Wittgenstein’s Mistress

Het is mij nog maar een paar keer overkomen, dat ik een boek las waar ik vervolgens bezeten door raakte, maar het is mij onlangs gebeurd met het boek Wittgenstein’s Mistress van David Markson. 

Ik zie het nu dan ook als mijn persoonlijke missie zoveel mogelijk mensen dit boek te laten lezen. Het is grappig: als je op internet zoekt, blijkt dat al veel meer mensen dit idee hebben gehad. Ann Beattie is bijvoorbeeld een fan. David Foster Wallace schreef ooit een geweldig essay over het boek. Iemand maakte een index met alle personen die in het boek voorkomen, wat een ongelofelijk karwei moet zijn geweest. En toch is David Markson niet een schrijver die heel veel gelezen wordt. Blijkbaar is het een boek waar je of nog nooit van hebt gehoord, of een boek waar je al je tijd aan wil wijden. 

Ik vind het heel moeilijk om uit te leggen waar Wittgenstein’s Mistress over gaat. Over eenzaamheid, misschien. Over wat er gebeurt als je de laatste persoon op aarde bent, of over wat er gebeurt als je gek bent. Over hoe isolatie je taalgebruik kan veranderen, over hoe diezelfde taal je controle over de wereld kan geven. Over hoe mensen je die controle vervolgens afnemen, waardoor jij op jouw beurt misschien de wereld de mensen moet afnemen door te doen alsof zij er niet zijn. Of is juist datgene aan de hand dat het ultieme verlies van controle behelst, namelijk het door de mensen verlaten te zijn? In ieder geval, in plaats van de tekst op de achterflap over te typen heb ik een stukje vertaald. Op den duur hoop ik er een toneelstuk van te maken.

 

In het begin liet ik soms berichten achter op straat.
Er woont iemand in het Louvre, stond er op de berichten. Of in the National Gallery.
Uiteraard stond dat er alleen als ik Parijs of in Londen was. Er woont iemand in het Metropolitan Museum was wat er stond toen ik nog in New York woonde.
Niemand kwam langs, natuurlijk. Uiteindelijk liet ik geen berichten meer achter.
Om eerlijk te zijn, misschien liet ik alles bij elkaar slechts drie of vier berichten achter.
Ik heb geen idee hoe lang geleden het is dat ik dat deed. Als ik moest raden, geloof ik dat ik tien jaar zou raden.
Misschien was het daarentegen een paar jaar langer geleden. En natuurlijk was ik destijds een tijdje behoorlijk de weg kwijt.
Ik weet niet precies voor hoe lang, maar voor een zekere periode.
Zoals toen ik naar dat afgelegen deel van Turkije reed, om het oude Troje te bezoeken.
En om een of andere reden vooral naar de rivier daar wilde kijken, waar ik ook over had gelezen, die langs de citadel naar de zee stroomde.
Ik ben de naam van de rivier vergeten, die in feite een modderig stroompje was.
En ik bedoel sowieso niet naar de zee, maar naar de Dardanellen, die vroeger de Hellespont heette.
De naam van Troje werd ook veranderd, natuurlijk. Hisarlik – de naam die het kreeg.
Mijn bezoek was op meerdere manieren een teleurstelling, aangezien de plaats ontzettend klein was. Zeg maar weinig meer dan het gemiddelde stratenblok en slechts een paar verdiepingen hoog, praktisch gezien.
Maar toch, vanaf de ruïnes kon je de berg Ida zien liggen, helemaal in de verte.
Zelfs aan het eind van de lente lag er sneeuw op de berg.
Daar is iemand naartoe gegaan om te sterven, geloof ik, in een van de verhalen. Paris, misschien.
Ik bedoel Paris die Helena’s geliefde was, uiteraard. En die gewond raakte helemaal aan het einde van die oorlog.
Om precies te zijn was het vooral Helena aan wie ik dacht, toen ik in Troje was.

