de noodzaak praktische kleren aan praktische mensen te verkopen elkaar versterkt tot het droevig beeld dat een regendag in een middelgrote stad thans oplevert. Ik zou willen pleiten voor catwalks met bejaarden, al of niet met rollatorondersteuning,  modeshows en hele couturiers-lijnen voor boven de 70.

Dan hebben de ouden van dagen bovendien iets anders te doen dan altijd maar rondhangen in de Nederlandse musea.

Tirade – On the catwalk

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Niemandsland

DSC_0868De brug leek aangelegd om meer te verbinden dan het kleine spookdorp en het oerbos dat erachter lag; meer te overspannen dan de kreek die onder haar natte planken sliep. Probeerde te slapen, moet ik zeggen, omdat in het ondiepe water een Chinees gezin aan het volleyballen was. De vader droeg een verschoten Speedo en leek de bal alleen maar af te weren om zijn sigaret droog te houden.

Terwijl Nadim en Birre voor me uit liepen besloot ik even stil te staan, de afstand toe te laten nemen. Ik ben met ketting noch breekbaar draad gebonden aan mijn vrouw en kind. Hoe groter de afstand hoe meer ik van ze houd: mijn band is elastiek.

Ik stapte een eindje terug – het elastiek rekte hoorbaar – en probeerde me voor te stellen hoe deze plek eruit zou zien zonder de brug: niet meer dan een kreek met een ongenaakbaar en donker stuk woud erachter.

Toen Birre terugkwam van de overkant vertelde ze dat daar alleen een nauw bospad te vinden was, het soort konijnenweggetje dat jagers volgen.

Een jager, dacht ik, kon toch makkelijk door zo’n kreekje waden?

Kennelijk was het de bouwer meer om de brug zelf te doen geweest dan om wat het ding verbinden moest. Zou iemand (die net zo van bruggen hield als ik) aangevoeld hebben dat zijn bouwsel deze plek helemaal af zou maken? Dat ik bij het zien ervan meteen een boek zou willen schrijven en bij publicatie bovenstaande foto op het omslag zou eisen?

Ik stelde me de kreek nog eens zonder brug voor. Ja, zo moest het haast gegaan zijn.

Vanuit het spookdorp kwam een man aangesloft. Hij was in de zestig, had een bruine huid en een dichte bos bijna wit kroeshaar, waarop hij met geweld een te kleine rode kapiteinspet geschroefd had. Van een afstandje had je hem voor een overlopende colafles kunnen aanzien.

‘Weet u hoe dit zit?’ vroeg Birre hem. ‘Waar die brug heen gaat?’

Birre is nieuwsgierig. Dingen die ik me alleen maar afvraag zoekt zij tot op de bodem uit. Soms ook de dingen die ik me graag was blijven afvragen.

De man zette een plastic beker met appelsap of whisky aan zijn lippen en nam een slok; veegde zijn mond af aan de schouder van zijn ooit witte T-shirt.

Opeens wist ik het. Ik wist wat hij ging zeggen en wilde weglopen, maar het was al te laat. Voor de zoveelste keer zou die verdomde werkelijkheid een in potentie prachtig stuk fictie verpesten.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Boeddha in bruidsjurk

In zijn voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Mohammed Mrabets Liefde met een lok haar wijst berberbibliotheek-bezorger Asis Aynan op Mrabet’s novelle The Beach Café/Het strandcafé (1980)*.

The Beach Café is een charmant verhaal over het vergaren van mensenkennis. Protagonist en verteller Driss Tafersiti – een ontspannen vrije jongen die zijn geld verdient door een beetje te vissen en wat te handelen – ontdekt een strandcafé en vat sympathie fascinatie op voor de eigenaar ervan, Fuad. Driss schildert het portret van profiteur en kwaadspreker Fuad door gesprekken mét en óver hem. Het strandcafé laat zien dat praten – verhalen uitwisselen – de beste manier is om anderen te leren kennen*.

