Onder de huid

Ik zit haast elke dag in de trein naar mijn werk. Vroeger deed ik dat lekker anoniem, maar sinds een paar maanden check ik in en uit met mijn chip. Soms komen conducteurs langslopen om te kijken of iedereen netjes ingecheckt is. Dan vraag ik me af of dat afleidingsmanoeuvres zijn. Weten ze niet allang welke chips er aanwezig zijn in de trein? En als de NS het niet weet, zijn er dan geen andere instanties dat weten? Hebben de AIVD of NSA bijvoorbeeld al scanapparaten in de plafonds van de Europese intercitytreinen geplaatst die registreren waar iedereen uithangt? Of is zoiets waarneembaar vanuit een satellietje ergens in de dampkring?

De NS zegt mijn reisgegevens voor niets anders dan de verbetering van de reiservaring en de dienstverlening te zullen gebruiken. Maar als we met dienstverlening gaan schermen dan is er nog veel verbetering mogelijk als je het mij vraagt. Want elke dag moet ik mijn chipkaart 1. meezeulen 2. uit mijn portemonnee pakken 3. langs het scanapparaat halen (vòòrdat ik in de trein stap). Dus, lieve NS, is het misschien nog klantvriendelijker om een onderhuidse OV-chip te ontwikkelen? Waarschijnlijk is het ingreep van niets om een microchip te bevestigen, mijn voorstel zou zijn aan de onderste nekwervel: C7. Die C7 laat zich niet makkelijk stelen of transplanteren. Hij slijt wel met de jaren, maar daarmee komt hij (als we langzaam zakken in die onvermijdelijke bochel) alleen maar verder naar achteren te staan, waardoor hij voor de scanapparaten beter in zicht komt. (C7-alert: uw chip is de afgelopen maanden 10 graden gezakt, misschien is het tijd voor wat yoga? Een bezoekje aan de huisarts?).

In het begin zul je wat gesputter horen, NS. Bits of Freedom zal wel weer op de achterbenen staan en er zullen in de krant vergelijkingen met 1984 (hoe lang geleden is dat!) worden gemaakt. Maar wacht rustig af tot ze de voordelen merken. Bij onze huisdieren vinden we het de gewoonste zaak van de wereld: een chip in de nek. Terwijl het ook voor oma handig is dat een agent haar kan scannen als ze verward over straat doolt.kat-aflezen

De mensen zullen er later nog schande van spreken dat we in de 20ste en begin 21ste eeuw, ondanks alle technologische vooruitgang, zo achterlijk waren om identiteitsbewijzen en bankpassen buiten ons lichaam te dragen.
-Het was nog mogelijk om misdrijven te plegen. Identiteitsfraude en diefstal lagen altijd op de loer, zullen de geschiedenisleraren van de toekomst zeggen.
Dan schudden de leerlingen geschrokken hun hoofd. Dat soort gegevens is tegen die tijd namelijk veilig in onze nekwervel opgeborgen. Vooral nadat op een gegeven moment RNA-strengen zijn ontwikkeld die de chip al embryonaal konden ontwikkelen. Hoef je alleen nog de identiteit van je ongeboren vrucht te uploaden bij het (digitale) loket. Paspoort, bankrekening, BSN. Alles integraal in de C7. En mettertijd wordt langzaam alles geregistreerd. Basisschool behaald, zwemdiploma, middelbare school, rijbewijs. Dit alles gaat gepaard met nieuwe autorisaties in het leven, toegang tot openbare zwemplaatsen, toegang tot de banenmarkt, autowegen (alles met bijbehorende op de klant toegespitste reclame). Ook worden steeds meer simpele medische voorzieningen op de chip geïnstalleerd, die metingen doen aan onze suiker- en bloedwaarden, die onze hormoonhuishouding in de gaten houdt (C7-alert: U ovuleert). De microfoon die in de C7-chip is geïntegreerd (en die niet zal worden gebruikt om de gebruiker af te luisteren) registreert of we geen hartritmestoornissen krijgen. Facebook ontwikkelde (in samenwerking met Google-hoornvlies -de opvolger van de Google-bril) een C7 augmented reality streaming service waardoor je iedereens vrienden (en -gezamenlijke- vijanden) in een virtuele aureool om hem heen ziet (C7-alert: pas op! Er nadert iemand met veel -of belangrijke- vijanden). Bereik je een bepaalde leeftijd (hier was even discussie over, maar hij is toch vastgesteld op 18) dan kun je een alert krijgen als je iemand passeert die 1. binnen je league valt (op basis van oordelen van honderd voorbijgangers) en die 2. wat betreft klikgedrag en 3. wat betreft genetische achtergrond een potentiële levenspartner zou kunnen zijn. Ook is de chip goed bruikbaar om in een volgende levensfase de echtelijke trouw te toetsen. Sowieso is je huwelijk natuurlijk geregistreerd op je chip. En vervolgens kun je middels een app bijhouden waar je partner uithangt. (C7-alert: uw partner is langer dan een paar seconden op minder dan 20 cm afstand is van een andere chip.)
-Nee echt lieverd, dat was iemand die de hele tijd tegen mij opbotste in de Albert Heijn.
-Een uur lang? En hoezo was je op de Baarsjesweg?