(…)

Vanaf Hisarlik is het naar het water misschien een uur lopen.
Wat ik van plan was te doen was een roeiboot nemen het water over, en dan verder Europa inrijden, richting Joegoslavië.
Misschien bedoel ik Joegoslavië. In ieder geval zijn er aan die kant van de zeestraat monumenten voor de soldaten die daar in de Eerste Wereld Oorlog stierven.
Aan de kant van Troje kun je een monument bezoeken waar Achilles begraven werd, zoveel langer geleden.
Tenminste, ze zeggen dat Achilles daar begraven is.
Toch, ik vind het buitengewoon dat daar jonge mannen stierven in die oorlog lang geleden, en toen opnieuw op dezelfde plek drieduizend jaar later.

(…)

Waar ik nog serieuzer bijna alles voor zou geven, in alle eerlijkheid, zou zijn te begrijpen hoe mijn hoofd soms in staat is van de hak op de tak te springen zoals het van de hak op de tak springt.

In de Oorshop

The Unknown Unknown

(WEB)(OK)-1-Pirandello-Luig
Pirandello, auteur van de beste verhalen.

Het was een boekhandelaar die het in mijn handen drukte. The Unknown Unknown. Bookshops and the Delight of Not Getting What You Wanted van Mark Forsyth. Een niet zo best geschreven traktaatje dat bovendien het heldendom van het gereleveerde inzicht in de richting van de hier toch onverwachte Donald Rumsfeld schuift. De centrale gedachte is dat je in een goede boekwinkel dat vindt waarvan je niet wist dat je het niet kende. Wat we weten, weten we, wat we niet weten, weten we vaak ook wel, maar wat we niet weten dat we niet weten: daar moet men op gewezen worden en daartoe heb je aan Google weer weinig, want dat stuurt je vinden veel te veel.
MV5BMTU3MjkzMzI5OV5BMl5BanBnXkFtZTcwMDcyMzcxMQ@@._V1_SX214_AL_ In een goede winkel kom je dingen tegen die je echt niet wist. Net als in een goede boekwinkel, want er zijn ook boekwinkels die alleen maar inkopen waarvan ze weten dat ze het heel snel weer zullen verkopen. Een goede boekwinkel is derhalve een boekwinkel die inkoopt en behoudt wat hij weet dat hij niet snel zal verkopen, zodat iemand het ooit kan vinden. Het onbekende waarvan hij niet wist dat hij het zocht. De Tribune in Maastricht is zo’n boekwinkel. In drie zalen, links, rechts en een kelder staat de goede keuze van decennia verstandig en smaakvol inkoopbeleid die niet uitgaat van wat snel verkocht wordt, maar van wat goed genoeg is om ooit verkocht te worden. Het onbekende staat daar. En ik moet mijzelf om de diepte van deze mededeling wat meer kracht te geven even op de borst kloppen: ik ken best veel boeken, want ik koop al decennia maniakaal. Maar in de Tribune kom je boeken tegen, niet zomaar een of twee, maar op elke plank, die je niet kende. The Unknown Unknown bevindt zich in de Kapoenstraat in Maastricht. Het verdient een bedevaartsplaats te worden. Je moet er rondlopen om goed te kunnen ervaren hoe bijzonder het is in een boekwinkel uitgaven tegen te komen die niet nieuw zijn, maar uit 1987 stammen. Je moet rondlopen om er met een schok achter te komen hoe ongewoon het is meer smaakvolle boeken om je heen te hebben dan je in jaren meemaakte in een boekwinkel.

Een hele poos terug kocht ik daar een deel van de Novellen voor een jaar van Pirandello. Dat kende ik toen nog niet. Pas deze week begon ik in dat deeltje verhalen van de Italiaan en de eerste twee verhalen ‘De vlieg’ en ‘De ketterij der Katharen’ zijn onwaarschijnlijk goed. In kort bestek, geweldige personages, prachtige sfeer, een staalhard plot. Onverbeterlijk! We hebben hier een terechte Nobelprijswinnaar. Ik ga alle delen kopen en lezen. In de uitgave van nog zo’n atypische held: uitgeverij Coppens & Frenks.

Als u en ik vergeten zijn, kent men nog: Coppens & Frenks, Pirandello en De Tribune in de Kapoenstraat.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Combé

CombeIn mijn voorstelling van teruggaan naar Suriname zag ik mezelf altijd door de Louiselaan lopen in de richting van de grote Combémarkt om daar een tros kouseband te halen, een tas oker en bos ramboetans.

