Weerloos

Vorige week nodigde ik je hier uit om Tirade te volgen op Twitter of ons te ‘bevrienden’ op Facebook. Die uitnodiging werd gretig aanvaard: vele tientallen intellectuelen, Facebookende huisvrouwen (m/v), studenten en Zelfstandigen Zonder Personeel En Zonder Iets Omhanden begonnen ons stante pede te volgen.

En dat is dom.

Het was namelijk een val. Een lok-oproep.

We wilden alleen de digitale meelopers er even uitvissen.

Auteurs en aspirant-auteurs onder onze nieuwe volgers en vrienden kunnen toekomstige publicaties in Tirade dus wel op hun buik schrijven.

Hahaha, sukkels! Het was een val! EEN VAL!

Nee, hoor. Grapje. We vinden het juist hartstikke leuk dat je ons volgt/onze hartsvriend (m/v) bent en als nieuwe volger/vriend word je verzocht z.s.m. je fysieke postadres aan de administratie van Tirade door te geven, want om de neurodegeneratieve werking van de sociale media te compenseren, willen we je graag een Tirade Verrassingspakket voor de Complete Geestelijke Verzorging toesturen met daarin, onder meer, alle reeds verschenen delen uit de Russische Bibliotheek, zes jaargangen Tirade, een Cees Nooteboom kleurplaat (‘Opa Cees is tachtig jaar geworden… help jij hem alle kaarsjes een vrolijk kleurtje te geven?’), viltstiften, een glitterbril waarmee je op eigentijdse wijze de blits kunt maken in een van de vele boekendisco’s die ons prachtland rijk is, een hoela hoep om je moves mee te oefenen, en nog véél, véél meer…

Nee, hoor… grapje! Hahahaha! Zoek het gewoon lekker zelf uit met je sociale media, kan ons het schelen wat je daar uitspookt, zolang je je maar gewoon op Tirade abonneert, onze nummers leest, en het ge-eikel op dit blog een beetje volgt, vinden wij, vind ik althans, alles best.

Nee, hoor, grapje! Behalve dat laatste dan!

Godverdomme… ik weet zelf gewoon niet meer wat ik meen en wat niet…

Het is bijna griezelig!

Nou, goed… sla de alinea’s hierboven gerust over, het schrijvertje is warmgedraaid, dus dan kunnen we nu… beginnen! Joehoe! Hahaha! Kopje koffie, mijnheer Knol? Lekker Eline*, zet daar maar neer, dankjewel… zo, een vriendschappelijke pets op je secretariële achterste… klats!… en laat me nu alsjeblieft een minuutje of drie met rust, want ik moet even wat hoogwaardige ongein inkloppen voor de intellectuele voorhoede van Nederland (want dát mag ook weleens gezegd worden!).

Deze week een stukje onder de eenvoudig bedrieglijke titel: post.

Post

Toen mijn gezin en ik alweer viereneenhalf jaar geleden naar Florence* emigreerden – mijn kinderen, die kleine arrogante kutsnobs, zeggen altijd Firenze – maakte ik me vooral zorgen over de postbestelling. De Italiaanse posterijen, de Poste Italiane, zijn berucht (traag, onbetrouwbaar), zeker, maar tot op heden – knock on wood – is er nog nooit iets zoekgeraakt. Brieven, rekeningen, tekeningen, cadeautjes en pakketjes… het komt allemaal ongeschonden aan. Ook de post die wij naar Nederland, de VS en het verre oosten versturen bereikt, voor zover ik kan nagaan, allemaal netjes z’n bestemming.

      Vooralsnog.