Een laatste grote voordeel is dat we ons leven kunnen uitprinten als we sterven (of iemand daartoe kunnen autoriseren).
-Jongens, heeft iemand een uitdraai gemaakt van opa?
Misschien dat de Hema een app kan ontwikkelen, die opa’s harde schijf kan omzetten in een biografie. Het geheel opgeleukt met wat screenshots van zijn googlehoornvliezen (Wat keek opa vaak naar billen!)(Spacend hoor, de tijd dat hij Alzheimer had). Print on demand. Als er tegen die tijd nog iemand een boek leest.

In de Oorshop

Meer markt, maar krijgen goede bedrijven alle aanpak

Het hoogstfrequente zelfstandig naamwoord in de Troonrede is Regering.

Zolang ik me herinner lees ik troonredes. En zolang ik met de teksten iets dergelijks doen kan, pakweg sinds 1994, tel ik de woordfrequenties. In 1998 studeerde ik af op een gedichtenreeks van Martinus Nijhoff. Het leek me toen dienstig om eens te zien in welke gedichten welke woorden uit die reeks nog meer voorkomen. Dus scande ik het verzameld dichtwerk van Nijhoff. Dat is een klus, en tekstherkenning is nu veel makkelijker dan toen. Het is een mooie vorm van tekstonderzoek: in welke omgeving bevindt zich een woord nog meer? Want dit voegt iets toe aan de betekenis van een woord. Later ben ik met poëzie van Pessoa een net iets ander experiment gaan doen: neem een gedicht van Pessoa uit de tweetalige editie van August Willemsen. Zoek het eerste zelfstandig naamwoord,tik dat Portugese woord in ‘Google afbeeldingen’ in en pak het eerste plaatje. Pak dan de Nederlandse vertaling van dat woord en doe er het zelfde mee. Zet de plaatjes naast elkaar. Doe dit met alle zelfstandig naamwoorden. De twee rijen plaatjes vertellen heel veel. Over Nederland, over Portugal, over vertalen.

De Troonrede is nooit poëzie geweest, het is wel een boeiende tekst omdat niemand zich eraan stoten mag, een zalvender tekst vind je nergens. 2136 woorden die je nauwelijks raken. De frequentie, daarvoor heb je programmaatjes, is dit jaar anders dan anders lijkt het: een andere tekstschrijver wellicht?
De functiewoorden voeren de ranglijst altijd aan

152 keer het woordje  ‘de’, 108 en, 88 van, 67 in, 59 het, 54 een, 42 voor, 33 met, 29 is, 24 op, 23 te, 22 die.

De lijst met woorden die maar 1 keer voorkomen is langer dan de vorige keer. En de semantische kwaliteit, of de duidende potentie,  van die woorden is ook iets hoger naar mijn smaak: Dat ‘we’ maar 1 keer voorkomt dat was onder Beatrix niet voorgevallen. Dat Afrika maar 1 keer voorkomt zou Claus betreurd hebben. Dat Caraïbische er altijd een keer in moet is obligaat, maar ruimhartig bedeeld zijn ze daarmee niet.

