Stapelen

Zo meende ik het te begrijpen: ‘We zijn torens van meerdere verdiepingen, waarbij elke verdieping de vorm heeft van onze begane grond. Zoals we ons grondvesten, zo klimmen we op.’ (In De gelukkigste klas.) En zó meende ik dat, regels later, te moeten betwijfelen: ‘Ik blijf onzeker over de toekomst van ieder kind, per definitie. Mijn onzekerheid is misschien wel mijn principiële weigering doembeelden te zien, het is mijn theorie van hoop. Vooral voor de kinderen die de palen van hun fundament in drijfzand hebben moeten heien […].’ Het verklaart waarom de soort waartoe ik behoor, nadat kinderen van school zijn gegaan, behoefte heeft aan weerzienverhalen.

Onlangs werd een aantal collega’s op scholen naast en vlakbij de mijne verrast door een opmerkelijk weerzien. Ineens bleek een oud-leerling beëdigd als onderwijsminister! Op zijn vijfendertigste! Als oud-mavoleerling! Wie had dát gedacht? Al in zijn eerste week bracht de excellentie een bezoek aan zijn vroegere basisschool en zullen onderwijzersharten aldaar van vreugde zijn opgesprongen.

Regelmatig komen oud-leerlingen bij ons langs. Ik tref ze ook wel op straat of in de winkel, maar plotseling in het landelijke nieuws, met hun kop op tv – dat is me in dertig jaar slechts twee keer gebeurd. De eerste keer ging het om een jongen die bij zijn debuut voor Feijenoord 1 een schitterend doelpunt maakte en na de wedstrijd voor de camera’s van het Sportjournaal werd geïnterviewd. Dat-ie voetbalde, wist ik; dat-ie zo goed geworden was, had ik nooit bevroed.

De tweede keer werd ik op een avond door een collega geappt: ‘nu de tv aan, sbs!’ Ik gehoorzaamde en zag een jongeman het beeld in schuiven; ik herkende hem onmiddellijk. Door zijn groeistoornis torende hij in groep acht al boven mij uit en bleek hij, jaren later, inderdaad de flat die ik verwacht had. Hij had verkering met een lief meisje en woonde bij haar en haar ouders in. Het was duidelijk dat ze het moeilijk hadden – financieel, psychisch, maatschappelijk. Het sbs6-programma – Straatarm, steenrijk – probeerde hun bestaan tijdelijk te verlichten door ze een aantal dagen van huis en budget te laten ruilen met een stel dat in Monaco woonde. Had het programma het armoeiige onderkomen van hun bestaan nu met een verdiepinkje opgehoogd? Goedbedoeld waarschijnlijk, maar tegen de tijd dat ik er kennis van kon nemen was hun penthouse natuurlijk al lang en breed weer afgebroken. De empathie die het vooral bij de rijkaards zou moeten opwekken was gratuit en de tranen van mijn reus, toen hij in een privéhelikopter boven Droomland vloog, konden niet anders zijn dan tranen om het Drijfzand waarvan hij wist dat hij daar onherroepelijk weer in zou landen.

Ik geloof dat geen van de deelnemers aan het programma zich werkelijk heeft kunnen inbeelden hoe het zou zijn dat andere leven te leiden. What Is It Like To Be a Bat?, vroeg de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel zich af. Er zitten grenzen aan onze empathische vermogens. In het verlengde van Rudy Kousbroeks uitleg in ‘Einsteins poppenhuis’: we kunnen ons misschien voorstellen hoe het voor ons is om een hele dag in het klamme donker op onze kop te hangen, maar niet hoe het voor een vleermuis is om dat te doen. Steenrijk kunnen we ons niet voorstellen hoe straatarmen straatarm zijn. Het is op dezelfde manier onmogelijk als om een voorstelling te hebben van hoe een ander zich zal stapelen. We kijken toe, moedigen aan en zien, hopelijk bijtijds, wanneer iemand onverhoopt begint te wiebelen.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

In de Oorshop

Zullen hebben gekozen

Ik geef niet zoveel om logische puzzels, maar er is er één die me erg aan het hart gaat. Aristoteles formuleerde hem voor het eerst in zijn De interpretatione, ongeveer op de volgende manier: ‘Als het waar is dat er morgen een zeeslag plaats zal vinden, dan was dit gisteren ook al waar, en vorige week, en vorig jaar. Maar alle dingen die in het verleden waar zijn, zijn noodzakelijk waar. Dus het is noodzakelijk waar dat er morgen een zeeslag plaats zal vinden.’