Ik ben niet de eerste auteur uit de NED-LIT die eenmaal gevestigd in den vreemde een verhoogde belangstelling ontwikkelt voor het lot van zijn poststukken. Zo noteerde mijn al in de jaren zeventig geëmigreerde collega W.F. Hermans – die bij zijn vlucht uit Nederland bleef steken in Parijs – onder het pseudoniem Age Bijkaart in een stukje in Het Parool van 23-09-1978 (waarin hij onder meer de Franse en de Nederlandse posterijen met elkaar vergelijkt): ‘Zo weerloos als een brief in een brievenbus zou eigenlijk een staande uitdrukking moeten zijn. Psychopaten gaan soms de brievenbussen langs, gieten er een scheut benzine in, gooien er een brandende lucifer achteraan. Maar dit gebeurt niet dagelijks.’

Maar het gebeurt wel. Nog steeds. Ook in NL.

Zoals NRC Handelsblad – een krant die ik, gelegen in mijn Florentijnse hangmat, al uit heb (iPad, pdf) tegen de tijd dat de papieren uitvoering nog op de mat bij mijn Nederlandse vrienden moet vallen – vorige week, 29/07/13, berichtte, ik copy-paste: ‘Futloze bezorger steekt post in brand Door onze correspondent MAASTRICHT. Een bezorger van POSTNL heeft post voor adressen in delen van de dorpen Swalmen en Posterholt (bij Roermond) verbrand. De 26-jarige vrouw zei geen zin meer te hebben in het afleveren van de stukken. (…) PostNL heeft geen idee hoeveel post in vlammen is opgegaan. De meeste stukken zullen verloren zijn gegaan. Mocht er alsnog wat worden teruggevonden, dan wordt die post nabezorgd. PostNL zegt dat het gaat om een incident.’

Lachen!

Uitgerekend in de week dat de gedigitaliseerde versie van Jacques Tati’s klassieke postbodefilm Jour de Fête (1949) in roulatie ging. Over die film kunnen we, overigens/by the way, kort zijn: wie hem nooit zag móet ernaartoe. Wie hem al eens gezien heeft, wíl er naartoe. [En nu is het een kwestie van discipline om de afslag Il postino te negeren.]

het oude frankrijkIk ben zo ontvankelijk voor alle posttijdingen omdat ik net een boekje heb gelezen dat een Nederlandse kennis me had toegestuurd omdat het dorpje dat erin wordt beschreven hem wel wat aan Harkdorp deed denken. Het boekje, Het oude Frankrijk/ Vieille France, dateert uit 1933, is geschreven door Roger Martin du Gard (RMG) en roept een dag uit het leven van een postbode op. RMG spreekt zelf van ‘dit simpele album met dorpsschetsen’ en volgens de verantwoording is HOF/VF ‘het enige tragikomische boek’ dat hij, RMG, ooit heeft geschreven.

Ik kende Roger Martin du Gard – in 1937 werd hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend – alleen van het sterke De verdrinking, dat een jaar of vijf geleden in NL vertaling verscheen. Zijn werk – een oordeel dat ik inmiddels baseer op twee boekjes – doet wel wat denken aan dat van Proust en van Nabokov, maar is wat ‘gewoner’, ‘warmer’ , ‘menselijker’.

Vieille France beschrijft, zoals gezegd, één dag uit het leven van een postbode,  Paul Joigneau heet ie. Hij blijkt de spil van het dorp. Niet alleen omdat hij iedereen uithoort, maar ook omdat hij brieven open stoomt en de informatie die hij zo opdoet doorspeelt aan de burgermeester en inzet voor zijn eigen machinaties. PRISM avant la lettre. Toch is het niet, of niet alleen, dit kluchtige uitgangspunt dat Vieille France zo aardig maakt; Martin du Gard schetst mooie portretten van de dorpelingen – de eenzame oude man wiens kunstgebit niet meer past en die daarom, net als zijn kat, alleen nog maar in melk gedoopt brood eet, is onvergetelijk – maar vooral weet hij zijn personages, het dorp waarin zij wonen, de landelijke zomerdag waarop hij zijn vertelling situeert zo zintuiglijk en lichamelijk te beschrijven.