Het tweede hoogstfrequente woord is'mensen' deze plaatjes levert google als eerste resultaat.
Het tweede hoogstfrequente woord is’mensen’ deze plaatjes levert google als eerste resultaat.

Het rijtje 9 tot en met 4 keer voorkomend is ook aardig: hoogfrequent maar niet frequent genoeg om het percentage functiewoorden hoog te maken. Zij vormen dus datgene waarover ons land nu gaat:

9 veel
9 jaar
9 blijft
8 worden
8 deze
7 werk
7 wereld
7 nieuwe
7 nederland
6 samenleving
6 onze
6 of

voor de opmaak van het blog hak ik maar een stuk van het lijstje af. De hele lijst zien?  Plak dit in dit.
4 nodig
4 naar
4 moet
4 miljard
4 meer
4 markt
4 maar
4 krijgen
4 goede
4 bedrijven
4 alle
4 aanpak
En dan wordt de lego-er in mij wakker, vallen van deze lijst geen zinnen te bouwen? Meer markt, maar krijgen goede bedrijven alle aanpak? Onze of niet gericht Europese economische economie?

Of misschien lees ik de lijst nog het liefst gewoon achter elkaar door: de woorden zijn opgeschoond van hun zalvende bedoeling, en we zien gewoon waar het om gaat. Zoals je ook wel eens de ingrediënten van een mooie maaltijd in de keuken staand opeet om je het koken te besparen en iets puurs te proeven. Functiewoorden weg, laagfrequente opschmuck weg, door mij met een enkel uitroepteken dramatisch aangezet:

 

Leden van de staten generaal!

Veel jaar blijft worden deze werk wereld nieuwe nederland samenleving! Onze of niet gericht europese economische economie beschikbaar; als zorg werken onder nederlandse kan jaren internationale hun heeft groei extra euro! Daarom daar bij baan andere alles zo zal werkgelegenheid voorzieningen uit over nodig, naar moet miljard meer markt maar krijgen goede bedrijven alle aanpak?

Zo waarlijk, helpe mij god almachtig.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

High Johnny Five

Sinds een jaar loop ik hard. Ik vind het verschrikkelijk, maar houd het vol met dezelfde doorbijterigheid als waarmee ik studies afmaakte, aikidoexamens haalde en andere dingen onder de knie kreeg die erg moeilijk zijn en waaraan weinig plezier te beleven is, zoals gitaararpeggio’s en het kopen van kleren in drukke winkels.

Tot heel recent had ik een smartphone, waardoor ik tijdens het rennen naar Hip Hop kon luisteren, maar met het oog op ons vertrek naar Suriname ben ik overgestapt naar een eenvoudiger abonnement. Hardlopen is nu nog saaier geworden: ingedroogd van verveling ratelen mijn hersenen rond in hun schedelpan, op zoek naar om het even welke afleiding. Input. Input. Need input, Number Johnny Five. images

Gelukkig is sporten in het Westerpark ingewikkeld. Er zijn lange rechte paden waarop je steeds plaats moet maken voor tegemoetkomende renners. Soms groet je elkaar, soms niet. Dat gaat – althans voor mij – niet op organische wijze.

Zo gauw ik de ander aan zie komen begint de stress: is het een wegkijker of een groeter? En als het een groeter is: wisselen we een blik, een knikje of een knipoog?

Dat zijn alleen nog maar de mannen, bij vrouwen wordt het pas echt complex, want voor je het weet beperk je iemand keihard in haar vrijheid. Nu geloof ik niet dat een oprechte, naturelle groet ooit angst kan inboezemen, maar hoe naturel kom je nog over als je al 200 meter hebt getwijfeld tussen een hoge of een lage zwaai?

Ik kan slecht tegen ongemakkelijke situaties, of awkward gedoe, zoals het tegenwoordig in het Nederlands heet. Nu kan niemand daar tegen, want anders was het geen begrip. Mijn probleem is echter dat ik er fucking dwars van word. Opstandig, zelfs.

