En dan…slaat het om

Eergisteren was dan eindelijk het moment om De schim van Raamswolde ten doop te houden. Vijf uur, in de ‘tuinkamer’ van Uitgeverij van Oorschot. Ik had mij van tevoren behoorlijk nerveus gemaakt, maar de zenuwen verdwenen als kakkerlakken waar het licht op valt toen ik een stukje kon gaan voorlezen. Daarna, tijdens het signeren, kwam ik zelfs in een jolige stemming. Ik kreeg cadeaus (vooral drank), kaarten, warme handdrukken en knuffels. We proostten op een tweede druk, we dronken, we lachten. Het was goed. Nee, meer dan goed. 

Met zijn goudgele lichten leek de hele Herengracht te delen in mijn vreugde toen ik later met een volle klapkrat naar de auto waggelde. 

Voor we vertrokken deelden mijn vrouw en ik een sigaartje. Met het opbranden van de tabak, groeide in mij langzaam een onaangenaam gevoel. Ik herkende het, dit had ik altijd na een feest: klein verdriet omdat het afgelopen was. Niet te veel aandacht aan besteden. 

Tijdens het rijden was ik stil. We stopten bij een wegrestaurant, maar ik at weinig. Boven mijn ogen zwol hoofdpijn aan en ik was een beetje duizelig. 

Nadat we thuis de kinderen naar bed hadden gebracht, zei ik: ‘Weet je wat het is? Ik voel mij zo leeg. Had ik niet verwacht.’ 

‘Je hebt natuurlijk veel indrukken opgedaan vandaag,’ zei mijn vrouw. 

‘Nee, dat is het niet. Ik ben totaal niet moe.’ 

‘Toch de zenuwen misschien? Mensen gaan er nu iets van vinden.’ 

‘Daar ben ik, gek genoeg, helemaal niet zenuwachtig voor,’ zei ik. ‘Je moet zelf tevreden zijn met je boek en je uitgever moet er tevreden mee zijn. Daar gaat het om. Volgens mij heeft Wolkers dat ook eens gezegd.’

‘Ben je misschien bang dat je de noodzaak niet meer voelt om verder te schrijven?’

‘O nee, ik heb een paar ideeën waar ik zelfs heel erg de noodzaak van voel.’ 

Ik houd al jaren een klein archief bij met mogelijke plotlijnen, krantenknipsels waar misschien iets in zou kunnen zitten en jeugdherinneringen. Ook heb ik drie plannen van toekomstige romans op de plank liggen die blijven roepen om geschreven te worden. 

‘Ik denk dat ik gewoon heimwee heb naar het schrijfproces,’ zei ik. ‘Naar de concentratie die nodig is om stijlvast te blijven, het puzzelen, het spelen met woorden, het sleutelen aan de alinea’s.’ 

Hoe lang heb ik al niet geschreven? Toch zeker al sinds de zomer niet meer. Natuurlijk heb ik daarna de drukproeven nagelopen (en ik blog nu al enkele weken), maar dat telt niet als schrijven, wat voor mij betekent: opgeslokt worden door iets dat net zo groot en werkelijk is als de dagelijkse realiteit. 

Zoals ik wel vaker doe, zocht ik steun bij mijn boekenkast. Had Ilja Leonard Pfeijffer hier niet eens iets over geschreven? Ik meende mij zoiets te herinneren. In Het geheim van het vermoorde geneuzel? Of Brieven uit Genua? Ik bladerde door de boeken. Nee, hier stond het niet in… Ik pakte Hoe word ik een beroemd schrijver? van de plank. Op de eerste bladzijde bleef ik meteen al hangen aan een passage waarin Pfeijffer schrijft dat schrijven voor de echte schrijver een instinct is. Het is ondenkbaar om het niet te doen.