Deze puzzel, die bekend staat als het probleem van toekomstige contingentie, gaat over de verhouding tussen tijd en waarheidswaarde: wordt een voorspelling pas waar zodra ze ‘uitkomt’, of was ze dat daarvoor ook al? Dit is een kwestie die niet alleen voor logici interessant is, maar voor iedereen die weleens terugkijkt op de manier waarop hij naar de toekomst vooruit heeft gekeken. Ze wijst op het wonderlijke feit dat de toekomst, die ons vloeibaar voorkomt, stolt zodra ze geschiedt en tot het verleden gaat behoren.

Vorige week las ik Clara Egginks Leven met J.C. Bloem – zomaar, eigenlijk, want ik ben van Eggink noch Bloem een bijzonder groot liefhebber, maar ik kwam het boekje de laatste keer dat ik in Amsterdam was tegen in een van de opruimbakken van Brinkman en nam het mee. Tijdens het lezen bedacht ik me dat het probleem van toekomstige contingentie in memoires altijd sterk voelbaar is, en dat dit de aantrekkingskracht die het genre op me heeft misschien verklaart. De schrijver van memoires blikt immers terug op een verleden waarin ambities, fantasieën en levensbeslissende keuzes nog niet (waar)gemaakt zijn, maar doet dit vanuit een moment in de tijd waarin alles wat te gebeuren stond gebeurd is, en dus noodzakelijk lijkt.

Eggink is bij vlagen een nogal vervelende schrijver; soms klinkt ze als een oude buurvrouw die op samenzweerderige toon saaie anekdotes vertelt. Maar uit haar schrijven kan alleen maar geconcludeerd worden dat Bloem een nog veel vervelender mens moet zijn geweest, Egginks pogingen om een overwegend positief beeld van hem neer te zetten ten spijt. Zo komt hij bijvoorbeeld over als het type man dat enerzijds meent dat vrouwen niet in staat zijn om zelfstandige keuzes te maken, en anderzijds zelf te afhankelijk en pueriel is om zonder de zorg van een vrouw te kunnen leven (wat natuurlijk vaak twee kanten van dezelfde munt zijn). Eggink is over het algemeen niet al te kritisch over dit gegeven, hoewel er soms een beetje terechte bitterheid in haar schrijven doorschemert: ‘Hij en zijn vriend Gerard Zalsman hadden bedacht dat zij, ieder met hun zoon, [in Katwijk] wel een tijdje konden doorbrengen en zij hadden daartoe een huis gehuurd. Maar toen het erop aan kwam, ontdekten ze dat ze niemand hadden om voor hen te zorgen en ik kreeg een telefoontje of ik maar komen wilde.’

Eggink besteedt veel tijd aan het beschrijven van de huizen waarin ze samen met Bloem heeft gewoond, op uiteenlopende plekken in Nederland: Rotterdam, Sint Nicolaasga, Breukelen, Katwijk, Kijkduin, Kalenberg. Ik vond dit verreweg de leukste stukken in het boek, wat ongetwijfeld te maken heeft met het feit dat ik zelf volgende maand zal moeten verhuizen en momenteel nog naar een nieuwe woonplek op zoek ben. Als je te maken hebt met onzekerheid over de (nabije) toekomst kun je jezelf geruststellen door jezelf die toekomst in te projecteren, wanneer wat nu nog ongewis is als noodzakelijk zal verschijnen: ‘over een tijdje zal dit voorbij zijn, er zal een moment komen waarop je hier kalm op terug zult kunnen kijken.’ Ik kijk naar mijn bureau: binnen een maand zal het ergens anders staan, op een plek die ik me nu nog niet voor kan stellen, maar die er wel is.

