Jongensjaren

Mensen worden naarmate je ze langer kent gemiddelder. Extreme uitingen raken op de achtergrond of vervlakken als je ze legt naast algemener gedrag. Tijd is de grote gelijkmaker. Hoe saai dat ook mag klinken, dit aspect is een van de aantrekkelijke kanten van de film Boyhood van Richard Linklater. De film toont nauwkeuriger echt leven dan de meeste andere.

Linklater filmde twaalf jaar elke zomer een aantal mensen en bracht zo de jongensjaren van zijn hoofdpersoon in beeld, van zes tot twaalf jaar. Linklater is noch met het portretteren van een jongenstijd  (Coetzee, Tolstoi) noch met het filmisch volgen (7up – Michael Apted) een pionier. Jongens- of bij uitbreiding kinderjaren zijn zo’n dankbaar onderwerp omdat je maar een heel kleine verwijzing ernaar nodig hebt om zelf weer in die meest  – letterlijk – indrukwekkende van alle eigen jaren te belanden. Aangrijpend aan de film is dat het script erin voorziet de personages gemiddelder te laten worden dan ze aanvankelijk zijn, de heldin van de moeder is ook een tobber, en maakt belangwekkende denkfouten, de sukkel van een pierewaaiende vader heeft consistente idealen en is een mooie vent eigenlijk. De geweldige tweede en derde vader blijken  zuiplappen, het volstrekt maffe zusje blijft maf, maar beter te hebben. Voelt dit als het echt leven? Ja. Is het dat ook? Nee.

Opmerkelijk aan het affiche is natuurlijk dat er geadverteerd wordt met het ’twaalf jaar’- aspect, maar dat is toch veel meer een toevallige bijkomstigheid dan dat het de essentie van de film uitmaakt. Boyhood is geen documentaire. Weliswaar moeten we aannemen dat het verstrijken van de tijd bepaalde keuzes voor de regisseur heeft helpen maken, maar ik maak me sterk dat dat er toch niet zoveel geweest zijn. In 2002 toen Linklater begon kon hij niet vermoed hebben dat de 18 jarige hoofdpersoon er meningen over facebook op na hield, dus dat is door de tijd ingegeven. Toch denk ik dat de belangrijke bewegingen in zijn leven, verhuizen, dronken vaders etc van de aanvang af in het script moeten hebben gestaan. Dat maakt de levensechtheid van de film in wezen des te bewonderenswaardig. De vraag die ik dan toch houd is in hoeverre de jongen in de film op de acteur lijkt – of nog boeiender: is gaan lijken. En nog mooier om je af te vragen: in welke mate beïnvloedt de levensopvatting die uit de film spreekt de levenshouding van die jongen? In wezen is het leven van Ellar Coltrane hiermee ook een project geworden van Truman Show-achtige allure, hij leeft zijn rol in zekere zin. En in het licht van deze mooie film, vrees ik dan ook voor zijn toekomst.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Persona grata

Vertel een willekeurig iemand hier in Paramaribo dat je in Flora woont, en hij zal je aanradeDSC_0095n goed op je bezittingen te letten. ‘Heeft uw woning dievenijzers en alarm?’ zal hij vragen.

Toen we voor het eerst naar ons huis gingen kijken wisten we niet dat we in een ‘mindere’ wijk rondliepen. Er speelden kinderen op straat en iedereen hing voor zijn deur met de buren te kletsen. De eerste die ik aansprak bleek de mater familias van een hindoestaanse familie die zowat het hele blok bewoont, op het huis links van ons (Brazilianen) en recht tegenover ons (creolen) na.

Op de dag van onze verhuizing wilden twee buurmannen telefoonnummers met me uitwisselen opdat we elkaar zouden kunnen bellen als er iets ‘aan de hand was’. Er is nog niets gebeurd, en met de waakzaamheid van de mensen hier lijkt me de kans ook klein. Langs de schutting van ons erf lopen zonder een omwonende te moeten groeten is bijna onmogelijk.

Wat maakt eigenlijk dat je door een buurt loopt en je er prettig voelt?