Moet je bijvoorbeeld kijken hoe mooi ie hoofdstuk XV opent:

‘Gedurende het kwartier dat Joigneau in die kroeg heeft gezeten, is de lucht betrokken. In het bos is het net een hete oven. Er zijn dichte zwermen muggen, net alsof het al aan het einde van de middag is; de geur van paddenstoelen blijft vlak boven de grond hangen. In het dennenbos knispert de rossige grond als beschuitkruim onder de fietsbanden, geen zuchtje wind beweegt de grote waaiers van varens die op hun spichtige stengels oprijzen.

‘Vooruit Pic! Hup, vooruit Mirabole!’ roept hij de honden toe, die hem met de tong uit de bek volgen en zich om de haverklap met een dof geluid op de grond laten vallen om dan meteen weer verder te gaan, hijgend en wel.

In de richting van Ville-Grande komt aan de horizon een grote donkere wolk opbollen. En terwijl Joigneau het dorp binnenrijdt, kondigt ver verwijderd gerommel het onweer aan.’ (2009;p.68)*

Vooral die ‘rossige grond’ die ‘als beschuitkruim’ onder de fietsbanden knispert’ vind ik prachtig.

Net als het ‘opbollen’ van die grote donkere wolk.

Er staan ook een paar nare, pijnlijke passages in het boekje. Maar ja: da kannie anders hè? Anders isset geen li-te-ra-tuur! Literatuur moet schuren. Anders kun je net zo goed de hele dag grote, zachte, zoete slagroomtaarten  gaan zitten eten en je grotemensenPamper vol poep scheten.

Het oude Frankrijk is niet meer leverbaar, maar je kunt het nog wel bestellen via boekwinkeltjes.nl  En dan maar hopen dat jouw postbode niet net op de dag dat ie jouw exemplaar van Roger Martin du Gards Het oude Frankrijk zou bezorgen, een of ander weiland of schoolplein oploopt om zijn lading kaarten, brieven, pakjes in de fik te steken.

Fin

‘God, wat leuk… het einde sluit aan op het begin… Geniaal is hij die de cirkel vierkant maakt, stelde Freek de Jonge ooit, maar fijn dat ie bij jou nog ouderwets rond is.’

‘Ja, jammer alleen dat jij de vorm nu tot een ei trekt, rekt door d’r nog een beetje achteraan te gaan zitten ouwehoeren.’

‘Sinds het Modernisme zien we een werk alleen nog voor vol aan wanneer het op zichzelf reflecteert.’

‘Dan zie je het maar niet voor vol aan.’

‘Wat ga je volgende week voor ons maken, mijnheer Chagrijn?’

‘Geen flauw idee. Geen stukje waarin ik aan het slot de opening nog even laat oplichten denk ik.’

‘Wat jammer. Je moet je nooit iets aantrekken van kritiek.’

‘En van goede raad?’

Tirade – als de post een cadeautje mag zijn.

‘Je klefste slogan ooit.’

Voor een lofzang op Pablo Bergers Blancanieves (2013) is hier helaas geen ruimte meer – dat komt een andere keer, mevrouw, mijnheer.

Noten

*Eline = Eline Struweel, p.a.

* Wij zijn destijds hiernaartoe verhuisd omdat hier, in het katholieke zuiden, veel meer markt is voor grote goochelshows, en voor circus in het algemeen natuurlijk (Zampanò! Zampanò!), dan in het sobere, fantasieloze, calvinistische Nederland; op het uitbundige, bonte aanplakbiljet waarop mijn voorstellingen worden aangekondigd staat zelfs (ik vertaal): ‘Er is maar één Italiaan die beter goochelt dan Martino Knollio – en dat is de paus.’

* Het oude Frankrijk  (vertaald uit het Frans door Jan Keppler). Vieille France (1933). In 2004 verschenen bij Comenius, in 2009 herdrukt door Uitgeverij L.J. Veen.