Ook denk ik terug aan mijn vorige verhuizing, die veilig in het verleden ligt. Ik kwam net in Nijmegen wonen en verbleef eerst een paar maanden op zolder bij een welgestelde kunsthistorica, in wier glanzende keuken ik niet goed durfde te koken. Ik bezichtigde denk ik een stuk of tien kamers, studio’s en appartementjes voordat ik de plek vond waar ik de afgelopen tweeënhalf jaar gewoond heb. Na de bezichtigingen heb ik bijna nooit meer aan deze ruimten teruggedacht, maar nu haal ik me ze opeens weer scherp voor de geest. Ik herinner me hoe ik de weinige meubels die ik had steeds in verschillende configuraties als hologrammen in die ruimten projecteerde en me voor probeerde te stellen hoe het zou zijn om daar te wonen. Maar ik ging er niet wonen, en de toekomstigheid die deze plekken bij de bezichtigingen in zich droegen werd irrelevant en stierf af als een tak aan een evolutiestamboom, een mogelijke wereld die geen werkelijkheid werd.

Bloem schrijft in zijn gedicht “Aanvaarding” (niet van een aangeboden woning, van de dood natuurlijk, maar toch) het volgende:

Want ik wist door een keuze verloren
Ieder ander verlokkend bestaan.
Ik heb dan ook niets verkoren,
Maar het leven is voortgegaan.

Natuurlijk werden er in Bloems leven wel degelijk keuzes gemaakt. Eggink schrijft: ‘In het voorjaar van 1928 vatte Jacques het plan op om buiten te gaan wonen en te zien van zijn pen te leven. Hij had een bovenhuis gevonden in Loenen aan de Vecht, waar hij heel enthousiast over deed. Ik heb het nooit gezien. Het scheen aan de dorpsstraat boven een poort aan de rivier te liggen. Ook hebben we nog eens in Driebergen en Soest rondgeneusd.’ Uiteindelijk komen ze echter terecht in het Friese gehucht Sint Nicolaasga. ‘Wij hebben er drie jaar gewoond.’

"Foto van Kyrke Otto"
Kyrke Otto

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen en is momenteel werkzaam als docente en promovenda aan de Radboud Universiteit, waar ze onderzoek doet naar de rol van aforistische schrijfvormen in de Lebensphilosophie-beweging. In bredere zin interesseert ze zich voor kwesties van genre, stijl en methode en de relatie tussen filosofie en literatuur. Essays en gedichten van haar hand verschenen o.a. in De Gids, De Nederlandse Boekengids en Tirade.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Overkomen

Vroeger kwam ik regelmatig arrogant over. De eerste keer dat ik dit oordeel geserveerd kreeg was in een werkgroep van mijn studie, en ik weet nog dat ik er enorm van schrok. Omdat ik niet wist waarmee ik die indruk had gewekt, hield ik me in de maanden erna ontzettend in bij nieuwe mensen.

Maar die voorzichtigheid sleet, waarna ik vanzelf weer iemand tegenkwam die me – meestal via anderen – liet weten dat hij of zij me een hele arrogante jongen vond. Ik snapte er niets van. Natuurlijk wist ik dat ik stellig kon klinken, maar ik ben een geboren twijfelaar. Ik maak me zorgen over álles, niet in de laatste plaats over mijn rang in het sociale.

De kritiek kwam nooit van extraverte personen – vaak was het degene in een groepje die geen woord tegen me had gezegd. Ik concludeerde dat men zich overschreeuwd had gevoeld, en besloot mijn mond vaker te houden, zodat iedereen aan het woord kon komen.

De zwijgers bleven zwijgen, en zo nu en dan ook klagen over mij. Ik besloot ze maar te mijden om verdere frustratie te voorkomen, en toen ik nog in die knetter-extraverte horeca werkte ging dat best makkelijk. Maar het leven zou het leven niet zijn als ik de horeca niet verliet en verder ging als schrijver en docent.

Omdat ik het leven al zag aankomen, zocht ik naar manieren om beter met de zwijgers om te gaan. Hun boosheid leek voort te komen uit het gevoel dat ik hen niet zag staan, over hen heenkeek – toch de meest fysieke uitdrukking van arrogantie. Wat als ik de introverte in een groep meteen identificeerde en contact met hem of haar maakte?