Deze week ben ik een sociaal experiment begonnen. Ik besloot een doorbraak te forceren in mijn ongemak bij het al dan niet groeten van vreemde renners door ze te high-fiven. Ik maakte het mezelf – om er een beetje in te komen – makkelijker door dit nog niet bij vrouwen te doen.

Het werkt als volgt: zo gauw je de ander aan ziet komen trek je een vrolijk gezicht. Mocht hij je kant op kijken, dan communiceer je dat hier iemand aankomt die lekker aan het rennen is en van niemand iets verlangt behalve dat zij ook lekker aan het rennen zijn. Je stelt de ander gerust, met andere woorden, opdat hij aan de positieve kant van het neutrale spectrum gestemd zal zijn en je zeker niet als een bedreiging ziet.

Stap twee is het moment waarop het aankijken van de ander door de ontstane nabijheid niet anders gezien kan worden dan als een poging tot het maken van contact. Voor de tegenligger is nu onmiskenbaar dat hier iemand lekker aan het rennen is, die zijn gevoel ook graag wil delen.

Stap drie (op circa twintig meter afstand) is dat ik mijn hand ophoud. Niet een laf halfhoog groetje, maar met de arm boven schouderhoogte (elleboog uiteraard gebogen om misverstanden te voorkomen) en de hand ontspannen maar duidelijk geopend.

Stap vier – we zijn nu vijf meter van elkaar verwijderd – is het nadrukkelijk strekken van de vingers en arm in een aantal korte enthousiasmerende rukjes, opdat de ander aanvoelt dat hier iets te gebeuren staat wat uit puur plezier geboren is en wat hij niet met goed fatsoen negeren kan.

Het feitelijke sociale experiment begint (stap 5) bij hoe het voelt als de ander je opgehouden hand voorbij laat gaan alsof het een verblazen herfstblad is en doet alsof er opeens iets heel erg mis is met zijn Iphone.

Afwijzing (en daar gaat dit stuk over) is een bizar sterke negatieve impuls. Check bijvoorbeeld Shakespeare’s Romeo and Juliet Act 3, Scene 3:

“ROMEO:

Ha, banishment! Be merciful, say ‘death,’

For exile hath more terror in his look,

Much more than death. Do not say ‘banishment.'”

Het is een zeer pijnlijke gewaarwording om een rondje te rennen en in tien pogingen slechts 1 keer handcontact te maken. Zo moet het voelen als alleen een nieuwe collega op je verjaardag verschijnt terwijl je huis vol taarten staat. En dan nog iets: die ene keer dat een tegemoetkomende renner (blond, baardje, heel dure schoenen) mijn gebaar beantwoordde, gaf hij zo’n vreselijk harde high-five dat het met de beste wil ter wereld niet als een vriendelijke groet kon worden opgevat.

Waarom ik het toch blijf doen? Misschien geloof ik in het immuniseren van het zelf tegen afwijzing; hoop ik dat een heleboel kleine afwijzingen me zullen harden tegen de alomtegenwoordige awkwardness van het bestaan. De rest van het jaar zullen mijn blogs uit Paramaribo komen. Es kijken hoe ze daar omgaan met vreemden die hun hand opsteken.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

‘This is the real world, Annabel.’*

Utrecht, 15 september 2014

Geachte Consumentenman,

Enige tijd geleden boekten mijn vrouw en ik via de wijd en zijd als bonafide bekendstaande reisorganisatie Happy Holiday Travels een drieweeks verblijf in een luxueuze vakantievilla aan de Zeeuwse kust. Wie, echter, schetst onze verbazing toen wij, na kilometers over steeds slechtere wegen te hebben afgelegd – met vier misselijke kinderen op de achterbank (waarvan er twee in huilen waren uitgebarsten en er één herhaaldelijk, uit onvrede met het gebrekkige rijcomfort, uit de rijdende auto probeerde te springen) – aankwamen bij een

‘Hahaha, mooie opening! Krijgen we nou dat LINDA interview?’

‘Nee, nee… ik was te snel, we hebben nog niet alle vragen binnen. Komt volgende week.’