Er zijn vervallen huizen in onze straat en er staat een auto zonder wielen op de stoep bij de overburen. De overbuurman repareert trouwens wel heel veel wagens van vreemden voor iemand die geen illegale garage heeft. Van zes tot tien is er bijna elke avond een soundsystem-battle tussen onze rechterbuurman en de mensen die tegenover hem wonen. Maar de Marijkelaan voelt goed. Ik ben niet bijgelovig, dus die informatie moet met zintuiglijke waarneming zijn begonnen.

Ik denk dat mijn aanvankelijke beeld van de straat de plus in schoot door het groeten, wat men hier met zoveel enthousiasme doet. Een opgestoken hand wordt altijd beantwoord. Men groet niet binnensmonds, maar luid en duidelijk; onze overbuurman stond vanmorgen zelfs op toen ik bij thuiskomst naar hem zwaaide, en riep ‘Buur!’ alsof hem tijdens mijn bezoek aan de markt ter ore was gekomen dat er een volksheld tegenover hem was ingetrokken.

Het zette me aan het denken over de ingewikkeldheid van het groeten in Nederland, of ik moet zeggen: de Randstad, omdat ik zelden verder kom. We zijn spaarzaam met onze groet. Afgemeten. We lijken angst voor afwijzing te hebben, wat maakt dat we voorzichtig groeten, waardoor onze groet door de ander gemakkelijk over het hoofd gezien wordt, wat de mate van ervaren afwijzing weer vergroot.

Ik heb me er in Amsterdam zelfs op betrapt dat ik over een niet al te opmerkzame buurtgenoot dacht: Als hij me nu weer niet ziet staan, dan groet ik die eikel nooit meer. Wat natuurlijk het einde is van elk mogelijk begin.

Nee, het is goed om in Paramaribo te zijn op het exacte moment van het normaliseren van de diplomatieke verhoudingen tussen Suriname en Nederland. In ieder geval op straatniveau hebben we nog veel van deze republiek te leren.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Samuel

Zaterdag. Ik zit in de VROUW, het magazine van onze collega’s van De Telegraaf, een interview met Dieuwertje Blok (57)* te lezen – je moet zo’n blogstukje toch érgens laten beginnen – als er aan de voordeur wordt geklepperd*.

Hè?! Wie kan dat nou zijn?! De enige manier om daarachter te komen: deur opendoen.

Het blijkt een knakker van de bezorgdienst. Ik heb de jongste roman van Richard Powers besteld, de auteur die ik sinds de dood van DFW beschouw als de grootste, levende Amerikaanse schrijver. Een pompeuze/aanmatigende kwalificatie trouwens, want wat weet ik nou eigenlijk van de VS-LIT? Twee boekwinkels in Utrecht hadden de roman van Powers in de kast staan, maar helaas niet in de uitvoering die ik wilde (mijn ogen gaan absoluut niet achteruit, ik lees de laatste tijd gewoon heel graag grootletterboeken).

Buiten scheur ik de doos open – ja, Powers. Als ik opkijk is de bezorgbus alweer vertrokken. Nu zie ik pas dat mijn buurjongetje, Samuel (5), op de BMW van een overbuurman zit. Armen over elkaar, benen op de motorkap, rug tegen de voorruit. Hij kijkt naar de wolken. De eigenaar van de BMW kennende heeft Samuel met deze zitplek een gewaagde – of naïeve – keuze gemaakt.

‘Hé Samuel,’ zeg ik, ‘hoe gaat ‘t?’

‘Met mij gaat ‘t goed.’

‘Mooi. Met mij ook. Wat ben je aan ’t doen?’

‘Niks.’

Daar heb ik niet van terug. Met het telefoonboek van Powers onder mijn arm loop ik het huis weer in.

———-

Volgende week: ‘Nou, graag ober… ik zeg altijd maar zo: alles gepeperd… behalve de rekening, hahaha!’ – Milan Kundera, Het feest der onbeduidendheid, Nuri Bilge Ceylan, Winter Sleep. En meer.