De serie De Voorstraat, die al vier zondagavonden loopt, heeft eenzelfde uitgangspunt. We zien iedere aflevering een handvol mensen thuis, op hun werk of met vrienden. Maar we leren hen pas echt kennen door wat ze de regisseur – al dan niet in voice-over – vertéllen. Voor een strandcafé ligt De Voorstraat iets te ver van zee, wel is in iedere aflevering minstens één scène gesitueerd in hipstercafé The Village.

Het is een tikje vervreemdend om een straat die je zo goed kent op TV te zien. Het verdiept je kennis van de straat – en van de stad Utrecht – maar vervreemdt je er ook enigszins van. Vastleggen is per definitie fictionaliseren. In de tweede aflevering van De Voorstraat drinkt dansleraar John koffie met een vriend. In The Village. John draagt een oranje trainingsjasje, zijn gesprekspartner een witte trui. Tegen de muur, tussen hen in, staat een lamp in de vorm van een witte uil. De vogel heeft oranje ogen. Is hier een styliste aan te pas gekomen? Heeft de regie de twee mannen opgedragen waar ze moesten gaan zitten? Of is het allemaal een kwestie van eindeloos draaien en daarna het beste materiaal uitkiezen?

281B35071De mooiste levensverhalen komen van Voorstraters die in een ander land zijn geboren. Zoals John, die uit Oeganda komt. En zoals ‘illegaal’ Miecel, uit Libië, die via Italië naar Frankrijk reisde en daar begreep dat Nederland ‘een land vol vrijheid en liefde’ is. Praten – verhalen vertellen – blijkt opnieuw een doeltreffende manier te zijn waarop het ene bewustzijn zich verstaanbaar kan maken aan het andere.

Ouder worden, levenservaring* opdoen, impliceert, geloof ik, vaak dat je leert inzien hoe hard, gemeen, slecht, opportunistisch mensen kunnen zijn. De betere boeken en films tonen óók het tegendeel. Een grappig voorbeeld daarvan uit Het strandcafé. Als Driss’ vriendin Betsoul ongesteld is, moedigt ze hem aan  met haar beste vriendin naar bed te gaan. De pornografische troop wordt geestig opgeschud als het meisje, Zineb, ’s nachts bij hem in bed komt en Driss haar wegstuurt: ‘Dit kan niet. Dit is te gek.’

Een vergelijkbare wending in De Voorstraat. Anke, de eigenaresse van een modeboetiek/atelier, wijst een vrouwelijke klant op haar echtscheidingsjurken, dat zijn jurken waarin een vrouw het feest van haar scheiding kan vieren. De term echtscheidingsjurk is grappig en cynisch – maar ook een beetje treurig en zuur. Wie Anke na de scène heeft geclassificeerd als ‘bitter’ of ‘ontgoocheld’, moet zijn of haar oordeel snel herzien. Want even later, in de rust van haar atelier, vertelt Anke dat ze in haar werkende leven al meer dan honderd trouwjurken heeft ontworpen en genaaid. Wat ze haar klanten nooit heeft verteld, maar nu wel tegen de camera zegt: in de zoom van iedere jurk heeft ze altijd een minuscule Boeddha genaaid. Een klein bruidsgeschenk. Of liever: Anke’s stille manier om geluk over nieuwe liefdesverbintenissen uit te spreken.

Noten

Opmaak 1*Het strandcafé & De Stem, Uitgeverij Pranger (1982). Vertaling: Henjo Hekman.

* In de woorden van Asis Aynan: ‘Met Het strandcafé leek het alsof ik de gesproken verhalencultuur in handen had.’

*Over Zineb, de beste vriendin van zijn geliefde, zegt Driss: ‘Ze was nog heel jong en begreep nog niet hoe mensen in elkaar zaten.’

Tirade – jouw gidslicht in donkere dagen.

Soundtrack: Moulay Ahmed Loukili.

Volgende week: Wendell Jaspers als Medea, een vrolijk kerstfeest met Hafid Bouazza. En meer.

