Nu te koop: Tirade 449 – zomer 2013

tZon, zee, muggenspray. De hondsdagen zijn aangebroken. Misschien betekent dat dat we het vandaag verschenen nummer  van Tirade, Tirade 449, een zomernummer mogen noemen.

Het zomernummer is verschenen!

Tirade 449 bevat bijdragen van: Heather Bell, Walter van den Berg, Wim Brands, Nikki Dekker, Mathhew Dickman, Menno Hartman, Auke Hulst, Florian Illichmann-Rajchl, Sander Kollaard, Halbo Kool, Delphine Lecompte, Eva Meijer, Aki Ollikainen, Zoska Papuzanka, Carel Peeters, Stine Pilgaard, Liz Rosenberg, Brenda Shaughnessy, Richard Siken, Lize Spit, Leo Vroman en Joost Zwagerman.

Mocht je je nog niet op Tirade hebben geabonneerd: losse nummers zijn te koop in de boekwinkel en kunnen worden besteld via de site van Uitgeverij Van Oorschot.

Tirade – hemels.

Tirade brengt 5 nummers per jaar – wil je jaargang 57 veilig stellen, bestel dan ook nummer 448 en 447 .

In de Oorshop

Vier gamepoints

goran_23Ik ging tennissen met een advocaat. Hij tennist wekelijks en vertelt regelmatig over zijn avonturen op het gravel. Al een paar maanden lang zeur ik hem aan het hoofd of we niet een keer samen kunnen tennissen.
            ‘Dat kun jij helemaal niet,’ zei hij toen ik er de eerste keer over begon.
            ‘Ik wil het leren,’ antwoordde ik. ‘Misschien blijk ik wel een natuurtalent.’
            Pas na een stuk of tien van dit soort gesprekken stemde hij toe, zij het met tegenzin. In verband met eventuele reputatieschade (voor hem) mocht ik alleen op een vrijdagochtend met hem de baan op, als er verder toch alleen maar bejaarde vrouwen met parelkettingen waren.
            Bij Perry kocht ik een tennisracket. Mijn eerste contact met de tenniswereld begon wat onwennig, want in de winkel hield ik het racket naast mijn lichaam, om te zien tot waar het handvat reikte. ‘Ik heb wel eens gehoord dat het racket ongeveer tot je heup moet komen,’ zei ik tegen de verkoopster. Dat leek me een deskundige opmerking.
            ‘Dat is bij de junioren zo,’ zei ze terwijl ze geen blijk gaf van een enorme hoogachting van haar klant. ‘Het zou ook wel een erg lang racket worden, toch?’ Dit meisje was vijftien jaar jonger dan ik.
            ‘Ja, nee, tuurlijk,’ zei ik.
           
Op de grote dag zelf reserveerde de advocaat, in verband met diezelfde eerdergenoemde reputatieschade, een achterafbaan. Het was een tennisclub in het Vondelpark. De takken van grote bomen hingen over de hekken heen en vogels floten boven het geplok van tennisballen uit.
          
Aangezien mijn tegenstander dit niet zozeer als een tennisles zag maar meer als een training voor zijn volgende wedstrijd, was ik al snel voortdurend ballen aan het rapen die links en rechts aan me voorbij stuiterden. Misschien heb ik een vertekend beeld maar zonder ballenjongens ben je toch eigenlijk meer als een eekhoorn de ballen aan het verzamelen dan dat je werkelijk aan het tennissen bent.
         
Het werd uiteindelijk 6-0, 6-0. Ondanks deze nogal geflatteerde uitslag had ik na afloop, mede dankzij vier gamepoints, het idee dat ik toch lang niet slecht had getennist. Sowieso had ik, met uitzondering van dat ballen rapen, de tijd van mijn leven gehad. ‘Binnenkort weer?’ stelde ik voor, blij als een kind.
         
‘We zien wel even,’ zei hij afwezig.
         