In de Oorshop

Huis

Het is de dag voor de warmste dag van het jaar. ’s Middags ga ik langs bij mijn oude huis, een middag lang op het trapje in de zon zitten lezen. In het huis is het nog net zo’n troep als voorheen. Er hangt een vochtige schimmelgeur in de gang naar het souterrain, de geur die je ook vaak in oude kerken ruikt, in vervallen kastelen – de geur van natte stenen. Het is een van mijn lievelingsgeuren. Op de binnenplaats houdt nu waarschijnlijk een vliegenplaag huis.

Yvo zit tegenover mij te lezen in een boekje van Jan Arends. Hij is net in het huis komen wonen, in mijn oude kamer, en vertelt lachend dat hij voor de gelegenheid een boek over Feng Shui heeft aangeschaft. Hij zegt dat hij een dichter wil worden. Ik zeg hem dat als hij nog diezelfde middag een gedicht weet te schrijven ik het morgen in mijn Tiradestukje zal opnemen. Uit zijn kamer pak ik Over het verlangen naar een sigaret van Rutger Kopland en begin te lezen.

En omgekeerd*

Een foto met een landschap van steeds meer ergens
verdwijnende bergruggen tot er niets meer is
dan ver verdwijnend licht

ik kijk en denk: dit moet dus zijn gebeurd
precies zoals ik het nu zie
één keer weliswaar maar toch

en omgekeerd: uit het licht in de verte komen
steeds meer bergruggen op mij toe
en stille gestolde golvende zee

is er dan niets gebeurd, is dit dan de wereld
die wij niet kennen, de wereld waarin
dat gebeurt wat wij niets noemen

maar wat zijn deze gedachten meer dan
een paar weemoedige veronderstellingen

Als ik de bundel uit heb zoek ik op welke films er die middag draaien. Wanneer de film die ik wil zien bijna begint sta ik niet op om naar de bioscoop te lopen. De hitte maakt me al de hele dag besluiteloos. Gelukkig is het bijna vijf uur, we mogen een biertje. Ik verschuif mijn stoel een stukje, zodat ik weer in de zon zit. Yvo’s gedicht is af, ik mag het lezen.

Verhuizing**

Ik wil niet meer weten hoeveel
slechte dingen zijn gebeurd hier,
zei ze, toen we de bank
en de grote kamerplant optilden,
de touwen bevestigden.

Toch lag het meer aan hoe ze
haar leven had ingericht
dan aan de grijze slaapbank
die we omlaag takelden.

Het weggooien van een dode plant
is als het noodlampje van de benzinetank uitzetten
wanneer het gaat knipperen,

las ik in een boek
over Feng Shui.

Ondertussen plukt Maurits de dode plantenstrengen uit de geveltuin. Nu Mary het huis ook heeft verlaten moet hij voor de planten zorgen, een taak die hij erg serieus lijkt te nemen. Er zit een kleine bij op één van de korenbloemen, die een beetje heen en weer hupst. Vanaf de Keizersgracht komt een boot met trommelende toeristen de hoek om gevaren. Ik voel me thuis waar ik niet meer woon. Het is echt een mooie dag. Rutger Kopland zou er zonder twijfel een gedicht over hebben geschreven.

 

* Uit: Rutger Kopland – Over het verlangen naar een Sigaret, Uitgeverij Van Oorschot, 2001
** Een gedicht van Yvo Greydanus

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Chicken Guy

Toen mijn beste vriend Gijs nog leefde en de bediening bij Toscanini deed, werd hem door gasten vaak gevraagd wat ze moesten bestellen. Ik herinner me de New Yorkse pater familias die – menukaart in hand – zei: ‘Lovely menu, but what do you think we should eat?’ 

‘Chicken,’ zei Gijs. 

Het had allemaal heel fout kunnen gaan, omdat het gezin in kwestie Afro-amerikaans was, maar de man (denk: de oom van Will Smith in The Fresh Prince of Bel Air) gaf Gijs het voordeel van de twijfel: ‘And why would you say that?’

‘See that guy over there working the grill?’

Potig, krulletjes, harige armen. Brandwonden op zijn vingers, en lippen glimmend van het vet. Arnaud. 

