De poëzie op straat (Over Florence Tonk)

Poëzie vind je op straat. In slechte wijken sowieso, in goede wijken zit er een kaftje en een kastje omheen.

Dwalend door de stad kijk ik naar gevels, afval, mensenfronzen, dichte gordijnen en krokussen. Niets kan mij tot stilstand brengen, behalve dan de minibieb. Steeds weer moet ik mijn snuit in de bont geverfde kastjes steken.

Hier, aan deze kant van het water, staan ze niet. In deze wijk wordt weinig gelezen. Als je al naar binnen kunt kijken zie je enorme beeldschermen en porseleinen poezen, of gouden tijgers, klaar om te springen. Soms een obscene laaf, verkleurd. Walgelijk bloot in vaalroze op de vensterbank.

Nooit boeken.

Daar, aan de andere kant van het water, vind je ze. De eerste bij de brug is een overgangsminibieb, en bevat verbrokkelde DVD-hoesjes en schimmelige Bijbels in vreemde talen. Dieper in het woud van de Baboe-bakfietsen, bamboescheuten en plantenbakken begint het echte goudzoeken.

Hongerig schuif ik dan de kastdeurtjes open en vind bloemlezingen, losse nummers van letterkundige tijdschriften, een oude Tirade of een dichtbundel. Vandaag stond daar een afgedankte Anders komen de wolven, van Florence Tonk. ‘Aards. Gegrond. Echt,’ las ik op de achterflap, dus dat leek me wel wat.

Aan de waterkant snuffelde ik aan de gegronde poëzie. In ‘Trooststad’ staat gedicht:

[…] En alle zestien wegen
naar het hart
van dumpzaken, tabak
bedrukte zwarte mensen
afzien in de slagregen
donker van de bomen
overal.

Deze minibieb had iets magisch. Het leek alsof die aanreikte wat op dat moment nodig was, net als de knapzak van Douwe Dabbert. De minibieb geeft precies de woorden en zinnen die resoneren met de omgeving, het moment van de dag, de seizoenen, de melancholie van een zondagmiddag in maart.

In het gras op de grens van twee wijken viel mijn oog op het gedicht ‘Arm en rijk’. Over het hondenpoepveldje bij de waterkant klonk een stem, van Florence Tonk allicht – of nu ja, misschien verbeeldde ik het me maar:

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Met fietstassen en een zeven voor spelling
Jij hebt een moeder die leest, een vader
Die op tijd is met de belastingpapieren

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Een pyromane met een voorkeur voor schepen
Verjaagd door het kleine, gedreven door wraak
Met ooms die vechten en garen
Door hun handen kunnen naaien

Jij leert skiën, beweegt je op feestjes
Woont samen, krijgt kinderen met korte namen
Jullie bellen elkaar, boeken bungalows
Om in samen te zijn op jubilea en verjaardagen

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Die zich koest houdt, anders komen de wolven
Ik ben een vrouw
Die haar boodschappen kan dragen.

Prachtig. In deze gesegregeerde stad bevond ik me in een Drosteplaatje. ‘Jij hebt een moeder die leest, een vader / die op tijd is met de belastingpapieren.’ De woorden van Tonks gedichten in de bundel uit de kleurige minibieb in de goede wijk vertellen zwart-op-wit over wat poëzie betekent in de slechte wijk, aan de andere kant van het water, daar waar de minibieb exotisch is.

Ik adopteerde het verweesde bundeltje, en het las me de weg naar mijn boekenkast.

Roedel: Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië is vandaag verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot.

"Foto van Guido van Hengel"
Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

In de Oorshop

Installatiekunst

Toen Nadim klein was, schikte hij graag dingen. Hij ordende zijn plastic beesten in rijtjes op de rand van het bad, in de vensterbank, op het kleed. Het kon lang duren voor hij tevreden was over zijn opstelling. Wie zo’n giraf of zebra ongevraagd verplaatste kreeg stront. Mijn broer voorspelde hem een toekomst als archivaris, en ik weet nog dat ik even schrok voordat ik lachte. Niet nóg een in mijn lijn, dacht ik, met een beroep dat gedurende zijn leven uit de tijd raakt.

Als er één moderne kunstvorm is die de Baudet in me bovenhaalt, dan is dat installatiekunst. En ja, misschien heb ik de goede voorbeelden ervan niet allemaal gezien, maar dat geldt vast ook voor Baudet.