Een paar dagen later had een gemeenschappelijke vriend van ons met hem afgesproken. ‘Hoe was het tennissen met Merijn?’ vroeg hij.
          ‘Hij was echt ontzettend slecht,’ zou de advocaat toen hebben geantwoord, maar het is een apocrief verhaal. Ik kan me niet voorstellen dat hij dat gezegd heeft.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Sorbet

Arnhem. De binnentuin van Dudok. Hoog boven onze hoofden het metersgrote doek dat gasten beschermt tegen de zon. Een boomstambar op zwenkwieltjes, het getinkel van couverts, glas, aardewerk en porselein. Mijn tafelgenote neemt een hapje van haar sorbet (mango, appel, citroenijs, verse vruchten (een stukje ongeschilde peer), slagroom) en zegt nadat het ijs in haar mond gesmolten en doorgeslikt is:

‘Waarom zweet jij niet? Je gezicht is nog helemaal droog.’

‘Omdat ik de auteur van dit stukje ben. Als ik geen zin heb om te zweten, dan zweet ik niet. In deze alinea’s volgt alles mijn wil. Kijk es naar je linkerschouder.’

      Met mijn schrijverswil laat ik het spaghettibandje van haar bruine schouder glijden. Ze trekt het weer op z’n plek.

‘Oké, grappig. Punt gemaakt. Toch zou ik míjn wil niet uitvlakken als ik jou was.’ Ze vist een vruchtje uit haar glas, vraagt: ‘Zijn jullie nog naar die Escher tentoonstelling geweest?’

‘In het Tropenmuseum? Ja. Was niet echt aan mij besteed. Eigenlijk kan ik alleen het cadeaupapier dat ie ooit ontwierp voor de Bijenkorf en zo echt waarderen… de rest vind ik toch te pretentieus. Of te pretentieloos eigenlijk.’

‘Puzzelkunst.’

‘Ja, ’t zijn net kruiswoordraadsels zonder teksten die werkjes van hem. Ze hadden wel goeie mango-shakes.’

‘Ook belangrijk.’

‘…’

‘En heb je Frances Ha nou al gezien?’ Het vruchtje is van haar lepel verdwenen. Ze buigt iets naar voren om een hapje van mijn appeltaart + kaneelijs te proeven.

‘Niet doen, combineert slecht met die kinderlijke vruchtensmaakjes van jou.’

‘Lekker juist.’

Ik aai één van de verdroogde lindebloesempjes die tijdens de fietstocht vanuit Velp in mijn haar zijn gewaaid van mijn shirt. Ik overweeg om nu, voor de grap, het andere spaghettibandje van mijn tafelgenote te laten afglijden, maar ik beheers me. Ze heeft dit jurkje (wit met een geel floraal motief) net gekocht hier ergens in het modekwartier. Haar oude jurk staat, in vloeipapier gewikkeld, in een cadeaudoos gevlijd, in een tas van karton gestoken, tussen haar linkervoet en de tafelpoot.

‘Eerlijk gezegd was ik die Frances Ha eerst vergeten, Tirade-collega Merijn herinnerde me er onlangs aan.’

‘En? In welk eindoordeel mogen de makers zich verheugen? Twee balletschoentjes? Twee van vijf?’

‘Kijk morgen maar op de Tirade blog.’

‘Flauw. Het zal wel weer 2/5 zijn.’

‘Hoe vond jij ’m dan?’

 

Mooi beeld: de mannen in de fietsenkelder waar ik mijn huurfiets later inlever kijken, omringd door honderden roerloze fietsen, een bevroren peloton, op het beeldscherm van hun computer naar het live verslag van de Tour de France.

En als ik ’s nachts de hond uitlaat, aan de rand van het park naar de hemel staar, zie ik dat iemand spaken in de maan heeft getekend.

 

frances ha‘Don’t pick at your face’ – Frances Ha (2013)

Film: Frances Ha (2013).

Regie: Noah Baumbach.

Genre: geen mublecore, maar er wel aan verwant. Gedraaid in zwart wit, net als Tabu.