Deze aanpak lijkt te werken, en er zitten heel interessante figuren tussen die introverten. Iemand die angst om zich uit te spreken moet overwinnen, blijkt me vaak meer te kunnen raken dan iemand voor wie dat geen probleem is.

Beeld: Roos Van RijswijkMeet the parents. De vrouw in deze foto is auteur Sun Li. Zij is geen stil persoon.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Onder de opper

De storm stak vannacht op, de bus waarin we sliepen begon als een stampend schip heen en weer te bewegen, rukwinden gierden onder de zonnepanelen door en we hoorden de bomen op het erf ruisen. Toch even op de dijk kijken, wat is dat toch die drang altijd? Warre goed ingepakt en stevig aan de hand liep ik naar de auto.

Dezelfde tocht als altijd als ik ga varen. Als er slecht weer wordt voorspeld eerst even op de dijk kijken hoe de Schelde er uitziet. Je kan duizenden weerberichten downloaden en met elkaar vergelijken, maar soms moet je ook je kop uit het luik steken, hoorde ik een andere schipper alweer jaren geleden zeggen. Dat is iets waar je op zee altijd automatisch mee bezig bent, zelfs al je in je hut ligt te slapen: hoe ligt het schip in de golven, hoe hoog zijn de golven, wat voor geluiden, welke zeilen staan er op? Is de wind vlagerig of constant? Met kortere tochten in Zeeland is dat anders. Je hebt alle weerberichten altijd bij de hand, maar je moet ook op je gevoel en getij af gaan. Met een noordwester zit je redelijk onder de opper van Schouwen Duiveland als je vanuit Zierikzee zou vertrekken. Wachten op de brug is nooit prettig met veel wind (als hij dan al draait) maar met zuidwestenwind en opkomend tij echt niet aan te raden vanwege de lager wal. Afwegingen en routes die je kunt nemen, uitwijkmogelijkheden en ga zo maar door.

Als ik de wind niet helemaal vertrouw, rij ik altijd de omweg die ik vandaag ook deed. Bij Viane kwam ik de dijk op, zag de meeuwen landinwaarts over de Prunje scheren en op de dijk een prachtig kleurenspel van een nog net niet opkomende zon waarvoor grijze stormwolken over Tholen en Beveland trokken. Pas ver uit de slikken van Viane (het was eb) zag ik witte schuimkoppen. Omdat de wind meer west dan zuidwest was, bouwden de golven minder op. Een binnenvaartschip ploegde vanaf de Krammer door de Zijpe naar de Tonnenvlaai, daar wist ik, was het met eb wat meer beschut voor golven achter de banken. Achter de dijk reden we naar de weg die wel het meest tot de verbeelding sprekende naam van het eiland heeft: ‘Weg van de buitenlandse pers’. Ja op de dag af 69 jaar geleden ging het hier wel fout met zo’n noordwesterstorm. Bij het gemaal zag ik een auto van het waterschap. ‘Beperkte dijkbewaking’ zou mijn vader zeggen. Onder de snel overtrekkende wolken speurde ik de dijken en inlagen af. Waren er geen schapen omgerold? Anders met m’n laarzen het land in om de schapen weer op hun poten te duwen. Maar ze stonden allemaal nog, met de kont in de wind. Bij de Zuidbout konden we weer over de Oosterschelde kijken. Witte golven kwamen aanrollen vanaf de Zeelandbrug, een prachtig schouwspel. Weinig schepen op het water en dat was ook niet gek. Eenmaal Zierikzee ingekomen, dit keer geen schip om op te varen, die ligt op de werf, veilig in een sloot tussen de bebouwing, ging ik brood kopen. Brood om straks bij de soep te eten als Suzan weer uit de boomgaard gewaaid zou komen. Het leven als thuisvader, elke dag even op de dijk kijken. Het mooie van zo’n storm in de winter is: uitvaren hoeft toch niet. Een paar minuten op de dijk en mijn haar zit weer goed.

"Foto van Wiebe Radstake"
Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Momenteel is Wiebe onderweg vanuit Europa met een driemaster richting Suriname en de Caribbean. Als hij niet aan boord is op dwarsgetuigde zeeschepen woont hij op een zeeuwse klipper in Middelburg samen met vrouw en twee kinderen.