‘That’s Chicken Guy.’

Een brede grijns verspreidde zich over het gezicht van Uncle Phil. ‘Yes, I think we would very much like to have the chicken.’  

Ik heb geaccepteerd dat literatuur en koks niet erg samengaan. Ze vinden het leuk voor me, mijn collega’s, en komen graag op een presentatie, maar dat echte lezen schiet er vaak bij in.

‘Niet erg,’ zeg ik dan. ‘Ik ben ook niet zo geïnteresseerd in voetbal/honkbal/duiken.’ 

Mijn aanwezigheid bij Toscanini deze zomer is wegens ziekte en vakantie van andere koks. De periode dat ik er in dienst was ligt jaren achter me, en zo ook de laatste keer dat Arnaud en ik samenwerkten. Gisteren, na het schoonmaken van de keuken, zaten we nog even met een biertje voor de deur, Chicken Guy en ik.

‘Ik vind het tof, wat je doet,’ zei Arnaud.

‘Dank je,’ zei ik. ‘Het ging wel lekker. Mooie ham, ook.’

‘Nee, ik bedoel de stukjes die je schrijft. Ik lees ze elke week, en ik wou zeggen: mooie stukjes.’

Omdat mijn woorden het lieten afweten, heb ik Chicken Guy geknuffeld.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

The Querschnitt

Had Hemingway humor? Nee, of in ieder geval nauwelijks. Hoewel ene Jeffrey Meyers in 2004 in de Michigan Quarterly Review betoogde dat ‘his most underrated quality his lively sense of humor’ was, zou niemand Hemingway omschrijven als een humoristische schrijver. Daarvoor nam hij zichzelf en het leven veel te serieus.
           
De manier waarop hij in A Moveable Feast Scott Fitzgerald belachelijk maakt is weliswaar erg grappig en zijn venijnige beschrijving van Robert Cohn in het openingshoofdstuk van The Sun Also Rises is dat ook. Maar daarmee hebben we het wat de humor in zijn werk betreft wel zo’n beetje gehad. In For Whom the Bell Tolls (490 blz.) is bijvoorbeeld geen enkele goede grap te vinden.
            Eigenlijk is Hemingway het grappigste als hij het zelf niet doorheeft. Een mooi voorbeeld daarvan staat in Green Hills of Africa: een boek waarin hij in de traditie van Toergenjev enkele jagersverhalen bundelde, grotendeels gebaseerd op een maand safari in de jaren dertig in Oost-Afrika. Deel 1 en deel 2 van Green Hills of Africa zijn het meest de moeite waard, omdat hij daarin zijn jaagavonturen lardeert met allerlei opmerkingen over literatuur. Helemaal mooi wordt het wanneer hij het een met het ander verbindt: ‘It is not pleasant to have a time limit by which you must get your kudu or perhaps never get it, nor even see one. It is not the way hunting should be. It is too much like those boys who used to be sent to Paris with two years in which to make good as writers or painters after which, if they had not made good, they could go home and into their father’s business.’
            De onbedoeld grappige scène speelt zich een paar pagina’s hiervoor af. Tijdens de safari in Tanzania komt hij op een avond een Oostenrijker tegen. Deze Oostenrijker blijkt veel van literatuur te weten, wat goed uitkomt voor het verhaal. Hemingway biedt hem iets te drinken aan en stelt zichzelf voor. Dan komt er vervolgens deze dialoog:
            ‘“Kandinsky,” he said and bowed. “Hemingway is a name I have heard. Where? Where have I heard it? Oh, yes. The dichter. You know Hemingway the poet?”
            “Where did you read him?”
            “In the Querschnitt.”
            ‘That is me,” I said, very pleased. The Querschnitt was a German magazine I had written some rather obscene poems for, and published a long story in, years before I could sell anything in America.’
           
