Truman & Marlon

‘Most Japanese girls giggle. The little maid on the fourth floor of the Miyako Hotel, in Kyoto, was no exception. Hilarity, and attempts to suppress it, pinked her cheeks (unlike the Chinese, the Japanese complexion more often than not has considerable color), shook her plump peony-and-pansy-kimonoed figure. There seemed to be no particular reason for this merriment; the Japanese giggle operates without apparent motivation. I’d merely asked to be directed toward a certain room. “You come see Marron?” she gasped, showing, like so many of her fellow-countrymen, an array of gold teeth. Then, with the tiny, pigeon-toed skating steps that the wearing of a kimono necessitates, she led me through a labyrinth of corridors, promising, “I knock you Marron.”‘

Zo begint The duke in his domain. Een verhaal van Truman Capote over Marlon Brando, verschenen in The New Yorker. Capote sprak de acteur in Japan waar hij was voor een filmopname. Het is een prachtig portret, omdat Capote journalistiek ernstig nam: een geschreven portret was geen bijzaak, een interview voor het tijdschrift van Andy Warhol ook niet. Capote heeft eens gezegd dat hij het vormgeven van een gesprek, een interview, een literaire uitdaging vond.

Aan het gesprek met Brando ging overigens een truc vooraf.
De binnenkomer.

Wie is die dwerg, moet Brando hebben gedacht nadat de schrijver was binnengelaten, wat wil hij van me?
Capote kakelde er op los, zo wil de overlevering, over zijn mooie moeder uit het zuiden van Amerika die niet goed voor hem zorgde… en zo verder, niet te stuiten.
Waarna Brando van de weeromstuit ook maar openhartig werd.

In de Oorshop

Vaders

Boeken zijn mensen. Deze week zat ik ergens te eten en er werd me toch een drukte gemaakt aan tafel door een vrouw die over werkelijk alles een mening had, vooral over boeken die ze volgens mij niet gelezen had. Er zat ook een zwijgzame man aan tafel die af en toe iets mompelde dat verloren dreigde te gaan in mevrouws kabaal. Maar wie goed luisterde hoorde dat hij behartenswaardige dingen zei.

‘Echte vaders’ van Gerard Janssen is een boek dat je makkelijk verkeerd inschat. Het ziet er mooi uit maar als je niet goed kijkt en leest is het mogelijk dat je denkt weer zo’n ideeboekje in handen te hebben. Gerard Janssen schrijft zoals hij praat. Ik weet dat, want ik ken hem inmiddels een beetje. Samen met zijn vriend Bas Albers verzorgt hij de muziek voor mijn radioprogramma op de zaterdagochtend. De Easy Aloha’s noemen ze zich. Misschien dat er nu een belletje gaat rinkelen?

Gerard studeerde natuurkunde. Hij praat met een mooi Zuid-Hollands accent heel terloops over ingewikkelde kwesties. Hij kan ze eenvoudig uitleggen zonder op z’n hurken te gaan zitten.  Z’n boek over vaders is net zo. Hij sprak ervoor ook met beroemde wetenschappers, waaronder een Amerikaanse cultureel antropoloog. Maar de beroemde wetenschappers staan rustig aan de zijlijn van z’n boek.

Een van de mooiste verhalen komt van de Griekse historicus Strabo die rond het begin van onze jaartelling schreef over het vreemde gedrag van Baskische vaders. ‘Een aanstaande vader ging in foetushouding op een bed liggen kreunen en jammeren als zijn vrouw op het punt stond te bevallen. Vrienden en familie vonden dat volstrekt normaal en fluisterden hem bemoedigende woordjes toe. Ze gaven hem schouderklopjes en cadeautjes, terwijl ze de jonge moeder en het pasgeboren kind aan hun lot overlieten.

Later in het boek legt hij uit dat de hormonale huishouding van mannen verandert als hun vrouw bijna gaat bevallen.
Mooi boek. Het toverde ook een verhaal tevoorschijn dat ik was vergeten. Lang geleden was ik rechtbankverslaggever. Op een maandagochtend verscheen er een man voor de kantonrechter die een boete kreeg omdat hij zijn kind te laat had aangegeven bij de burgerlijke stand. Waarom, wilde de rechter weten. De man vertelde dat hij kort na de geboorte tot niets meer in staat was geweest. Hoezo, wilde de rechter weten, en wat had hij dan gedaan? Nou, zei de man, ik heb dagen op de bank gelegen, volgens mij had ik een postnatale depressie.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Rode kruiwagen

Ik kende een man die vlak voor hij stierf steeds slechter ging zien.
Zijn ogen braken.
‘Geef me m’n leesbril’, zei hij kort voor zijn dood. ‘Nu zie ik echt niets meer’.