Echt, want onontkoombaar

Nieuw, echt niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve (1923-2006): de ontdekking ervan blijft een literaire gebeurtenis, ook al betreft het, in het geval van het net verschenen Zeer Fijne Boy. Brieven aan Jef R. (1986-1997),niet meer dan een veredelde zakelijke correspondentie met een televisieprogrammamaker. Het is alweer vijftien jaar geleden dat de onvermurwbare Joop Schafthuizen, de twijfelachtige beschermer en uitbater van de erven Reve, voor het laatst een officiële postume uitgave liet verschijnen, en nu mocht tot veler verrassing een correspondentiemapje uit het archief van het Instituut voor Beeld en Geluid in druk verschijnen. De initiatiefnemer is het relatief jonge Vlaamse uitgevershuis Borgerhoff & Lamberigts, dat zijn werk serieus heeft genomen: hun jongste publicatie is bijzonder fraai vormgegeven en verzorgd.

Inhoudelijk moet men er wellicht niet te kritisch naar kijken. De schrijver op leeftijd slooft zich niet bepaald uit in zijn epistels aan deze jonge bewonderaar. Het is dan ook Rademakers die iets van de schrijver wil – zijn medewerking aan allerlei series en uitzendingen, in dit geval – en niet omgedraaid. De brieven bevatten daardoor nogal eens wat opgewarmde oude prak, die trouwe Revelezers waarschijnlijk al te bekend voorkomt: 

‘Na mijn dood word ik nog tien jaar vrijwillig gelezen, en daarna nog tien jaar gedwongen, op de scholen. En daarna noemen ze een straat naar me, en dat is de definitieve vergetelheid: weet jij nog wie Tweede van der Helst was, en wat of dat hij schreef?’ 

Minder goed geformuleerd wordt het er allemaal niet van, maar zulke aperte herhalingen maken het wel verstandig om deze bundel eerder te beschouwen als een reprise van geslaagd materiaal, dan als een presentatie van nog ongeziene kunstjes. 

Het twintigtal originele brieven is omkaderd door meerdere voor- en nawoorden, die het boekje wat extra volume moeten geven. Daarin staat tamelijk veel geaffecteerd Revisme, lofzangen op de Grote Volksschrijver en degelijke, maar ook wat merkwaardigs. De geadresseerde typeert de schrijver in zijn introductie namelijk als volgt: ‘De humor, of moet ik zeggen de komedie, was zijn vak en zijn leven. Het was niet zijn tweede natuur, het was zijn eerste en enige natuur.’ 

Dit is een conclusie die me in zijn gortigheid frappeerde. Zou de humor nu echt de voornaamste reden zijn dat men nog altijd naar de boeken van Reve grijpt? Is het primair vanwege de grappen dat De avonden (1947), het ook door Ramakers geprezen gedicht ‘Dagsluiting’ of Op weg naar het einde (1963) lezers blijven emotioneren? Ik durf het te betwijfelen. 

Dan kon ik meer met de nawoorden. In één ervan beschrijft Christophe Vekeman essayistisch (en overtuigend) de voortdurende spanning tussen onzekerheid en overtuiging in Reve’s werk, waarmee hij onderstreept dat diens soms stuitende uitspraken altijd al op losse schroeven stonden, en zo terloops het nodige tegenwicht biedt aan Rademakers’ verontrustend serieuze behandeling van Reve’s ‘staatkundige opmerkingen’. 

In het tweede belicht Mathias Danneels, oud-collega van Rademakers, weer een heel andere Reve: ‘Het is de weemoed, het (sic) heimwee, de wanhoop, de vergeefsheid en de smartelijke roep om verlossing in het oeuvre van Reve die ons boeit.’ Tot die vrijpostig gebruikte ‘ons’ wil ik me dan liever rekenen: het zijn in mijn ogen juist de onbeschermde emotionele erupties en ontboezemingen die Reve’s werk zo uitzonderlijk maken. Kwetsbaarheid gaat bij hem samen met humor, inderdaad, maar de grappen maken zijn stormachtige openhartigheid niet minder ontwapenend. Integendeel: precies door de vakkundige afwisseling van theater en ernst, hoog en laag, komedie en tragedie, winnen beide aspecten aan kracht. 