Hier moest ik erg om lachen toen ik het voor de eerste keer las.
Dat een of andere Oostenrijker, die hij ’s nachts bij een kampvuur in de savanne van Tanzania tegenkomt, zijn naam kent is op zichzelf nog niet eens zo heel opmerkelijk, want bijvoorbeeld A Farewell to Arms was drie jaar voor deze ontmoeting in een Duitse vertaling verschenen. Wat het nogal absurd maakt is dat deze Kandinsky hem kent vanwege een paar gedichten die ooit in de Duitse Tirade van de jaren twintig stonden, en die trouwens literair gezien op geen enkele manier interessant waren (zie hier voor een van die gedichten).
           
Vooral de zinnen ‘Oh, yes. The dichter. You know Hemingway the poet?’ zijn erg grappig. Zou die verdwaalde Querschnitt-abonnee dat echt zo hebben gezegd? In het voorwoord van Green Hills of Africa schrijft Hemingway dat geen van de gebeurtenissen en personages in het boek door hem verzonnen zijn. Anderzijds, een schrijver die voorin een boek het tegendeel beweert moet je ook nooit geloven.

Naakt, dansend

Groningen. Restaurant Mendini. De man met het wilde grijze haar heeft meer belangstelling voor de serveerster dan voor zijn echtgenote. Terwijl ze het voorgerecht voor hem neerzet, kijkt hij met hongerig enthousiasme haar blouse in en zegt:

‘Dat ziet er heerlijk uit.’

De maaltijd vordert – hoofdgerecht, dessert, thee – ik houd het echtpaar niet echt in de gaten. Totdat de vrouw het tafeltje verlaat om haar handen te gaan wassen en de man met het wilde grijze haar de serveerster wenkt.

‘Mag ik nog wat suiker? De thee is een beetje sterk.’

Ik zou hebben geantwoord: dan had je ’t zakje d’r niet zo lang in moeten laten hangen, lul. Maar de jonge vrouw heeft meer begrepen van dienstverlening & gastvrijheid en zegt: ‘zeker.’

Als ze hem een schoteltje met een paar papieren suikerstaafjes brengt, knoopt de man een gesprekje met haar aan. Of ze full time serveert? Nee, ze is ook kunstenares. Aha, zoiets dacht hij al! Ze heeft de Minerva academie gedaan. Hé, wat interessant! Schildert ze?

‘Nee, ik maak vooral videokunst. Dus ik schilder met de camera, zeg maar.’

‘Aha. En film je dan ook jezelf? Bijvoorbeeld naakt? Dus dat je voor de camera naakt aan het dansen bent als het ware?’

Mijn lach komt zo krachtig en onverwacht dat de roomsaus (carbonara) tegen de brillenglazen van mijn gesprekspartner spat (nogmaals excuses). Het antwoord van de serveerster:

‘Dat houd ik liever voor mijzelf.’

‘Tuurlijk, tuurlijk,’ zegt de man geschrokken, ‘de pappardelle was overigens heerlijk. En de panna cotta ook.’

Tirade – grote oren, sterke verhalen.

Volgende week:  de Spaanse sneeuwwitje, Zomergasten, Harkdorp óf Roger Martin du Gard (1881-1958)… maar misschien dat ’t toch een ander onderwerpje wordt… Hoei, spannend!

‘Ho, ho, wacht even… sterke verhalen? Is ’t allemaal verzonnen?’

‘Nee, het is echt gebeurd, naar waarheid en vermogen genoteerd… Alleen dat detail van het handenwassen klopt niet, in werkelijkheid ging de mevrouw naar buiten om een filtersigaret te roken… maar dat roken leek me geen goed signaal naar de lezers van Tirade.’

‘Hans Teeuwen zat gisteren bij Zomergasten ook gewoon te paffen .’

‘Ik denk niet dat ik me hetzelfde kan permitteren als Hans Teeuwen.’

‘Ik ga koffie halen. Jij ook? Of is dat ook ‘geen goed signaal’ naar de lezers van Tirade?’

‘Dubbele espresso.’