‘Oké… maar je gaat ’r toch niet weer een oud stukje in pleuren? Net als vorige week?’

‘Welk stukje?’

‘Kom op, man… dat Krijt stond in 2011 al op die rare blog van je, hoe heet ie tegenw- ’

‘Ja, nou ja… destijds leek ’t een beetje een profetisch stukje en vorige week voelde ik opeens de behoefte om die blogpost weer eens te toetsen aan de actualiteit.’

‘…’

‘Wat kijk je nou? Ik mag mijn eigen materiaal toch wel recyclen? Het zou godverdomme pas raar zijn als iemand ánders mijn teksten, ideeën en fucked up leven zou gaan gebruiken of hergebruiken.’

‘O, nou, dat ben ik totaal niet met je eens. Bronvermelding, copyright, privacy… dat is allemaal ontzettend passé, hoor. Ethiek is een niche voor kwezels.  God is dood. Dus alles mag. Zolang je d’r maar mee wegkomt.’

‘O. Echt? Dat wist ik niet. Jeetje. Sorry. Nou. Dan heb ik niks gezegd!’

‘Bijscholing op de maandagochtend.’

‘Hartstikke bedankt!’

‘…’

‘Jammer dat je vorige week niet op de borrel was, trouwens… ’t Was echt te gek… alleen toen ik na m’n speech vanaf de bar in ’t publiek sprong – in de veronderstelling dat mijn populariteit garant stond voor een zachte landing – stapten al die hufters vlug opzij… dus ik ging vol op m’n plaat daar op die fijne planken vloer van De Klepel… Heb m’n knie nog gestoten aan de schouder van La Samson ook… Maar iedereen moest keihard lachen, omdat ze dachten dat ’t een act was.’

‘…’

‘Zo, nou doe ik nog ff snel de nieuwe Corbijn en dan ga ik een uurtje naar de zonnebank zodat ik zaterdag niet te bleek afsteek bij al die dichters in Vredenburg.’

Film: A Most Wanted Man (2014).

Regie: Anton Corbijn.

Verhaal: daar kan ik eigenlijk nooit echt een touw aan vastknopen bij dit soort thrillers. Maar de omschrijving van de IMDB doet wel een belletje rinkelen (‘Is het de kerstman? Is het de ijscoboer? Nee het is de IMDB!’) : A Chechen Muslim illegally immigrates to Hamburg, where he gets caught in the international war on terror.

Een figuur van de Duitse Geheime Dienst, Günther Bachmann, gespeeld door Philip Seymour Hoffman, klaagt tegenover een vrouwelijke collega van de CIA over ‘all the mess we leave behind’ bij het uitoefenen van hun taak om van deze wereld ‘a safer place’ te maken. De parallel met cinema is moeilijk te negeren.  The mess we leave behind: alle maatschappelijke ruis die dit soort mainstream shit aanricht.

Eindoordeel: Anton Corbijn bewijst – z’n pretentieuze lulpraatjes over ‘het herfstpalet’ dat zijn visuele keuzes zou hebben gestuurd ten spijt – dat er van sommige films niet dertien, maar wel veertien in een dozijn gaan. Op zich een hele prestatie. Twee tegen een stuk plastic geworpen papieren vliegtuigjes (2/5). Wezenloze meuk. Tijdverspilling.

Radicalisering, marteltrauma’s en terreurbestrijding als entertainment: flikker toch op.

P.S. Nog even iets praktisch/persoonlijks. Vorige week, op de Tirade-borrel, kwamen er steeds mensen naar me toe om me te complimenteren met m’n blogstukjes… Hartstikke aardig en sympathiek en goed bedoeld, natuurlijk, maar doe dat voortaan als-je-blieft niet meer waar m’n vriendin bij is… Ik wist me er nu steeds redelijk uit te lullen, maar zij weet dus niet dat ik voor Tirade blog en aangezien mijn vriendin Extreem Jaloers is wil ik dat gráág zo houden… Thuis praten we alleen over ditjes en datjes en als ze erachter komt dat ik allerlei persoonlijke details uit mijn leven en gedachteleven hier gewoon op de blog knal, dan zijn de rapen godverdomme goed gaar hoor! Houden jullie er in de toekomst allemaal een beetje rekening mee? Alvast bedankt!