Gelukkig bevatten ook deze brieven flarden van de onbeholpen, emotionerende Reve, die de bundel meteen het lezen waard maken. Neem deze tamelijk ontregelende afsluiting van een brief, waarin geprobeerd wordt een ontmoetingsplek af te spreken: ‘Mijn angstbeeld is altijd: totaal wanhopig op een verkeerd afspreekpunt te staan schreien. Mijn moeder is dood, moet je rekenen.’ 

Onpersoonlijke correspondentie werd bij hem automatisch persoonlijk; ook in zakelijke brieven kon de schrijver zichzelf niet verhullen of wegstoppen. Op dat vlak moet ik Ramakers uiteindelijk gelijk geven: het unieke schrijverschap van Reve was wel degelijk echt, want onontkoombaar.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Ernest Hemingway in an American Red Cross Ambulance in Italy, 1918. Photograph in the Ernest Hemingway Photograph Collection, John F. Kennedy Presidential Library and Museum, Boston.

Niet-bestaande gedichten VI

In het gedicht ‘Cameo’ spreekt een dichter die A Farewell to Arms goed gelezen heeft. We volgen een ambulance die zich een weg baant door Noord-Italië, tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog. Dat klinkt als een hoop informatie om in een gedicht te moeten stoppen, maar al deze gegevens worden in de eerste strofe al afgetikt, even volledig als elegant. De strofe voelt helemaal niet boordevol, wat knap gecomponeerd is.

Het gedicht heeft ook iets van een zwart-witfoto, want alles is grijs. Daarbij rijdt de ambulance door een tijd die we alleen van zwart-witfoto’s kennen. Het is ook wel kenmerkend voor Noord-Italië, toch de minst zonovergoten streek, de meest Nederlandse, zou je bijna zeggen. Het gedicht wekt zelfs de indruk, maar bij nader inzien staat dat er helemaal niet in, dat de ambulance de enige kleurtoets in de hele scène is, een witte auto in een zwart-wit landschap, maar wel met een rood kruis erop. Als Schindler’s List, maar dan in een andere oorlog.

En dan de cameo. De laatste strofe, de langste ook, is als een soort epiloog aan het gedicht geplakt. Een regisseur zou nu de kleurenfilm in de camera stoppen, en in feite is dat ook wat de dichter doet: we zijn in een tropischere streek, er is geel zonlicht en een aantal bougainvillea’s, en een man die alleen met ‘de laureaat’ wordt aangeduid, dat wil zeggen, nadat hij de telefoon heeft neergelegd. Wie bekend is met de biografie van Ernest Hemingway weet dat hij in 1954 in Cuba woonde toen hem de Nobelprijs werd toegekend – niet voor A Farewell to Arms, waarin hij zijn tijd als ambulancechauffeur in het Milaan van de Eerste Wereldoorlog verwerkt heeft, maar voor The Old Man and the Sea. Hij is de prijs niet op gaan halen in Stockholm omdat hij nog herstellende was van een vliegtuigongeluk in Afrika, en dat verklaart weer de aangenaam assonerende combinatie van verband en wandelstok. Aan het slot duikt er een ‘ik’ op, de dichter misschien, in een droom, aan wie Hemingway voorstelt om een borrel te drinken. Autobiografisch kan het niet zijn, daar is de dichter te jong voor.

Van wie is de cameo uit de titel, dat is nog wel een interessante vraag. Eigenlijk van iedereen. De dichter maakt een cameo in het leven van Hemingway, en Hemingway maakt er een in het oeuvre van de dichter. In een cameo doorbreek je iets: er is even iemand in beeld die voor de kijker een andere betekenis heeft dan voor de personages in de scène. Door de filmische compositie, en door de aanwezigheid van een beroemdheid, valt dit gedicht uit de toon. En die beroemdheid zelf wordt met een plotselinge, onverklaarbare aanwezigheid in zijn Cubaanse huis geconfronteerd, iemand die tegen hem opkijkt, en tegelijk zijn schepper is.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Senna Felius"
    Senna Felius

    Senna Felius (1997) is dichter. Ze studeert filosofie en Arabisch en woont in Egypte. Haar poëziedebuut staat in Tirade 487.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.