Vandaag was ik er weer, op zoek naar wat minder Sehnsucht-aanwakkerende artikelen als garnalenpasta, wc-papier en luiers.

Als je een (klein) kind hebt is er alleen nog ruimte voor vervoering die verband houdt met dat kind. Alle andere manieren waarop je in het hart geraakt kunt worden staan in de wacht totdat het kind oud genoeg is om zelf op vakantie te gaan.

Door nuchtere ogen* is een bezoek aan de Combé weinig minder dan een afdaling naar een van de minder heftige niveaus van de hel. Verdieping 3Kafka’s favorieten.

Er zijn vier soorten kassa’s in de grote Combémarkt, waar vier verschillende categorieën producten (vers, import, koud en cosmetica) moeten worden afgerekend (die vlak naast elkaar in dezelfde ruimte op schappen liggen). Zelfs voor mij als warenkenner is het in veel gevallen onmogelijk te voorvoelen welk product bij welke kassa hoort.

Bij elke kassa staan twee mensen: iemand die spullen uit je mand haalt en iemand die de producten aanslaat. Als alles aangeslagen is vallen de handelingen tijdelijk stil omdat er gewacht wordt op de controleur, die zonder uitzondering een hindoestaanse vrouw is. Alleen zij heeft het recht de boodschappen te tellen, de kassabon te ondertekenen en die aan je tasje te nieten. Daarna mag je in principe weg.

Vanochtend koos ik onder andere de rij bij een beginnende caissière, waardoor er wel vier personen achter de balie stonden**. De trainee was vergeten haar kassarol te vervangen, en ontdekte dit pas bij het uitslaan van mijn rekening (4.10 SRD, wat minder dan een euro is).

Alles viel stil. Onder mijn voeten begon de vloer te hellen in de richting van de medewerker-in-opleiding. Pallets met soya-olievaten schoven langzaam onze kant op. Een aantal korte tut-tutten ontsnapte aan een van de oudere dames die als taak had om de jonge vrouw te begeleiden. De dame straalde teleurstelling, vermoeidheid en veroordeling uit, maar vooral de overtuiging dat geen druppel van de blaam die op deze stupiditeit zou volgen aan haar zou blijven plakken.

Niemand zei iets tegen mij. En zo bleef het, wel drie minuten lang. Uiteindelijk werd er iemand bij geroepen., die ook tut-tutte.

‘Moet u nu meteen weg?’ vroeg de nieuwe dame. Een roodgeverfde streng ontsnapte aan haar gouden haarspeld.

‘Ja,’ zei ik.

Er werd gezucht, maar niet door de jonge caissière. Zij leek niet meer geademd te hebben sinds er geen bonnetje uit haar kassa kwam.

‘Ik stuur iemand met u mee,’ zei de nieuwe dame.

Even later liep ik met mijn dichtgeniete minizakje door de grote hal van de Combé, op de voet gevolgd door weer een andere dame. Het voelde alsof ik in mijn broek gepoept had en nu met mijn vuile onderbroek (de punten van de stof bijeengehouden tussen mijn duim en wijsvinger) naar de juf gestuurd werd om mijn straf te ontvangen.

Bij de hoofdkassa (die er ook nog bleek te zijn) leek niemand zich aan het echec van een junior caissière te willen branden.

Vanmiddag reed ik naar de dure supermarkt Tulip, die naar Nederlands model is opgezet in een drukke straat op nog geen drie minuten rijden van de Combé. Elke kassa had een caissière en bij elke kassa konden producten uit de hele winkel worden afgerekend. Het systeem werkte goed.

Voor ons vertrek uit Nederland vroeg iedereen waarom we voor Suriname kozen. Omdat “Het systeem werkte goed” geen verhaal is.

* De laatste keer dat ik hier was ben ik een groot deel van mijn verblijf ziek geweest – open TB, hoe old-school is dat? – waardoor ik wil toegeven dat er dingen langs me heen zijn gegaan.