William Carlos Williams heeft een soortgelijk verhaal verteld over zijn grootmoeder. Ze wordt in een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, en zegt:

Wat zijn dat daar
Voor wazig uitziende dingen?
Bomen?
Nou, die ben ik zat
En draaide haar hoofd weg

Ik had Williams graag een keer gesproken, maar gelukkig praat hij veel tegen mij:

Er hangt zoveel af
van
een rode krui-
wagen
glanzend van regen-
water
naast de witte
kippen

gedicht

Op verzoek van Karel Eykman heb ik een reeks gedichten voor kinderen geschreven.
Ik heb zeven manieren om een gedicht te maken bedacht.
De vijfde gaat als volgt:

Voer een telefoongesprek met een vriend
of vriendin, luid vertel je hoe het was

op school, wie wat zei tegen wie, wie verliefd
is op wie, wie boos op wie, totdat je vader,

moeder, broer of zus, vraagt of je bijna klaar bent.
Bijna, zeg je. Het is een mooi gesprek,

maar er is niemand aan de andere kant
van de lijn.



Ik herinner me

Ik herinner me hoe ik, vijf jaar oud, aan de hand van mijn grootvader het dorp uit wandel, op weg naar de kippenboer. Het is al donker. We komen een man tegen die ik niet ken, en ik vraag aan mijn grootvader of dat Jezus is.
Ik herinner me….

Het is verslavend, prevel de woordenen en duik in het geheugen. De Franse schrijver Perec maakte zo een boek: Je me souviens. Maar het idee had hij van de Amerikaanse schrijver en kunstenaar Joe Brainard: I remember.

‘I remember the first time I met Frank O’Hara. He was walking down Second Avenue. It was a cool early Spring evening but he was wearing only a white shirt with the sleeves rolled up to his elbows. And blue jeans. And moccasins. I remember that he seemed very sissy to me. Very theatrical. Decadent. I remember that I liked him instantly.’

Ik kwam Brainard weer op het spoor toen ik in The Paris Review collages zag van de dichter John Ashberry. In veel ervan gebruikte hij iets uit cadeautjes die hij had gekregen van Brainard.

De schoorsteen

Ik lees over het wonderbaarlijke leven van Thaddeus Lowe, de man op wie het meest werd geschoten tijdens de Amerikaanse burgeroorlog. De man ook, die tijdens die burgeroorlog in een ballon surveilleerde. Shane Jones schreef een boekje waarin hij als personage voorkomt. In die roman van Jones is het ook nog eens altijd februari.
Wat een combinatie!

Dit boek, zijn debuut, werd aanvankelijk uitgegeven door een kleine uitgeverij in Baltimore. En is inmiddels een bestseller. Penguin nam Jones onder zijn hoede. Ik zag het in mijn boekhandel liggen. Las een paar regels, aarzelde, vertelde dat aan een bekende die toevallig opdook en kreeg te horen: ‘als je aarzelt altijd kopen, anders krijg je later spijt’. Ik heb inderdaad geen spijt. ‘Light Boxes’ heet het. Hieronder een gedicht van de schrijver.

Er woont een man in ons dorp die vandaag begon
met het bouwen van een schoorsteen om zich heen.
Toen de schemering viel hoorde je het schrapen
van de troffel – de schoorsteen komt tot zijn middel.

(vrij naar Shane Jones)

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • "Foto van Dünya Calikci"
    Dünya Calikci

    Dünya Calikci (28) is een echte Amsterdammer en schrijver pur sang. Als student aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU schrijft ze rauw, eerlijk en realistisch – altijd dicht op de huid. Haar werk draait om echte mensen en hun verhalen, zonder opsmuk of filter. Dünya zoekt de kwetsbaarheid op en vangt het alledaagse in woorden die blijven hangen.