Ik las het luid voor. Klopt helemaal. Ook ik krijg het benauwd als ik een poosje niet schrijf. De afgelopen maanden ben ik continu onrustig geweest en heb ik mij uit verveling bemoeid met allerlei zaken die mij niets aangaan en conflicten uitgelokt. Als ik geen schrijfproblemen op te lossen heb, ga ik blijkbaar in het echte leven problemen zoeken. (Pfeijffer gaat zelfs nog een stap verder en vergelijkt schrijven met ademhalen. Ook hierin geef ik hem graag gelijk, maar dan zou ik door de mand vallen. Ik zou dan immers nu dood moeten zijn.)

Was dit wat mij dwars zat? Enkele pagina’s verder vond ik het antwoord. Wanneer een boek af is, zegt hij, is er niet alleen euforie, maar ook rouw. Dit laatste omdat hij op dat moment gelijk zijn interesse in het boek verliest. Het is dan aan anderen om het te lezen.

Verdomd. Ik besefte dat mijn zojuist gepresenteerde roman niet meer van mij was, maar van de lezer was geworden. Ik herinnerde mij nu ook een aardig interview met Allard Schröder waarin hij zegt dat het boek van de lezer is en hij er dus als schrijver niets meer mee te maken heeft als het eenmaal in andermans handen terecht is gekomen.

‘Lieverd, ik ben in róúw. Hallo? Hoor je wat ik zeg?’

‘Luid en duidelijk,’ zei mijn vrouw. ‘Daar moet je even doorheen, denk ik.’ 

‘Gelukkig heb ik net vier flessen whisky gekregen.’ 

‘Dat dacht ik niet!’ riep ze. ‘Die drank gaat achter slot en grendel, vriend.’ 

"Foto van Alexander Baneman"
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Japan: veel in weinig

(De wereld in stukken 42)

Beminnelijk hoe
de navigatiedame
zegt: ‘Take the left lane.’

Door de ruit van je snelle Mazda-automaat is de Fuji niet zo heel anders dan op een houtblokprint van Hiroshige. Er is nog niet eerder een landkaartkaart geweest denk ik, waar zo’n interessant land in zijn geheel op staat. Wat de beperking van 500 woorden zo pijnlijk doet gevoelen. Maar de uitkomst wordt bijgeleverd: de haiku. Die versvorm kan immers ook zoveel duiden en tonen op zo korte baan. Recent verscheen Matsuo Bashō Verzamelde haiku’s.

Inktviskruiken –
vluchtige dromen
onder de zomermaan.

Het boek verzamelt ze allemaal en geeft onschatbare context. De haiku is het kortste bewijs van wat opvallendst is aan Japan: alles is anders. En folkelt van vreemdheid. De reden waarom er rondreizen zo’n feest is: de voortdurende verbazing.

Zet de wc aan
verbloemend geluid zorgt voor
ontspannen verblijf

Ik ken een vertaalster die een prijs won en overwoog er twee Japanse toiletpotten voor te kopen, met een scala aan mogelijkheden: een hele reeks geluiden en muziekjes om de schaamte van lichaamsgeluid te kunnen helpen voorkomen, door het geluid te maskeren. En een scala aan douches voor de optimale lichamelijke hygiëne. Koud en warm.

Toe, winterbui, door-
drenk alle aanwezigen,
hoe koud ook dit huis

In weer en wind – de Ukiyo-e – de prints van beroemde kunstenaars als Hiroshige of Hokusai, tonen een wereld in zomer en winter die tegelijkertijd totaal verdwenen als overal nog zichtbaar is. In het Sieboldhuis in Leiden zag ik een tentoonstelling van vroege fotografie in Japan en het opmerkelijkste was dat in de opnamen bleek dat er in de veel oudere prints niet zoveel gestileerd is als je wel denkt: de stilering is in ieder geval ook in de fotografie die soms straatbeelden geeft echt aanwezig. Met andere woorden, tot aan de manier waarop mensen staan in die afbeeldingen, en die je nu afwijkend voorkomen, volgden ze de waarneming. Ook dat was anders. En is het soms nog.