Noten

*Dieuwertje vertelt in het interview (met Jeroen Mei) dat ze na zeven jaar met ontbijt-tv stopte omdat iedere nacht om vier uur opstaan zijn tol ging eisen: ‘Ik kreeg allemaal kwaaltjes die met slaapachterstand te maken hadden.’ Oké… maar wát voor kwaaltjes dan? Dat willen we weten! Waarom worden de smakeloze details ons bespaard? Nu moet ik het zelf gaan uitzoeken op internet. Nog iets: eerder in het vraaggesprek bekent Dieuwertje – is het niet beter een vrouw van bijna zestig gewoon Dieuwer te noemen? – dat ze tussen haar 20e en 30e erg onzeker was en bijvoorbeeld ‘worstelde met haar figuur’. Goed, eerlijk, openhartig. Maar bedoelt ze dat haar gewicht erg schommelde in die periode – bijvoorbeeld doordat ze lijnde en weer aankwam? – of bedoelt ze dat ze moeite had om haar lichaam te accepteren? We willen meeleven, daarvoor hebben we specifieke informatie nodig! Nu speculeren we onszelf zowat het gekkenhuis in. En dát kan toch niet de bedoeling zijn!

*Ja, geklepperd. Nog steeds niet aan toe gekomen de bel te fiksen.

Kiekje: MK, levitas.

Stapels boeken

Al zolang ik schrijf hoor ik doemverhalen over de boekenwereld. Redacteuren worden ontslagen, uitgeverijen vallen om, auteurs worden aan de kant gezet. Eerlijk gezegd heb ik het nooit anders meegemaakt, voor mij zijn de pessimistische toekomstvoorspellingen en slinkende verkoopcijfers inherent aan het boekenvak. Die waren er al vanaf de eerste dag, alsof ik een trein ben gestapt die, zonder machinist, richting een nog niet helemaal gedefinieerd eindpunt rijdt.

Recent werd ik uitgenodigd om voor te lezen in een niet nader te noemen Nederlandse plaats.

De plaats was klein en overzichtelijk, maar midden in het centrum stond een enorme, pas geopende bibliotheek, die boven de omringende huizen uittorende.

In die bibliotheek werd ik geacht voor te lezen. Het gebouw scheen onverantwoord duur te zijn geweest. Volgens mijn vader – die mij voor de gelegenheid naar deze plaats reed – waren er zelfs bestuursleden van de stad ontslagen omdat dit project zo veel van het gemeentegeld had gekost.

De bibliotheek maakte een futuristische indruk. De deuren gingen van meters afstand vanzelf open, vrijwel alle muren waren van glas. En overal lagen stapels boeken, de meeste zo hoog dat je de bovenste niet kon aanraken. De medewerkster die mij een rondleiding gaf zei, met een onmiskenbare trots in haar stem: ‘Dat is precies de bedoeling. Uiteindelijk willen we boeken hier alleen nog als decor.’

Sindsdien zie ik de toekomst van het boekenvak zo voor me: een onbetaalbare ruimte vol stapels romans en kinderboeken die door niemand nog worden gelezen, die alleen maar dienen als decor.

Na afloop van mijn voorlezen kreeg ik een cadeau. Een boek, zo te zien. Omdat de medewerkster van de bibliotheek me zo hoopvol aankeek, pakte ik het ter plaatse uit. Het boek ging over de bibliotheek zelf en telde bijna zeshonderd pagina’s. ‘Dat is dik,’ zei ik.

‘Dit is ook een groot gebouw,’ zei zij.

Het boek gaf ik in de plaats zelf nog aan een toevallige voorbijganger.

’s Avonds laat, toen ik bij mijn voordeur stond, kwam ik een oud klasgenoot tegen. ‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij. En voor ik kon antwoorden zei hij: ‘Goed, hè? Ik ben je naam meermaals tegengekomen in de krant.’

Ik dacht aan onze middelbareschooltijd, nog niet eens zo lang geleden. Sommige klasgenoten waren voorgoed verhuisd naar het buitenland. Een ander was de politiek in gegaan. Weer iemand anders is onlangs getrouwd. Er is een oud-klasgenote overleden, een ander heeft in een pornofilm gespeeld, een derde werd onlangs moeder. Het is alsof we jaren bij elkaar zijn gehouden en toen in een keer werden losgelaten, dieren die plots hun plek moeten veroveren in de wereld en van schrik allemaal een andere kant uit hollen. Ik dacht aan de stapels onbereikbare boeken. Misschien zouden mijn boeken daar op een dag belanden, misschien was dat het eindpunt van de trein die ik jaren geleden ben ingestapt.