Ik herinner me een expositie in Kopenhagen, waar de vloer van een klaslokaalachtige ruimte bestrooid was met groene piepschuimbollen, en geschakelde kleerhangers als guirlandes waren opgehangen. Uit een goudgespoten luidspreker in het irritant niet-exacte midden van het lokaal lekte platenspelerruis. Ik had geen idee waarom ik van die installatie zo ontzettend kwaad werd, de vriendin met wie ik op de expositie was vond het allemaal fantastisch.

Mijn Ada schikt graag dingen in de ruimte. Ze gebruikt hiervoor speelgoed, maar ook haardhout, mijn werkaantekeningen, B’s huissleutels en liefst ongekookte eieren; theedoeken lijken een centraal thema, in het bijzonder die schone geurige die op nette stapels in het kastje onder het aanrecht horen te liggen. Groot verschil met het vroege werk van haar broer is dat Aad zichzelf in haar installaties betrekt. The artist is present.

Wie kinderen of dieren heeft kent het aanspringen van de innerlijke radar, kleine signalen vanachter de bank die steeds meer je aandacht trekken. Of erger: een verdachte vorm van stilte, als het silhouet van een witte haai die opkomt onder lieflijk kabbelende golfjes. Je deadline dwingt je om nog één keer die laatste zinnen na te gaan, er maar op hopend dat je straks op tijd zult zijn om te voorkomen dat oma’s zijden kussentjes belegd worden met pindakaas.

Precies zo’n stilte trok mijn aandacht gisteren, bij het afronden van een stuk voor Het Parool. Het klokje bovenaan mijn scherm zei dat het 08:56 was. Ik verbeterde een zin en wilde alles voor verzending nalezen. Daar was tijd voor, mits ik niet ging kijken naar de witte haai achter de bank.

‘Aad?’ riep ik vanachter mijn bureau. ‘Ada?’

Niets dan helder water, de lichtste bries, de zon die op het snijvlak van de golfjes danste. Ik zuchtte, schoof mijn stoel naar achter en stond op om te gaan kijken.

Gelukzalig lag ze op de blauwe deken, haardblokken en stoelen als warme wallen om haar heen. Naast Ada wachtte een minutieus voorbereide picknick van viltgroenten en houten pizzapunten.

‘Papa,’ zei ze. ‘Ben je nou eindelijk klaar met werken?’

Ik liep terug naar de laptop, verzond mijn bestand en sloot met een rol koekjes aan bij Ada’s picknick. Terwijl ik me een multiplex punt marinara liet voeren, besloot ik dat niet alle installatiekunst zo kut hoefde te zijn.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Modder en gras

Er is denk ik maar één overheidswebsite waar je als burger bij kan wegdromen: die van de Natura 2000-gebieden. Hier vind je een overzicht van alle gebieden die onder de Europese natuurbeschermingswet vallen – ja, dat klinkt saai, maar dat is het niet. Elk terrein heeft een kort, samenvattend stukje beleidstekst van een paar regels waarin ecologen liefdevol hebben samengevat waarom we het moeten koesteren.

In de zomer van 2020, op zoek naar uitstapjes in Nederland, ontdekte ik de Natura 2000-site. De webpagina zelf bleek eigenlijk al goed tijdverdrijf. Scrollen door het register is een leunstoelreis die het toch tamelijk gangbare idee weerlegt dat Nederland geen échte natuur heeft. Na een kwartiertje heb je het idee dat we hier middenin de wildernis wonen – zoveel zure vennen, jeneverbesstruwelen en bronbossen komen er langs.

Nu weet ik weinig van flora en fauna: voor mij roepen de kleurrijke woorden vooral beelden op, een sfeer – hetzelfde effect dat poëzie heeft. Het Oost-Gelderlandse Stelkampsveld, bijvoorbeeld, ‘betreft één van de weinige binnenlandse groeiplaatsen van Grote muggenorchis en Parnassia en één van de weinige landelijke groeiplaatsen van Wolfsklauwmos.’ Of in het Limburgse Leudal: ‘Ten oosten van het klooster liggen veldrusschraallanden. De natte tot vochtige bossen behoren tot het elzenbos, vogelkers-essenbos en haagbeukenbos. Lokaal komen gagelstruwelen en berkenbroekbossen voor.’

Vóór de coronapandemie en de toeslagenaffaire zei Mark Rutte soms dat de stikstofcrisis, waarbij de vergunningsverlening van talloze projecten vastliep omdat deze te veel stikstof uitstootten en de natuur vernielden, de grootste crisis was uit zijn premierstijd. Met de gebiedsbeschrijvingen en natuurbezoekjes van afgelopen jaar in m’n hoofd, en de aanstaande verkiezingen, moet ik er soms weer aan denken. Van deze grote crisis hoor je nog maar weinig. Dat is begrijpelijk, maar ik ben eerder geneigd op basis van dit probleem een stembesluit te maken dan op basis van ideeën over vaccinatiepaspoorten. Hoe moet het land er nu eigenlijk uitzien? De stikstofcrisis dwingt glasheldere keuzes af, zo glashelder zelfs dat het bijna een versimpelde conflictsimulatie in een klaslokaal lijkt. Jij speelt de boer, je klasgenoot is boswachter. Los maar op.