** Twee senior controleurs per trainee.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Ik bevestig dat ik leef

Of neem de branding. Stukgeslagen/ op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,/ maar herneemt zich en is daarin poëzie. Remco Campert, Poëzie is een daad*

1)  De nacht

In ’t licht van etalages, buitenreclames en straatlantaarns gaan dichters en literatuurliefhebbers op in stappers, penoze en wachtende taxichauffeurs. Ik denk aan Roland en Marko en Barry en aan Tjitske (zwaai!) en aan Laurens Ham en zijn vriendin en aan Marjolijn en aan Kira en haar Tirade 454 gedicht en aan de genereuze aankondigingen van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin… Maar vóór alles denk ik aan Remco Campert… dit zal voor altijd De Nacht van Campert blijven… Godsamme. Die voordracht, het applaus. Eigenlijk was het Camperts eerste postume optreden – de hemelvaart van een levende. Die broze kracht op dat podium: zo ziet onsterfelijkheid eruit.

‘En toch, en toch… En tóch…,’ zeg ik tegen mijn vriendin terwijl we zoeken onder welke plataan we mijn Jaguar onze fietsen ook alweer hadden geparkeerd, ‘ondanks alle prachtige poëzie… het mooiste gedicht van de avond: ben jij.’

‘Tyn, ’t is drie uur geweest.’

‘MAAR IK MEEN HET!!’ mijn Bart-Chabot-doet-Simon-Vinkenoog-imitatie neigt net iets teveel naar Sjef van Oekel.

Tien minuutjes fietsen – slalommen tussen zwalkende studenten. Jammer dat The Kik Armand en Lucky Fonz III had thuisgelaten. Maar daar staat tegenover dat de schoenen van Remco Campert net zo kobaltblauw waren als die van mijn vriendin. Haar vest was dan weer iets donkerder kobalt, net als dat van Marjolijn van Heemstra trouwens.

Als we thuiskomen, blijkt mijn imaginaire dochter er nog niet te zijn. Ze heeft in de nacht van vrijdag op zaterdag gelogeerd bij een collega in Rotterdam en zou zaterdagavond zelf weer naar huis komen. Mijn vriendin gaat naar bed, ik pak een boek om de tijd te doden tot ik mijn collega kan bellen. ‘We niksen de klok rond en fiksen het gat in ons hoofd,’ declameerde Leonard Nolens een paar uur eerder.

2)  Brusselmans*

God, wat hebben we het toch gezellig met elkaar in de NED-LIT… babbeldebabbel, borrel de borrel, twitter de twit… we lijken godverdomme wel een stel ouwe wijven… Hoog tijd om es een collega helemaal kapot te maken… es even kijken… kom jij maar eens naar voren… Herman Brusselmans!… Met je grote bek. En je zelfingenomen smoel. En je lange haar. Laat maar es zien wat voor boekske je nou weer gebakken hebt… Zeik?! Oké, geinige titel… blader, blader, lees, lees… haha!… hahahaha!… Oké, haha… best lachen, geinig gedaan… Maar ’t is ook wel pathologisch, die grappenmakerij van je… als je álles belachelijk maakt – het genre van de policier, de roman/fictie in ’t algemeen, het dagelijks leven, staande uitdrukkingen, het kantoorleven, seks, mongolen – dan laad je vooral het vermoeden op je dat je de stress der ernst niet kunt verdragen, geen seconde… Of zie ik dat verkeerd? Mmm? En moet dit soort stand-up proza nou echt per se gedrukt en verspreid worden? Ik vind ’t meer iets voor een blog of om in drievoud uit te printen en uit te delen aan je beste vrienden… Nee, niet gelijk kwaad worden… ik denk dat je werk veel interessanter wordt als je niet in iedere scène of iedere zin meteen op zoek gaat naar de komische ontsnapping… Wat jouw werk nu per saldo overdraagt is levensangst… Zeik is een kaassoufflé zonder kaas… knap dat je ’m zoveel smaak kunt geven, maar voeden doet ie voor geen meter… Zo. Tot ziens in de Blaffetuur.

3) Raadsels

Om half acht, zondagochtend, bel ik mijn Rotterdamse collega om te informeren waarom mijn dochter nog niet thuis is. Heb ik me vergist? Zou ze twee nachtjes blijven? ‘Er logeert hier helemaal niemand,’ antwoordt ze, ‘ik weet niet waar je ’t over hebt. Wie ben jij eigenlijk? Nee, sorry, je naam zegt me helemaal niks… En nu ga ik ophangen, want ik sta een konijn te villen.’