Aansluitend wat ceremoniemeesters op trouwpartijen, dagvoorzitters van congressen en groepsleiders van resocialisatietrainingen de ‘huishoudelijke mededelingen’ noemen:

lpOnlangs, afgelopen mei, organiseerde Perdu n.a.v. een stukje hier op de Tirade-blog een avond over De Filosofische Roman. Vier auteurs gaven hun visie op de FIL-ROM en gingen aansluitend met elkaar in debat. Perdu programmeur en gespreksleider Mathijs Gomperts schreef een verslag over die bijeenkomst dat hij publiceerde op Oote Oote. Je kunt de referaten van de auteurs terugluisteren op het YouTubekanaal van Perdu.

Verder: Tirade is ook actief op Twitter en op Facebook.  Je kunt ons daar volgen en bevrienden – en lezen wat anderen over Tirade schrijven.

Kéfalos, Kos, 19 juli – 26 juli

Op vakantie zijn er twee mogelijkheden:

– je komt los van je leven thuis & luistert met enig geduld voor jezelf naar jezelf. Het levert inzichten op en een paar kleine teleurstellingen (dit jaar weer je rijbewijs niet gehaald),

– het is elke dag 35+ graden waardoor je gedachten zijn ingedikt tot siroop en je overgeleverd bent aan zonnige gevoelens die je binnenwereld op den duur verdorren. Het resultaat is heimwee en/of grootse plannen voor de periode na thuiskomst: dit jaar eindelijk je rijbewijs halen.

Het vreemde is dat we onszelf uit onze context rukken met het idee dat we dan overzicht krijgen op wat we achterlaten, terwijl er ondertussen gewoon een nieuwe omgeving is die ons zicht vertroebelt. In mijn opschrijfboek maak ik een tekening van hoe dat er uit ziet: het verschil tussen vogelperspectief en louter verwijdering.

De maan komt in razend tempo achter de bergen vandaan, ze is vol. Ik complimenteer haar met haar snelheid, maar ben het natuurlijk zelf die draait.

D. merkt terecht op dat ik van mijn kinderlijke (kinderachtige) behoefte aan bevestiging af moet. Ik weet het wel, als je daar in doorslaat ga je alles met iedereen delen in de hoop op een goedkeurende knik, ook hetgeen je voor je had moeten houden. Dit soort dingen uitspreken zorgt voor een oneindige regressie, of misschien meer voor een eindeloos op en neer gaan, elkaar afwisselen van golven, waar je naar kijkt.

Ik ga jarig op de steiger zitten en fluister tegen de bergen dat ze me kunnen vertrouwen, in de hoop op een echo.

Als we van een afstand naar het heelal konden kijken zouden we haar misschien zien knipperen, heelal: steeds een jaar verdwijnen en daarna weer op precies dezelfde plaats verdergaan. Niemand die het ondertussen had gemerkt, want wij waren weg. Waarom maken we ons zorgen over solipsisme als we zo collectief in de maling genomen zouden kunnen worden?

Ik dagdroom over met mijn kinderen naar Italië rijden Als het ze lukt om tot de grens met Zwitserland geen ruzie te maken, geef ik ze een zakje ETOS-drop. Mijn geliefde knikt me vanaf de passagiersstoel goedkeurend toe. Als ik overmorgen thuiskom ga ik alles op alles zetten om nog voor het eind van de zomer mijn rijbewijs in handen te houden.

Alles op alles zetten is een logische onmogelijkheid.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Milo van Bokkum"
    Milo van Bokkum

    Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

  • "Foto van Ida Hondelink"
    Ida Hondelink

    Ida Hondelink is schrijver en performer. Ze studeert momenteel af aan de studie Writing For Performance aan de HKU. Reeds is ze actief als dichter en essayist op verschillende platforms en podia, waaronder Notulen van het Onzichtbare, Hard//hoofd, Dichters in de Prinsentuin, de U-Slam en de Nacht van de Literatuur. Haar werk is fantasierijk, maatschappijkritisch en heeft doorgaans een poëtische ondertoon.
    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.