Verhaal: Bridget Jones’s Diary, maar dan zonder liefdesgedoe. En zonder dagboek. En ook zonder Bridget Jones, eigenlijk. Mooi portret van vrouwenvriendschap:  ‘Don’t pick at your face!

Beste scène: die waarin Frances ’s avonds door Manhattan rent op zoek naar een pinautomaat omdat de kassa van het restaurant waar ze heeft gegeten haar credit card heeft geweigerd en zelfs – slapstick, de hoogste aller kunsten – uitglijdt.

Eindoordeel: best leuk. Twee nieuwe snijplanken (2/5).

Als Frances kerst viert bij haar familie in Sacramento zingt ze, met de rest: ‘I’m gonna let it shine, this little light of mine.’.

Kéfalos, Kos, 11 juli – 19 juli

 
Ik giet het laatste restje koffie in mijn mond en verlaat het terras van de Taverna bovenop de berg. Ik voeg me in de lange rij toeristen die op zo’n 30 meter afstand van elkaar in de berm lopen met een plastic tasje van Jimmy’s, de kiosk waar ik een half uur geleden ook boodschappen gedaan heb. De zon is boven op de berg een stuk warmer dan beneden aan zee, maar ik wil liever niet het risico lopen dat mijn nieuwe gympen verstoffen in het strandzand. De berm ligt vol met stukjes plastic, dorre takken en glasscherven. Het verbaast me hoe iets, de natuur, wat weliswaar leeft maar geen bewuste eigen wil heeft, zo’n oog voor detail kan hebben. Dan word ik rakelings ingehaald door twee zongebruinde Italianen op een squad.
 
Als ik weer bij het huis kom doe ik voorzichtig de deur open om D., die aan het werk is, niet te storen. Ik trek mijn schoenen uit en loop richting het bureau, waar ik de spullen die ik zojuist kocht op uitstal. Het zijn twee citronellakaarsen, een tube Colgate, twee flesjes cola, een reep Lacta-chocolade (het Griekse dochtermerk van Nestlé) en een slof Marlboro Light voor D., die zuchtend op bed zit en zegt dat hij emotioneel wordt van het boek dat hij schrijft. 
     ‘Jongen, ik werd net bijna overreden door zo’n squad,’ zeg ik.
     ‘Een quad.’
     ‘Pardon?’ 
     ‘Zo’n ding heet een quad. Een squad is iets heel anders.’ 
Ik loop hoofdschuddend de badkamer in, waar ik op de badrand onze beider scheermesjes naast elkaar zie liggen. Het zijn identieke Gilettes, alleen is de ene blauw, de andere roze. Ik vind dit zo ontroerend dat ik de mesjes oppak en mee de kamer in neem, waar ik ze aan D. laat zien. 
     ‘Moet je kijken, dit vind ik zo lief.’
     ‘Ja, echt heel erg lief.’
     ‘Zó lief. Het klopt gewoon.’
     ‘Als je dat ziet,’ zegt hij, ‘besef je dan niet hoe ziek jij eigenlijk bent?’
     ‘Hoezo?’ vraag ik.
     ‘In jouw badkamer zullen de rest van je leven twee roze scheermesjes liggen.’
Ik loop naar het oude keyboard in de hoek van de kamer en zet het demoliedje aan. Ik dans. D. heeft een gebroken voet, dus hij klapt in zijn handen.
 