Voor ik nog iets kan zeggen, verbreekt ze de verbinding. Ik schiet in de lach.

Wat een raar gesprek! Is dit een sadistische grap? Het machtsspel of de machinatie van een narciste? Een onleesbare poging om me te castreren of te vernederen? Of is dit toneelstukje bedoeld om me op te voeden? Wil ze me laten zien wat er kan gebeuren als je je puberdochter zomaar bij een collega laat logeren? Of… of is er iets afschuwelijks gebeurd? Een ongeluk, ontvoering, verdwijning – en is dit een onbeholpen manier om tijd te winnen?

4) LINDA en REMCO

We – de Tirade redactie – hadden het plan om allemaal de LINDA Questionnaire te beantwoorden die onze zaterdagse gastblogster, LA SAMSON, kreeg of krijgt voorgelegd. Maar het is me nog niet helemaal duidelijk uit welke vragen die bestaat. Mijn antwoorden houd je, geloof ik , dus nog tegoed. Maar… mocht LINDA willen weten wat mijn favoriete dichtregel/strofe is… REMCO CAMPERT, afgelopen zaterdag:  Poëzie is een daad/ van bevestiging. Ik bevestig/ dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

5) Straks

Maandagochtend. Mijn dochter is nog steeds niet thuis. Ik ben niet zo’n tobber die meteen het allerergste gaat denken… Natuurlijk blijft ’t door mijn hoofd spoken dat ze is ontvoerd, verkracht, verminkt, vermoord. Misschien is ze inmiddels al in vijfenveertig stukken gesneden en als rosbief geserveerd aan afgetrainde zakenlui, opgewekte redacteurs van concernuitgeverijen en andere wereldverbeteraars. Ik zou nog een keer naar Rotterdam kunnen bellen. Maar ik vertrouw mijn collega. Was mijn dochter iets ergs overkomen, dan had er al lang een inspecteur à la Jean-Pierre Zeik voor de deur gestaan. Ieder moment kan ik de sleutel in het voordeurslot horen. Straks is ze gewoon weer thuis, ongeschonden. Alles komt goed.

—–

Volgende week: Samuel.

*Boekskes

Herman Brusselmans, Zeik, Prometheus (2014).

Remco Campert, Poëzie is een daad, uit: Het huis waarin ik woonde, De Weekblad Pers Groep (1955).

Optreden

Jaren geleden interviewde ik de Britse band Portishead. Het was een persdag zoals ik wel vaker had meegemaakt: met een stipte planning, een nerveuze manager, maximaal een kwartier interviewtijd en als decor een luxueus hotel. Maar anders dan gebruikelijk kreeg ik van tevoren een lijstje toegestuurd met daarop alvast enkele antwoorden.

Antwoorden op vragen die nog helemaal niet gesteld waren.

Vragen waarvan de bandleden van Portishead meenden te weten dat men ze zou stellen. (Waarom na al die jaren weer een nieuw album? Wanneer zijn jullie met de opnames begonnen? Naar welke triphopacts luisteren jullie zelf?)

Toen ik de lijst kreeg was ik zelfs beledigd. Het had iets heel hooghartigs, dat Portishead bij voorbaat al meende te weten welke vragen gesteld zouden worden, dat ze interviewers kennelijk voor zulke eentonige, voorspelbare figuren hielden.

Zelf had ik toen nog nooit een interview gegeven. Dat gebeurde pas maanden later, nadat een verhaal dat ik had geschreven tot mijn grote verbazing enthousiast werd ontvangen en zelfs werd uitgegeven als roman.

Binnen een half jaar was ik geen middelbare scholier meer maar een schrijver, althans, zo noemden sommigen me. Mijn uitgeverij regelde dat ik, vlak voor de verschijning van mijn debuut, tijdens Manuscripta mocht ‘optreden’. ‘Er komen veel mensen,’ werd me door de telefoon verzekerd. Ik was net negentien, had nog nooit een literair evenement bijgewoond en ging akkoord. Eenmaal ter plaatse zag ik dat het inderdaad druk was. Even voelde ik trots, tot ik me realiseerde dat al die mensen in de rij stonden voor de kantine. Ze spraken, ze lachten, sommige hard, andere zacht, maar ze hadden allemaal iets gemeen: niemand keek naar mij.