Bestel je eten
bij de automaat vooraan.
Na de maaltijd: weg!

De wonderlijke restaurantervaring: vooraf betalen bij een machine, geserveerd krijgen en weglopen als je klaar bent. Iets wat eerlijk gezegd zeer goed voelt.

Bloeiende chrysant –
soms zelfs een gemarineerd
hapje bij de sake!

Over de keuken kun je rustig een leven lang nadenken. Of over het glazen potje met een sardientjesachtig dekseltje waar sake in zit. En dat je steeds gehechter aan dat drankje raakt.

Telefoonnummer
is de code voor tomtom;
elk huis een lijn.

Zoiets: dat verbaast al, je voert het telefoonnummer van het huis waar je heen wilt in, en dan kom je aan. (Op plaatsnaamborden navigeren valt zonder kennis van de karakters niet mee.) Het feit dat niet je nummer meeverhuist is al zo opmerkelijk dat je realiseert dat op deze diepte de al structuren, maar nog veel dieper* alles steeds anders is.

Na mijn vertrek
uit de hoofdstad was ik dagenlang
met de goden op weg.

De even haiku’s zijn uit Matsuo Bashō Verzamelde haiku’s. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Jos Vos.

Verder, een eveneens onmogelijke beperking in 5 titels:

Yukio Mishima Een zeeman door de zee verstoten
Sei Shōnagon Hoofdkussenboek
Jun’ichirō Tanizaki De brug der dromen
Haruki Murakami De opwindvogelkronieken
* lees hiervoor: Ian Buruma De spiegel van de zonnegodin

Naar kaart 43

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Hulpje en schrijver

‘Pap, ben jij dokter?’ vroeg mijn dochter jaren geleden. 

‘Nee, hoor,’ antwoordde ik. ‘Hoezo?’ 

‘Je werkt toch in het ziekenhuis?’ 

‘Jawel, maar dan hoef je nog geen dokter te zijn.’ 

‘Verzorg je dan de zieke mensen?’ 

‘Nee, ook niet.’ 

Ze dacht even na en riep: ‘O, dus je bent maar het hulpje!’ 

Mijn vrouw en ik lachten erom, maar pijnlijk was het wel een beetje. Vooral dat ‘maar’ – ‘maar het hulpje’. 

Ik heb nooit carrière gemaakt. Nooit willen maken, kan ik misschien beter zeggen. Sinds ik in 2010 in het ziekenhuis ging werken ben ik post- en archiefmedewerker. Ik ben in die dertien jaar nooit hogerop gekomen. Mijn functie is onderdeel van de Ondersteunende Diensten, dus ja: ik ben een hulpje. Het was ooit de bedoeling dat ik dit tijdelijk zou zijn. Collega H. wrijft het er altijd in als ik hem tegenkom. 

‘Loop jij hier nou nog rond, kerel?’ 

‘Ja.’ 

‘En je had zo’n mooie opleiding gedaan. Iets asociaals, toch?’ 

‘Sociologie,’ zeg ik dan trouw. ‘Uiteraard niet afgemaakt.’ 

‘Dat zeg ik. Studeren van mijn belastingcenten en het verdorie niet afmaken. Dat noem ik knap asociaal.’ 

Dan lacht hij luid, klopt mij op de schouder en vraagt of het goed met mij gaat. 

Vanaf het moment waarop ik besefte dat ik niets anders wil dan schrijven, heb ik mijn leven in dienst gesteld van die activiteit. Wie het een hobby noemt, heeft er niets van begrepen. Ik schreef verhalen en gedichten, stuurde deze naar de bladen, kreeg afwijzing op afwijzing. In wanhoop zocht ik contact met gearriveerde schrijvers. Sommige waren bereid mijn teksten te lezen en tips te geven. Ik móést publiceren, mezelf op de kaart zetten. Die publicaties kwamen er ook, in De Revisor en Tirade. Na een mislukt traject bij een andere uitgeverij werd ik opgemerkt door Van Oorschot. Ik kreeg het auteurscontract op mijn verjaardag. (Dat gegeven vatte ik op als een gunstig voorteken.) Ik begon aan de roman te werken die toen nog Eigen haard heette. Elke twee, drie maanden ging ik naar de uitgeverij om de voortgang te bespreken. Ik ontving lof (en boeken), maar ook (broodnodige!) kritiek. De laatste twee jaar nam het schrijven mij volledig in beslag. 