‘Ja,’ zei ik tegen mijn oud-klasgenoot. ‘Het gaat heel goed.’ En zonder een wedervraag te stellen stapte ik mijn huis in.

Jannah Loontjens Tirade’s Zondagse Gastblogster oktober 2014

Jannah Loontjens: romancière, dichteres, critica, essayiste, filosofe. En, met ingang van zondag 5 oktober 2014, Tirade’s Zondagse Gastblogster. Bereid je voor op haar blogschap door a) haar oeuvre te (her)lezen en/of b) haar website te bestuderen.

Jannah…. welkom! De Tirade redactie kijkt uit naar je Zondagse Gastblogs.

Straks plaatsen we de Laatste Zondagse Gastblog van Thomas Heerma van Voss – Thomas, dank voor alle plezier  die je hier vier weken hebt gebracht en tot ziens in de echte én in de virtuele wereld.

 

Zondagse Gastblog Oktober 2014 – wordt het saai, flauw, grauw, gewoontjens? Nee, nee, het wordt… Jannah Loontjens!

Auteursportret (gepikt van Twitter): Karoly Effenberger.

Boekpresentatie

Gisteren kwam mijn boek uit.

Mijn boek is uit.

De Val van Jakob Duikelman ligt in de etalages van minstens drie Amsterdamse boekwinkels.

Toen ik vanmiddag bij de Java Bookstore Wittgenstein’s Mistress bestelde en de verkoopster mijn naam vroeg, zei ze daarna: ‘Anne-Marieke Samson, die naam komt me bekend voor. Bestel je vaker bij ons?’ ‘Mijn boek ligt in jullie etalage’, zei ik zo nonchalant mogelijk. Alsof ik dat dat de normaalste zaak van de wereld vond. Ik vind namelijk dat ik dat vanzelfsprekend moet vinden. Ik wilde verder geen haarbreed toegeven dat ik inderdaad vaker boeken bij de Java Bookstore bestel.

Op de boekpresentatie in Athenaeum gisteren was ik dronken zonder dat ik daar veel bier voor hoefde te drinken. Ik was al enigszins bedwelmd door de zenuwen, en door de sloot bleekwater die mijn kapper kort daarvoor over mijn hoofd had gegoten. En vervolgens liet ik mij bedelven onder lovende woorden om daarna een stapel exemplaren te signeren terwijl ik af en toe om mee heen keek naar die zee van hoofden waarvan voorheen alleen ik wist dat sommige daarvan ergens een rol speelden in het verhaal. Opeens stonden mijn personages tegen elkaar te praten, geleund tegen een kast met Duitse boeken. Met op de achtergrond het gebrom van Jimi Hendrix op een volume dat acceptabel is in een boekwinkel. ‘Ik ben Jakob Duikelman maar ik ben niet gesteriliseerd’, hoorde ik Jakob tegen Rebecca zeggen. Ik ving op dat Mai aan Sander uitlegde hoe je loempia’s maakt. En ik zag de kale kop van Jeroen mijn kant op grijnzen. Dat soort dingen speelden zich voorheen af in mijn hoofd. En dat kijkje in mijn hoofd is nu te koop voor 19,95.

Radio 1 belde me. ‘Is je boek een blik achter de schermen van Justitie? Is je roman een aanklacht tegen de journalistiek?’, vroegen ze. Misschien had ik daar ja op moeten zeggen. Maar ik zei nee en daarom mocht ik vanochtend uitslapen. Geen nieuwswaarde. Al lijkt me dat eigenlijk alleen maar goed. ‘Wat wil je dat de lezer van je boek leert?’, vroeg literaire showmaster Maurice Seleky me tijdens de presentatie. ‘Niets, helemaal niets’, zei ik. Ik hoop echt van ganser harte dat niemand iets leert van mijn boek.

Nu, de volgende dag heb ik koppijn en een zeurende misselijkheid zwalkt door mijn maag. Ik blijf maar staren naar mijn scherm, maar in mijn hoofd is het stil. Want wat valt er nog te zeggen als je een boek hebt uitgebracht? Ik ben bang dat ik nu weer een nieuw boek moet schrijven.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Julia Buijs"
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.