Ik werd geïnterviewd door een mij onbekende vrouw. Ze stelde vragen die verstomden in het geroezemoes van de hal, en mijn hakkelige antwoorden bereikten de interviewster volgens mij nauwelijks.

Dat was mijn kennismaking met publieke interviews. Soms betwijfel ik of ik er in de tussentijd op vooruit ben gegaan, of er in de tussentijd überhaupt iets is veranderd. Ik weet alleen van tevoren vaak beter welke vragen me op een podium gesteld zullen worden.

Hoe het is, om uit een schrijversfamilie te komen (heel gezellig).

Wat mijn generatie kenmerkt (geen idee).

Meestal antwoord ik op die vragen met een welwillende glimlach en een paar algemene statements. Ik vind het doorgaans ook wel aangenaam, zo’n gesprek: het is een zeldzame mogelijkheid om te zien wat voor publiek geïnteresseerd is in boeken, en om je eigen handelswaar, in deze tijd waarin een boek toch meer en meer de omlooptijd heeft van een videoclip, zelf aan de man te kunnen brengen.

Maar terwijl ik mijn antwoorden geef, denk ik weleens aan het antwoordenlijstje van Portishead. Ik stel me voor hoe hun promotiecampagne er destijds uit zag, iedere dag een ander land, steeds weer een stuk of twintig journalisten die hoopvol en nerveus naar je toe komen. Uiteraard wordt er dan vaak hetzelfde gevraagd. Uiteraard zijn er dan vragen waarbij je denkt: alsjeblieft, zwijg als je niets te zeggen hebt.

Ach, zoals de Britse journalist Russell T. Davies al eens opmerkte: ‘Dialogue is just two monologues clashing.’

Onder de huid

Ik zit haast elke dag in de trein naar mijn werk. Vroeger deed ik dat lekker anoniem, maar sinds een paar maanden check ik in en uit met mijn chip. Soms komen conducteurs langslopen om te kijken of iedereen netjes ingecheckt is. Dan vraag ik me af of dat afleidingsmanoeuvres zijn. Weten ze niet allang welke chips er aanwezig zijn in de trein? En als de NS het niet weet, zijn er dan geen andere instanties dat weten? Hebben de AIVD of NSA bijvoorbeeld al scanapparaten in de plafonds van de Europese intercitytreinen geplaatst die registreren waar iedereen uithangt? Of is zoiets waarneembaar vanuit een satellietje ergens in de dampkring?

De NS zegt mijn reisgegevens voor niets anders dan de verbetering van de reiservaring en de dienstverlening te zullen gebruiken. Maar als we met dienstverlening gaan schermen dan is er nog veel verbetering mogelijk als je het mij vraagt. Want elke dag moet ik mijn chipkaart 1. meezeulen 2. uit mijn portemonnee pakken 3. langs het scanapparaat halen (vòòrdat ik in de trein stap). Dus, lieve NS, is het misschien nog klantvriendelijker om een onderhuidse OV-chip te ontwikkelen? Waarschijnlijk is het ingreep van niets om een microchip te bevestigen, mijn voorstel zou zijn aan de onderste nekwervel: C7. Die C7 laat zich niet makkelijk stelen of transplanteren. Hij slijt wel met de jaren, maar daarmee komt hij (als we langzaam zakken in die onvermijdelijke bochel) alleen maar verder naar achteren te staan, waardoor hij voor de scanapparaten beter in zicht komt. (C7-alert: uw chip is de afgelopen maanden 10 graden gezakt, misschien is het tijd voor wat yoga? Een bezoekje aan de huisarts?).