Afgelopen maandag stuurde Menno mij een appje: ‘Boek is er, Alexander!’

Samen met mijn gezin ging ik naar de uitgeverij. We hadden taart mee. Sonja, Marko, Emmelie en Yara waren er ook. Op de tweede verdieping, in het kantoor kreeg ik dan eindelijk De schim van Raamswolde in handen. De exacte woorden die toen uit mijn mond kwamen kan ik nu niet reproduceren; ik kan ze mij domweg niet herinneren. Misschien later wel, als de euforie wat gezakt is. Ik bladerde in het boek, draaide het rond, opende en sloot de flapjes. Ik rook eraan. We aten taart en babbelden wat, want het officiële moment vindt volgende week pas plaats. We luisterden naar de kinderen die volledig opgingen in hun eigen gesprek en totaal geen besef hadden van het feit dat ze zich op (voor hun vader) heilige grond bevonden. Er werd een foto genomen. Daarna was het tijd om naar huis te gaan. Ik kreeg twintig exemplaren van mijn roman mee. 

Op de keukentafel stalde ik de boeken uit. Gewoon om ernaar te kijken. Steeds weer. 

Dinsdagmiddag, toen mijn dochter samen met een vriendinnetje uit school kwam, lagen ze er nog. Ze pakte er een van tafel en zei trots: ‘Dit boek heeft mijn vader geschreven. Hij is schrijver.’ 

Kijk, dat klinkt toch heel wat beter dan ‘hulpje’? Collega H. ben ik deze week nog niet tegengekomen, maar ik denk dat er een einde komt aan zijn running gag

De schim van Raamswolde ligt 16 november in de betere (online) boekhandel. 

"Foto van Alexander Baneman"
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

‘De dorst iets op te vissen uit de afgrond van de tijd’ Lezen over Rusland

(De wereld in stukken 41)

Een hoge legerleider besluit in opstand te komen tegen de Russische overheid en stuurt een ultimatum dat de grote baas niet meer naar de ministers moet luisteren maar eist een gesprek met hem.  

Komt dit je bekend voor. Prigosjin en Poetin? Ja, Maar ook Luitenant Schmidt en Tsaar Nicolaas II. Luitenant Schmidt is een heel bijzonder een vreemd lang poëem waarin de opstand van de luitenant van de Zwarte Zeevloot centraal staat, na de revolutie van 1905. Schmidt houdt een gloedvolle rede bij de begrafenis van de revolutionair Bauman en wordt later gevraagd door muiters het bevel over te nemen. Zijn schip voert dan de vlag ‘Ik commandeer de vloot. Volg mij.’ Maar het loopt slecht af, zijn eis wordt niet ingewilligd maar hij wordt opgepakt en in 1906 op een eilandje geëxecuteerd.

Pasternak schrijft het lange gedicht in 1926. Majakovski is er wild van. Tsvetajeva heeft veel commentaar, maar draagt het wel een aantal keren voor. De correspondentie die Schmidt voert met Zinaida Riesberg speelt een belangrijke rol. Liefde en heldenmoed dus, echt Pasternak. Zij probeert hem in zijn verbanning nog te bereiken in een eveneens echt Pasternakse passage:

‘Waar ooit een pogrom heeft gewoed, baant naar het plaatsje Romny
De posttrein zich een weg, hij spoedt zich door de sneeuwjacht heen,
Buiten – kaarsstompjes vonken en de wervelwinden grommen,
De hete moeren fonkelen, het kwik danst op de rails.
Vuren en vonkjes knetteren, boven haar hoofd gaan vlagen
van rook achter de reizigsters over de wenteltrap.’*

Ze is op weg naar Otsjakov, waar het schip van Schmidt met dezelfde naam gebouwd is. Later zal ze op de Zwarte Zee langs het gedoemde eilandje varen waar hij dan al vermoord is.