 

Het IJkwezen

De man tegenover mij verbergt zijn gezicht in zijn handen. Het gebaar hoort niet bij hem, het is te groot, te dramatisch, het past niet bij zijn lange grijze jas, niet bij zijn aktetas. Hij ziet er zo saai uit dat hij wel in het ijkwezen zou kunnen zitten, denk ik. Ik heb geen flauw idee hoe mensen in het ijkwezen eruitzien, maar als kind had ik een boekje waarin een heel saai personage voorkwam, dat in het ijkwezen werkte.[1] In het boekje verzon de schrijfwinkel een verhaal voor hem, waarin hij een draak versloeg om zijn teckel Hector te redden. Het was zinloos, zei de man, wat verlegen, zijn vrouw zou het nooit geloven.

De mensen in het ijkwezen zijn de controleurs van onze werkelijkheid.

Het ijkwezen meet of onze meetinstrumenten wel kloppen; of een kilo echt een kilo is, een liter echt een liter. De enige echte kilo – le grand K, het prototype sinds 1889 – is een cilinder in de kelder van een 17e-eeuws gebouw in Parijs. Le grand K ligt onder drie glazen stolpen en de kluis kan alleen worden geopend in aanwezigheid van alle drie de sleutelhouders. Ondanks al die omzichtigheid is dat stukje metaal niet stabiel, blijkt uit vergelijkingen tussen le grand K en de kopieën die ervan zijn gemaakt. In vergelijking met die kopieën heeft de kilogram vijftig microgram aan massa verloren – een korrel zand. Elke maat gebaseerd op een menselijk artefact is kwetsbaar; de arme yardstick werd ooit verwoest door brand, maar ook de kleine, schijnbaar onbelangrijke verandering van le grand K baart het ijkwezen zorgen. Het zal niet lang meer duren voordat de cilinder, zoals dat bij andere maten gebeurd is, vervangen wordt door een geschreven formule die elk laboratorium kan volgen.

Ergens is dat jammer.

Het heeft iets aantrekkelijks, te weten dat er een cilinder bestaat, onder drie stolpen in een kluis in een kelder, die alleen met drie sleutels geopend kan worden. Dat er een tastbaar ding is dat je zou kunnen vasthouden – ware het niet dat zulk een onvoorzichtige behandeling de kilo zou besmetten en daarmee de massa van alle zaken ter wereld beïnvloeden. Te weten dat er een punt is om naar toe te gaan, om jezelf te kunnen ijken.

cheeverVerhalen bieden zo’n ijkpunt, een plek waar we onze eigen ervaringen kunnen toetsen aan dat van een fictief personage. In verhalen komen we soms dichter bij de soms pijnlijke werkelijkheid dan in onze alledaagse gesprekken, waarin alles altijd goed gaat en iedereen wel min of meer hetzelfde lijkt. Cheever ontving een dankbare brief van een lezer, wiens eenzaamheid verlicht was door het personage dat droomde over seks met een paard. Zandkorrel voor zandkorrel veranderen verhalen onze ideeën over wat is en wat wat kan zijn. Tegelijkertijd staan we die verhalen – binnen en buiten de literatuur – slechts zelden toe om de complexiteit van de werkelijkheid echt te benaderen. Wordt een persoon of personage al te onvoorspelbaar, dan noemen we dat ongeloofwaardig. Zo gedraagt een moeder/puber/meisje zich toch niet, zeggen we dan, of: dat gebaar is veel te dramatisch voor zo’n saaie man.

Zo zijn wij, allemaal, ijkwezens.

Noot

[1] * Het boekje van Guus Kuijer heet Tin Toeval en de kunst van Madelief, en is het lezen waard voor elke schrijver, al was het maar om de ongeëvenaarde techniek van titels kiezen die Madelief ons aanbeveelt.

————————————–

Wytske Versteeg herfstWytske Versteeg (1983) publiceerde de romans Boy (2013) en De wezenlozen (2012) en het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008). Ze won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. In Tirade 455 vind je een kortverhaal van Wytske Versteeg, Overgave. Ze werkt aan een proefschrift en aan haar derde roman.

Volgende week: de tweede Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Ida Blom"
    Ida Blom

    Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.

  • "Foto van Lia Tilon"
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • "Foto van Julia Buijs"
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.