In het begin zul je wat gesputter horen, NS. Bits of Freedom zal wel weer op de achterbenen staan en er zullen in de krant vergelijkingen met 1984 (hoe lang geleden is dat!) worden gemaakt. Maar wacht rustig af tot ze de voordelen merken. Bij onze huisdieren vinden we het de gewoonste zaak van de wereld: een chip in de nek. Terwijl het ook voor oma handig is dat een agent haar kan scannen als ze verward over straat doolt.kat-aflezen

De mensen zullen er later nog schande van spreken dat we in de 20ste en begin 21ste eeuw, ondanks alle technologische vooruitgang, zo achterlijk waren om identiteitsbewijzen en bankpassen buiten ons lichaam te dragen.
-Het was nog mogelijk om misdrijven te plegen. Identiteitsfraude en diefstal lagen altijd op de loer, zullen de geschiedenisleraren van de toekomst zeggen.
Dan schudden de leerlingen geschrokken hun hoofd. Dat soort gegevens is tegen die tijd namelijk veilig in onze nekwervel opgeborgen. Vooral nadat op een gegeven moment RNA-strengen zijn ontwikkeld die de chip al embryonaal konden ontwikkelen. Hoef je alleen nog de identiteit van je ongeboren vrucht te uploaden bij het (digitale) loket. Paspoort, bankrekening, BSN. Alles integraal in de C7. En mettertijd wordt langzaam alles geregistreerd. Basisschool behaald, zwemdiploma, middelbare school, rijbewijs. Dit alles gaat gepaard met nieuwe autorisaties in het leven, toegang tot openbare zwemplaatsen, toegang tot de banenmarkt, autowegen (alles met bijbehorende op de klant toegespitste reclame). Ook worden steeds meer simpele medische voorzieningen op de chip geïnstalleerd, die metingen doen aan onze suiker- en bloedwaarden, die onze hormoonhuishouding in de gaten houdt (C7-alert: U ovuleert). De microfoon die in de C7-chip is geïntegreerd (en die niet zal worden gebruikt om de gebruiker af te luisteren) registreert of we geen hartritmestoornissen krijgen. Facebook ontwikkelde (in samenwerking met Google-hoornvlies -de opvolger van de Google-bril) een C7 augmented reality streaming service waardoor je iedereens vrienden (en -gezamenlijke- vijanden) in een virtuele aureool om hem heen ziet (C7-alert: pas op! Er nadert iemand met veel -of belangrijke- vijanden). Bereik je een bepaalde leeftijd (hier was even discussie over, maar hij is toch vastgesteld op 18) dan kun je een alert krijgen als je iemand passeert die 1. binnen je league valt (op basis van oordelen van honderd voorbijgangers) en die 2. wat betreft klikgedrag en 3. wat betreft genetische achtergrond een potentiële levenspartner zou kunnen zijn. Ook is de chip goed bruikbaar om in een volgende levensfase de echtelijke trouw te toetsen. Sowieso is je huwelijk natuurlijk geregistreerd op je chip. En vervolgens kun je middels een app bijhouden waar je partner uithangt. (C7-alert: uw partner is langer dan een paar seconden op minder dan 20 cm afstand is van een andere chip.)
-Nee echt lieverd, dat was iemand die de hele tijd tegen mij opbotste in de Albert Heijn.
-Een uur lang? En hoezo was je op de Baarsjesweg?

Een laatste grote voordeel is dat we ons leven kunnen uitprinten als we sterven (of iemand daartoe kunnen autoriseren).
-Jongens, heeft iemand een uitdraai gemaakt van opa?
Misschien dat de Hema een app kan ontwikkelen, die opa’s harde schijf kan omzetten in een biografie. Het geheel opgeleukt met wat screenshots van zijn googlehoornvliezen (Wat keek opa vaak naar billen!)(Spacend hoor, de tijd dat hij Alzheimer had). Print on demand. Als er tegen die tijd nog iemand een boek leest.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Ida Hondelink"
    Ida Hondelink

    Ida Hondelink is schrijver en performer. Ze studeert momenteel af aan de studie Writing For Performance aan de HKU. Reeds is ze actief als dichter en essayist op verschillende platforms en podia, waaronder Notulen van het Onzichtbare, Hard//hoofd, Dichters in de Prinsentuin, de U-Slam en de Nacht van de Literatuur. Haar werk is fantasierijk, maatschappijkritisch en heeft doorgaans een poëtische ondertoon.
    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Fannah Palmer"
    Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.