 In de Russische literatuur zijn nog een paar van dergelijke politieke stukken die heel interessant zijn: Tolstoj’s Hadji Moerat, over een islamitische ‘War Lord’ avant la lettre die moet kiezen tussen zich voegen of zich doodvechten, een prachtige novelle, en een journalistiek long read avant la lettre. En natuurlijk de Kapiteinsdochter van Poesjkin, over de Poegatsjovopstand.

Russen over hun eigen geschiedenis. In Nederland kun je in het Verzameld Werk in zeven delen van Karel van het Reve – voor de gelukkigen die dat ooit in bezit kregen een aanhoudende bron van vreugde – of in de nu nog leverbare Geschiedenis van de Russische Literatuur of Karel voor beginners en gevorderden heel goed veel ‘secundairs’ lezen over Rusland. Van Oorschot voert al sinds jaar en dag De geschiedenis van Rusland van J.W. Bezemer die later steeds geüpdatet is door Marc Jansen die naast zijn Grensland Geschiedenis van Oekraïne nog twee boeiende boeken schreef bij ons: een geschiedenis van Georgië onder de titel Belaagd paradijs, en De toekomst die nooit kwam, hoe Rusland worstelt met zijn verleden.

Afijn, ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend.’

Tot mijn verbazing lees ik nu net op onverwacht plek dit: ‘De oorlog is derhalve onvermijdelijk het enige middel om Rusland bij te brengen dat Europa niet zal zwichten voor de ongebreidelde expansie van hun grondgebied en macht, en de constante dreiging van hun duizenden kanonnen en miljoenen manschappen.’** Een analyse van de Russische dreiging uit onverwachte hoek: een uitgebreide brief van Alfred Russell Wallace uit 1856 vanuit het Maleisisch eilandenrijk over de Krim-oorlog.

En l’histoire se répète. Eindeloos. 

*vertaling Margriet Berg en Marja Wiebes, **vertaald door Ruud Rook.

Ook lezen: Ryszard Kapuściński Imperium, ‘a personal, brilliantly detailed exploration of the almost unphatomably complex Soviet empire in our times.’

Op deze kaart: Verhovansk. Wikipedia zegt: ‘Tussen 1860 en 1917 werd ze vooral gebruikt als politiek verbanningsoord.’ Zucht. Echt elk dorp in Siberië lijkt ooit een verbanningsoord te zijn geweest.

Naar kaart 42

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een soort legpuzzel

En toen hadden we het zomaar over onze ouders. Hoe het precies gebeurde kan ik me niet goed herinneren, maar dat doet er ook niet toe.

Ik zat met mijn Amsterdamse neven en Utrechtse nicht in een kroeg. We waren eerder die avond op een verjaardag geweest. Het was de eerste keer dat ik echt met mijn Amsterdamse neven sprak. Vroeger, als kleine kinderen, hadden we elkaar natuurlijk zo nu en dan gezien, maar ja, toen waren we klein en hadden we niet zoveel met elkaar op. Mijn Utrechtse nicht zag ik vaker.

We hadden het eerst over onze grootouders. Misschien maakte dat de stap naar onze ouders kleiner. Onze grootouders woonden in Driebergen, in een rustige buurt, waar voor ons als kinderen niet veel te doen was (in totaal zijn er zeven kleinzonen en twee kleindochters). We hadden het erover hoe we elk muurtje in de buurt van het huis van onze grootouders wel hadden gebruikt als ‘buut’ bij verstoppertje. Hoe vaak we daar niet hadden gevoetbald, met jassen en sleutels als doelpalen, die we soms snel moesten opruimen als er een auto aankwam (ik verschoof de doelpalen van de tegenstander wel eens stiekem met mijn voet als niemand keek). Iemand memoreerde dat we ook eens boven in het huis achter een computer belandden waar we tetris speelden, met z’n allen op één toetsenbord. En dat we met Kerst vaak dia’s bekeken, op een scherm geprojecteerd. Hoewel we elkaar weinig hadden gezien, bleken we toch vele gedeelde herinneringen te hebben.