’s Avonds zitten we op het terras en kijken naar de overkant van de baai, het maanlicht werpt een vreemde gloed over het zeewater, dat vanuit deze hoek nu meer op een besneeuwde toendra lijkt. Nadat we onze dagelijkse routine van Herman Brusselmans imitaties hebben doorlopen, besluiten we het al twintig jaar getrouwde echtpaar te spelen waar we steeds meer op beginnen te lijken.
     ‘Jij moet eens ophouden met zulk cognitief gedrag te vertonen,’ zeg ik.
     ‘Ik vertoon helemaal geen cognitief gedrag, ik vertoon alleen navenantie. Ik vind jou normalitair.’
     ‘Ik vind dat jij de egocentrifuge uit moet zetten.’  
     ‘Ik vind dat jij een koud biertje voor je man moet gaan pakken.’ 
     ‘Kijk,’ zeg ik, ‘als wij een Rorschach-test waren, dan waren we als het ware dezelfde vlek, maar ik was de vlinder, en jij was de vleermuis.’
     ‘Nee,’ zegt D. ‘jij was de vlinder, en ik was de butterfly.’ 
Daar kan ik niet tegenop. Ik neem een slok van de whisky die ik op het vliegveld kocht voor D.’s vader, die niet of nauwelijks blijkt te drinken, maar die wel heel aardig is en ons met 140 kilometer per uur over het eiland rijdt, terwijl een cassettebandje de klanken van Vangelis door de open ramen naar buiten stuwt.
 
Wanneer ik laat op de avond van de steiger af de zee in klim vraag ik me af of er ’s nachts wel vissen in de buurt van de waterkant komen. Overdag heb ik ze nog niet gezien, maar nu is het donker, en bij iedere kiezel die ik tussen mijn tenen voel schrik ik op en zwem een stukje terug naar het steigertrapje. Het is stil op het strand, ik ben de enige die zo laat nog gaat zwemmen, de wind die overdag als een koel briesje over het strand waait is gaan liggen. Ik denk aan het boek dat ik zo meteen in bed zal gaan lezen. 
 
De volgende dag loop ik, dit keer wel over het strand, maar op mijn slippers, opnieuw naar de kiosk. Het is warmer dan het was, maar ik heb er minder last van. Ik draag bovendien mijn hoedje. Ik loop langs de strand-kantina, langs de geïmproviseerde surfschool, en sla rechtsaf de weg in die tussen de vervallen bungalows van een failliete Club Med door omhoog kronkelt. Ik voel me lichtelijk schuldig omdat ik vandaag liever naar het geluid van mijn mp3-speler luister dan naar de krekels en de vogels, het geluid van palmbladeren in wind. Wanneer ik bij de weg boven aankom, druk ik mijn zonnebril nog wat beter op mijn neus en maak me op voor de laatste driehonderd meter die ik zonder de beschutting van de bomen en parasollen die langs het strand wel staan zal afleggen. Ik voel een klein stroompje zweet over mijn rug lopen, een prettig gevoel, en neem nog een slokje water. Terwijl ik het bandje van mijn rugzak wat losser doe, zie ik hoe in de berm een grote groep mieren en een enkele vlieg op één klein punt over elkaar heen krioelt. Ik doe een stap naar voren, buig me voorover en zie dat de mieren het gemunt hebben op het karkas van een groot platgereden insect, één vleugel is al helemaal vergaan. Het is een zwarte vlinder, een butterfly.
 

Pas mal – drie kortfilms van Wes Anderson

Drie kortfilms van Wes Anderson

Drie kortfilms van Wes Anderson. Geschoten voor Prada.

Associaties met François Truffauts Jules et Jim (1962) en (dus) Bernardo Bertolucci’s The Dreamers  (2003) lijken me gerechtvaardigd.

Voor ‘volledig scherm’ kun je op het venstertje rechtsonderaan klikken, naast het YouTube logo.

De filmpjes:

 

  

 

‘Wes Anderson? Is dat die van Hotel Chevalier?’

‘Dat is ’m.’