Volgende week: De Nacht van de Poëzie, Zeik (Herman Brusselmans), de LINDA Questionnaire. En méér.

*Titel van deze blogpost. Een uitspraak die Philip Seymour Hoffman/Günther doet tegen een naïeve pro deo/maatschappelijk betrokken advocate die door de veiligheidsdienst is ontvoerd en gevangengezet, omdat ze iets te dikke vrienden met een staatsgevaarlijk persoontje is en zich nog niet realiseert dat de geheime dienst buiten de wet opereert.  [Kiekje: M.K.]

Writers Unlimited/Winternachten en Tirade prolongeren samenwerking

Voorplat tirade 452Het is beklonken! Net als vorig jaar gaan Writers Unlimited/Winternachten en Tirade een internationaal georiënteerde festivalspecial maken. Dat nummer, Tirade 457, verschijnt in januari 2015. In november verschijnt natuurlijk eerst Tirade 456 nog.

De 20e editie van Writers Unlimited/Winternachten vindt plaats van donderdag 15 tot en met zondag 18 januari 2015 in Theater aan het Spui en Filmhuis Den Haag (te Den Haag).

De volgende auteurs/artiesten hebben hun komst naar de 20e editie van het festival al bevestigd: Nii Ayikwei Parkes, Reggie Baay, Abdelkader Benali, Cristina Branco, Wim Brands, Remco Campert, Jennifer Clement, Leela Corman, Saskia De Coster, Adriaan van Dis, Elsbeth Etty, Hanneke van Eijken, Maxim Februari, Mira Feticu, Louise Fresco, Maarten van der Graaff, David Grossman, Stefan Hertmans, Arthur Japin, Ineke van Kessel, Martijn Knol, Michel Krielaars, Maaza Mengiste, Roos van Rijswijk, Maarten Ornstein, Paul Scheffer, Vamba Sherif, Sheila Sitalsing, Mustafa Stitou, Witold Szablowski, Bo Tarenskeen, Typhoon en Niña Weijers.

We gaan je op deze blog natuurlijk op de hoogte houden van ontwikkelingen rondom WU/W & Tirade 2015. Maar er is nu al meer informatie te vinden op de website van het festival.

Meer over de festivalspecial van afgelopen jaar: Tirade 452.

Tirade 457 zal tijdens WU/W worden gepresenteerd.

Tirade – Unlimited.

De uitnodiging

In de Volkskrant stond dat ik een ‘toegewijde fan’ ben van Lydia Davis. Vreemd, aangezien ik nog nooit een boek van Davis heb gelezen.

Vermoedelijk had de schrijfster van het Volkskrant-stuk een aanmeldingslijst gekregen van een bijeenkomst rondom Davis’ werk – waar ik, op uitnodiging, inderdaad bij was. Mijn aanwezigheid werd blijkbaar interessant genoeg geacht voor in het stuk, een redacteur lichtte mijn naam er vervolgens uit in de inleiding, en prompt, het stond zwart op wit in de eerste zin, was ik een ‘toegewijde fan’.

Het blijft verbazingwekkend hoe makkelijk dergelijke misverstanden ontstaan, hoezeer napraten in sommige kringen een onderdeel van journalistiek is geworden. Zelf heb ik gemerkt dat ik, na jaren door niemand als talent te zijn genoemd, sinds vorige zomer plotseling opdook op lijstjes met beloftevolle auteurs. Alsof het ene lijstje diende als rechtvaardiging voor het andere. En plots werd ik regelmatig uitgenodigd ergens te komen voorlezen of vragen te beantwoorden.

Zo belandde ik onlangs in een Nederlandse stad waar ik zelden was geweest, voor een openbaar vraaggesprek. De interviewster haalde me van het station. Terwijl ze mijn hand fanatiek heen en weer schudde, vroeg ik me kort af waarom ze uitgerekend mij had uitgenodigd.