Maar we begonnen elkaar ook vragen te stellen. Over hoe wij ons onze grootvader, pake, herinnerden, die ons hele bestaan half-verlamd in een rolstoel heeft gezeten. Over waarom we eigenlijk niet vaker een familiereünie hebben gehad. Over de gelijkenissen tussen mijn vader en mijn oom (de vader van mijn Amsterdamse neven). We vroegen ons af of wij elkaar vaker hadden gezien als pake niet half-verlamd in een rolstoel had gezeten. Uit de verhalen van onze ouders kwam hij altijd naar voren als een verbinder, een man met veel energie die waarschijnlijk veel had georganiseerd om de familie vaak bij elkaar te hebben: verjaardagen, feestjes. Misschien hadden we dan wel eens met z’n allen Sinterklaas gevierd in Driebergen.

Naarmate het gesprek vorderde, had ik het gevoel alsof we met z’n allen een legpuzzel aan het maken waren. We begonnen de verhoudingen in onze familie te bekijken. Iedereen vertelde wat hij of zij wist over of vermoedde van de reden waarom bepaalde broers en zussen (onze ouders dus) een iets hechtere band met elkaar leken te hebben dan met de anderen. De een legde uit dat hun ooms en tantes, onze oudooms en oudtantes, er iets mee te maken hadden. Een ander vertelde dat hun grootouders, onze overgrootouders, ook veel invloed hadden gehad. Nu is mijn familie een hele gelukkige familie waar iedereen goed met elkaar kan opschieten, dus grote, smeuïge ontdekkingen heb ik niet gedaan, maar kleine verklaringen kreeg ik wel: voor gedrag, voor de irritaties die er soms – zoals in elke familie – zijn, voor bepaalde gebeurtenissen van vroeger.

Interessant genoeg heb ik de afgelopen tijd steeds vaker dit soort legpuzzelervaringen, niet alleen wanneer ik met mijn neven of nichten praat, maar ook als ik met oude vrienden spreek. Alsof het bevragen van vroegere gebeurtenissen en de menselijke relaties om ons heen ineens hele natuurlijke en logische gespreksonderwerpen zijn geworden. Met menselijke relaties bedoel ik zowel liefdesrelaties, als vriendschappen, als de band tussen broers en zussen, als ook gewone groepsdynamiek. Zo zat ik begin september met een oud-klasgenote in een café en toen hebben we veel gesproken over onze tijd op het gymnasium in Leiden. Onze schoolgenoten daar, de docenten, het milieu eigenlijk. Ook tijdens dat gesprek vielen er allerlei stukjes op hun plaats.

De gesprekken gaan vaak eerst over hele andere dingen: politiek, het nieuws, studie. Maar op een zeker moment buigt het gesprek af naar het gedeelde verleden en dan stelt een van de aanwezigen over een bepaalde gedeelde ervaring een vraag, en van het ene op het andere moment ben je aan het puzzelen.

Het komt natuurlijk door mijn – onze – leeftijd. We zijn oud genoeg dat bepaalde gebeurtenissen en/of spanningen tussen mensen, van vroeger of nu, ons opvallen. Bovendien zijn we oud genoeg om alles wat we vroeger hebben gehoord of op een andere manier ontdekt, te ordenen en met elkaar in verband te brengen. Ik weet niet of dat bewust of onbewust gebeurt, maar dat doet er ook niet echt toe.