Militaire dagmars

Ik ben niet een enorm goede kaartlezer. Bovendien – maar het heeft misschien met elkaar te maken – heb ik volstrekt geen richtinggevoel. Zie ter illustratie bijgaande afbeelding. Blauw is de snelste route van IJmuiden naar Zandvoort en rood geeft onze dwaaltocht door de Kennemerduinen weer.
            Ik heb het altijd wel zo charmant gevonden om grote maar ook kleine reizen zonder enige voorbereiding te ondernemen. Maar het levert vaak wel gedoe op. Een paar zondagen geleden bedachten mijn vriendin en ik dat het een leuk idee zou zijn om met de draagvleugelboot naar IJmuiden te varen, vandaar naar Zandvoort te wandelen en vervolgens de trein terug te nemen naar Amsterdam. Kwestie van naar het strand lopen en vervolgens de kustlijn volgen, dacht ik. Hoe moeilijk kan zoiets zijn? Heel moeilijk blijkbaar.
            Het beginstuk van de wandeling blonk niet uit in schoonheid. Het voordeel van wonen in IJmuiden is dat de zee dichtbij is maar je wilt er niet dood gevonden worden. Een half uur lang liepen we door de schaduw van troosteloze flatgebouwen met plastic kozijnen. Zo nu en dan passeerden we agressieve hangjeugd of een te zwaarlijvige bejaarde in een rolstoel. Alle neringdoenden bewaakten het principe van de zondagsrust, met uitzondering van de snackbarhouders. Voor de frikadellenautomatiek was het een drukte van belang. Wij volgden ondertussen de bordjes ‘IJmuiden aan zee’.
            ‘Ik zie geen bordjes meer,’ zei ze op een gegeven moment.
            ‘Als we alleen maar rechtdoor lopen moeten we vanzelf bij de zee uitkomen,’ zei ik.
            Toen we dan eindelijk de laatste zelfmoordflats achter ons hadden gelaten, en we de duinen aan onze linkerhand hadden, waren we zo stom om de weg te vragen aan een lokale inwoonster. Ze stuurde ons het duingebied in – en naar later bleek heeft ze ons toen compleet de verkeerde kant op gedirigeerd.
          
Ik moest denken aan De heksen van eergisteren, waarin Douwe Dabbert door drie heksen steeds de verkeerde kant uit wordt gestuurd om vervolgens hopeloos te verdwalen in de duinen. Voor wie Douwe Dabbert niet kent: het is een oubollige strip over een bedaarde dwerg met een knapzak. Een oude basisschoolgenoot klaagt nog steeds wel eens dat ze bij mij thuis altijd deze, volgens haar erg saaie, strip moest lezen.
            Na een kwartier in de verkeerde richting te hebben gelopen, pakte ik mijn iPhone erbij. ‘Volgens google maps lopen we nu in de richting van Appelscha,’ zei ik.
            ‘Ik vertrouw jou en je iPhone niet meer zo,’ zei ze, ‘toen we over de Veluwe liepen heb je ons ook verkeerd laten lopen, toen kwamen we midden in de nacht eindelijk het bos uit.’ Ik moest toegeven dat ik in dit opzicht niet de beste credentials had opgebouwd.
            Niet veel later kwamen we twee robuuste vrouwen tegen, met stevige wandelschoenen aan, die de indruk wekten samen al heel Nederland te hebben doorkruist. We vroegen ze de weg naar de zee. Volgens hen liepen we goed, in weerwil van wat er op google maps te zien was. Mijn vriendin zei dat we die mensen maar moesten vertrouwen. Ze zagen er immers heel professioneel uit.
            Een paar uur later verdween de zon, werd het koud, begon het te schemeren, hadden we allebei last van onze voeten en zwierven we nog steeds op volkomen verkeerde schoenen door de duinen. Wat ik tot op de dag van vandaag niet begrijp is dat we die twee mannelijke vrouwen op een gegeven moment weer vóór ons zagen lopen. Terwijl we ze hadden ingehaald nadat we ze de weg hadden gevraagd. Bij Douwe Dabbert ging het precies zo. Ik vreesde dat we, misleid door drie heksen, voorgoed door de duinen zouden moeten dwalen.
            Maar aan het begin van de avond, nadat we al zo’n 10 kilometer gelopen hadden, kwamen we volkomen onverwacht toch eindelijk aan op het strand. Het was bij IJmuiden aan Zee, onder de rook van de hoogovens, daar waar onze wandeling had moeten beginnen.
            Terwijl we door de branding naar Zandvoort wandelden, voelden we ons allebei nogal gelukkig. Misschien ook omdat we nu moeilijk nog konden verdwalen.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.