Die vraag gaat wel vaker door mijn hoofd, maar nu met een reden. Omdat ik de interviewster niet kende, had ik haar ’s ochtends achter mijn computer alvast opgezocht.

Via Google kwam ik op een profiel van haar terecht bij een openbare boekensite.

Ik zag dat ze recent een boek van Dickens had bestemd, vier sterren, Proust ook, Nabokov, allerlei namen schoten langs.

Toen zag ik wat ze van mijn werk vond. Mijn vorige boek, twee sterren. Mijn debuut, één ster – het laagste oordeel op haar hele profiel.

‘Ik heb je verhalenbundel nog niet gelezen,’ zei ze nu, enkele uren later, lopend uit het station. ‘Maar je twee romans wel.’

Natuurlijk had ik kunnen zeggen: dat weet ik. Ik had terloops kunnen vragen: waarom nodig je me dan in hemelsnaam uit? Of, bescheidener: wat vond je ervan? Maar dat durfde ik niet, en misschien was het ook nogal kinderachtig: gebeurde dit niet vaker bij optredens, was ik wellicht gewoon door een organisator uitgenodigd die niet met de interviewster had overlegd?

Zij aan zij liepen we naar het café waar het interview gehouden zou worden. Een stuk of vijftien, twintig jongeren zaten rondom een houten tafel. Zwijgend keken ze toe hoe ik plaatsnam. De interviewster zei haastig: ‘Goed, laten we maar meteen beginnen.’

Ruim een uur stelde ze me vragen. Eerst algemeen, over schrijven, over debuteren, over het vinden van een uitgeverij. Toen ging het specifieker over mijn boeken. Hoe langer ze daarover sprak, hoe meer ik in een defensieve houding schoot. Achter elke vraag meende ik een kritische kanttekening te horen. Over mijn debuut vroeg ze hoe ik bij een bepaalde scène kwam. Over mijn tweede roman zei ze dat ze de momenten op school zo levensecht vond aanvoelen – en ik dacht alleen maar: vond ze de andere scènes dan zo zwak? Steeds wilde ik in mijn reacties subtiel laten blijken dat ik wist van haar online oordelen, maar de juiste manier diende zich niet aan, en nee, het was ook te kleinzerig, waarom trok ik me hier iets van aan?

Mijn antwoorden werden korter. Op het gezicht van het meisje zag ik paniek opkomen. Na een tijdje noemde ze uit het niets de personages uit mijn boeken ‘stumpers’. Ik zweeg, want ik hoorde geen vraagteken. Een ogenblik was het helemaal stil. Meer en meer bekroop me het gevoel: waarom zit zij hier naast mij, of ik naast haar, wie heeft dit in gang gezet?

Maar, in het schimmige gebied tussen hoffelijkheid en lafheid, zei ik er nog steeds niets over.

Het gesprek kabbelde langzaam richting het einde.

‘Kun je iets vertellen over je nieuwe boek?’ vroeg de interviewster ter afsluiting. ‘Wat voor mensen komen erin voor?’

‘Veel stumpers,’ zei de getergde ik zachtjes. ‘Heel veel stumpers.’

Bij mijn vertrek werd me gevraagd het gastenboek te ondertekenen. Ik overwoog daar iets te zeggen over mijn online ontdekking, maar dat leek me te laf, een beetje alsof je een sneeuwbal in iemands gezicht gooit en daarna heel hard wegrent.

Weken later, op de dag dat de Volkskrant schreef dat ik een toegewijde fan was van de vrouw wier werk ik nooit heb gelezen, stuurde de interviewster me eenvriendschapsverzoek via Facebook. Onder een foto van mijn nieuwe boek schreef ze dat ze er zo naar uitkeek.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Dünya Calikci"
    Dünya Calikci

    Dünya Calikci (28) is een echte Amsterdammer en schrijver pur sang. Als student aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU schrijft ze rauw, eerlijk en realistisch – altijd dicht op de huid. Haar werk draait om echte mensen en hun verhalen, zonder opsmuk of filter. Dünya zoekt de kwetsbaarheid op en vangt het alledaagse in woorden die blijven hangen.

  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimist, Op ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.