Dat je samen met anderen puzzelt is wel belangrijk, omdat iedereen een eigen beetje kennis met zich meebrengt, waardoor het geheel duidelijker wordt. Want daar gaat het om: de samenhang wordt duidelijker. Of dat nu de relaties tussen broers en zussen betreft of de redenen waarom bepaalde mensen op zeker moment niet meer meegingen op familievakantie. Er worden verbanden getrokken tussen verschillende ervaringen en verschillende stukjes kennis. En dat is moeilijk om in je eentje te doen.

Daarnaast zijn we oud genoeg om serieus met elkaar over deze dingen te spreken. Misschien weerspiegelt dat ook onze behoefte om er over te praten. Of, wellicht is ‘behoefte’ een wat groot woord, en is ‘interesse’ beter. We vinden het interessant genoeg om het erover te hebben. Het geeft wat duiding aan vroeger en daarmee mogelijk aan het nu. Daarnaast is het ook gewoon een combinatie van herinneringen ophalen, wat altijd voor een vrolijke sfeer zorgt, en roddelen, wat eveneens vaak leuk is. Het hoeft niet in een hele serieuze sfeer plaats te vinden, wil ik maar zeggen.

Aan het eind van de avond, toen de kroeg bijna sloot, stonden we op. We besloten dat we maar eens een neven-en-nichten-dag moesten organiseren, om eens met iedereen van onze generatie samen te komen. Ik ga ervan uit dat we dan een nog grotere puzzel zullen leggen.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Leren eetlezen

Oké, ik beken: ook ik ben een van de mensen die weleens verkondigen dat ze met genoegen een voedingspil zouden slikken in plaats van driemaal daags een uitgebreide maaltijd te nuttigen. Eten is voor mij eerder een plicht dan een plezier. Ik neem genoegen met weinig, vergeet het zelfs regelmatig te doen, zeker wanneer ik aan het lezen of schrijven ben. ‘Eetlezen’, zoals Remco Campert de combinatie van deze activiteiten noemde, kwam op mij altijd over als een bijzonder onpraktische aangelegenheid, die uiteindelijk afbreuk doet aan beide. 

Door het nieuwe boek van Dwight Garner weet ik mijn literaire medestanders op dit gebied weer te vinden. Hier is Walter Benjamin, in de vertaling van Cyrille Offermans, scherp en speels (en streng) als altijd: ‘De krant kan men onder het eten eventueel nog lezen, maar nooit een roman. Dat zijn bezigheden die met elkaar in strijd zijn.’ Lord Byron beweerde dat hij geen smaakpapillen had, en Beryl Bainbridge bleef zo dun omdat zij er simpelweg niet in geloofde, eten. 

Garner, die al decennia als literatuurcriticus verbonden is aan The New York Times en soms ook culinaire essays en columns schrijft, bevindt zich helemaal aan de andere kant van het spectrum. Voor hem zijn eten en lezen van begin af aan verbonden, vandaar dat zijn eerste egodocument, The Upstairs Delicatessen, geheel in het teken van deze twee bezigheden staat. (De prachtige titel is ontleend aan Beat-criticus Seymour Krim, die zijn lezersgeheugen als zodanig typeerde; in vertaling zou het iets als ‘het kruidenierszaakje in de bovenkamer’ zijn.) Hij legt zijn vroegste herinneringen op deze gebieden vast, en komt daaruit naar voren als een papperige provinciale jongen die altijd in het geniep las, mede om te ontsnappen aan de verwachtingen van zijn traditionele ouders, en stapels detectives paarde aan rollen koekjes. Levenslang overgewicht wordt wel aangestipt als bron van schaamte (en jicht, niet te vergeten), maar de berustende toon suggereert dat zelfacceptatie al heeft plaatsgevonden, en dus niet voor de ogen van de meewarige lezer hoeft te worden bevochten. Het boek vertelt in plaats daarvan het bescheiden succesverhaal van een lezer die een schrijver werd, een jongen die uitgroeide tot een man, een vrijgezel die transformeerde tot een echtgenoot en vader.

In zijn inleiding schrijft Garner dat hij zich niet kan voorstellen dat mensen met mijn particuliere ‘karakterfout’ (aldus William Makepeace Thackeray) dit boek ter hand zouden nemen, waardoor hij niet de noodzaak voelt zich met het oog op hun leesplezier te matigen of in te houden. De uitgebreide verhandelingen over zijn tamelijk infantiel (of gewoon: Amerikaans?) aandoende eetgewoonten, inclusief lofzangen op volgeladen chili dogs, supermarktsushi en cola light, zullen voor niet-ingewijden dan ook behoorlijk bevreemdend kunnen zijn. 

Toch nam ik het boek mee nadat ik er in de Strand over struikelde en bladerde ik er de dagen daarna vrijwel voortdurend in, hardop fragmenten voorlezend aan wie zich maar in mijn omgeving bevond. Dat komt enerzijds door Garners uitstekende tekstselectie, en anderzijds door het enthousiasme dat hij als literatuurduider aan de dag legt. Zo wijst hij er graag op dat Toni Morrison de ideale consistentie van een zachtgekookt ei omschrijft als ‘wet velvet’ (proef die klanken even) en dat Kingsley Amis gerechten uit alle wereldkeukens drenkte in HP-saus, maar kan hij zich ook verliezen in essayistische uitweidingen over de betekenis van Amerikaanse diners in het oeuvre van Cormac McCarthy, of opbiechten nog immer ontroerd te kunnen raken door de Europese elegantie en souplesse waarmee Audrey Hepburn in Charade (1963) haar bestek hanteert: ‘This, one thinks, is what the poetical use of cutlery looks like. Her posture and manners are almost heartbreaking to observe.’ Al zijn evocaties van schoonheid laten zich uiteindelijk lezen als pleidooien voor stijl. 

In die hartstocht bleken we elkaar te kunnen vinden. Garner zegt te lezen uit ‘observation greed’, ofwel om zoveel mogelijk kennis over het leven te verzamelen; een aandrang die ik zelf meestal fundamentele nieuwsgierigheid noem. Zijn conclusie dat hij in wezen altijd die gulzig lezende en etende jongen is gebleven, is misschien niet heel verrassend, maar wel waarachtig, zeker voor mede-boekengekken. Op vergelijkbare wijze lees ik sinds mijn ontdekking van de literatuur als een kettingroker; halverwege het ene boek heb ik alweer het volgende voor ogen, en bij de slotpassage aangekomen ligt er in gedachten een heel nieuw stapeltje klaar waar direct aan zal worden begonnen. De metaforiek is anders, maar de honger hetzelfde. 

En geslaagde metaforen zijn aanstekelijk, merkte ik tijdens het lezen van The Upstairs Delicatessen weer eens. Ik hield op een gegeven moment stil bij een andere uitspraak van diezelfde Thackeray, namelijk dat hij romans als een soort geestelijk snoepgoed beschouwde. Terwijl ik een desolaat vliegveld afstruinde, in afwachting van een steeds verder vertraagde terugvlucht, dacht ik aan die woorden en probeerde ik hun waarheidsgehalte te peilen. Ze verleidden me ertoe om wat M&M’s te kopen, ooit door mij als hoogste gewaardeerd binnen het snacksegment, die ik met kinderlijk gusto verorberde bij het aanbreken van de volgende roman. Het is blijkbaar nog niet te laat om te leren eetlezen.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Zoeken

    Zoeken

    ’s Ochtends vroeg: we staan achter het hek en speuren door verrekijkers het weiland af. Het perceel lijkt ongemoeid, straks de boer maar even bellen wat zijn plannen ermee zijn. Er zitten kieviten op. Twee dofferts – mannetjes – duikelden zopas even door de lucht en streken erop neer. Vorige week vonden we al een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Roeien – een liefdesverklaring

    Roeien – een liefdesverklaring

    De encyclopedie van het geluk 30 Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over.  Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw....
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Julia Buijs"
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.

  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.