Toen het probleem net was losgebarsten, opperde de VVD het aantal natuurgebieden terug te dringen. Soms probeer ik die gedachtegang te volgen – en als je het hard probeert kun je af en toe een eind komen. Het Aamsveen, een drassig moerasgebied aan de Duitse grens ten zuidoosten van Enschede, wekt bij de argeloze bezoeker nu niet echt het gevoel op een bijzondere plek te zijn. Het hoogveen mag dan extreem waardevol en zeldzaam zijn – je moet het wel weten. De ongeoefende kijker ziet modder en gras. Hier komen gezinnen in het weekend niet per se graag wandelen. Ik ben er de afgelopen maanden twee keer geweest, beide keren met natuurminnende reispartners, die er ook echt niet al te veel aan vonden. Moet zo’n plek dan tot stapels bureaucreatie leiden bij het aanleggen van een nieuwe weg om de hoek?

Ik vind uiteindelijk van wel. Maar waarom dan precies? Tsja, daar kan ik eerlijk gezegd nog altijd niet helemaal de vinger op leggen. Je kunt geijkte argumenten noemen als respect voor andere levensvormen, het idee dat de mens niet de maat der dingen is, het belang van biodiversiteit. Dat zijn legitieme punten en in principe genoeg redenen om de gebieden te beschermen. Maar de emotie zit voor mij, denk ik, in iets heel anders. In iets veel platters, zou je kunnen zeggen, iets minder verhevens: een museumgevoel.

Een natuurterreintje instappen – soms zijn het echt niet meer dan een paar voetbalvelden – geeft mij altijd het idee dat ik terug in de tijd ga. De Dinkeloever laat zien hoe alle beekjes stroomden voordat ze gekanaliseerd werden. De Bruuk toont je hoe het hele dalgebied rondom Groesbeek eruitzag voordat het dorp er verrees. Het Springendal en het Buurserzand zijn Twente voordat de houtwal plaatsmaakte voor het gifgroene turbogras. Op de machtige Veluwe kun je nog voelen hoe het is om op een echt gróót stuk natuur te staan.

Het Aamsveen biedt een inkijkje op hoe het halve oostelijke grensgebied van Nederland er ooit uitzag, voordat de duizenden hectares aan moerassen werden ontgonnen voor turfwinning en landbouwgebruik. Het gebied is nu aangetast door stikstof: beheerders proberen het te restaureren, zoals we dat ook met schilderijen doen. Om te zien wat Nederlanders eeuwenlang zagen; om te zien wat we nu precies naar onze eigen hand hebben gezet.

Het landschap is een levende geschiedenisles, voor wie ervoor openstaat. Van een historicus als Mark Rutte zou je toch hopen dat dat het geval is.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Golem

Dit is de volgorde: ik keek naar ‘Klassen’, ik herlas een boek van Bruce Chatwin, ik dacht aan een jongen die jaren geleden bij mij in de klas zat. Aan Mick met zijn spreekbeurten. De eerste die hij hield ging over vrachtwagens. Mick begreep van de schoolse vakken bijna niets, de kinderen liepen over hem heen, ’s nachts plaste hij in zijn bed, maar met de plaatjes van de vrachtwagens had hij succes. Twee weken later hield hij een spreekbeurt over trekkers, daarna over zijn speelgoedautootjes. Hij had er een grote uitstalling van gemaakt en ze een voor een omhoog gehouden. Jongens hadden het een goede spreekbeurt gevonden.

Het zal kort daarna geweest zijn dat we weer in een halve kring zaten. Mick zat aan de open kant achter een tafeltje, waarop hij twee dozen had neergezet. ‘Mijn spreekbeurt gaat over modder,’ zei hij. Nerveus schoof hij zijn bril over zijn neusbrug omhoog. De kinderen keken hem onbewogen aan, een enkeling peilde met een vlugge blik wat ik ervan vond. Ik vond er voorlopig nog niks van en zei: ‘We zijn benieuwd, Mick!’

Mick stak zijn hand in een doos en haalde een kluit te voorschijn. ‘Dit is een stekelbarchje,’ zei hij en hij hield het goed omhoog, zoals ik het hem geleerd had. ‘En dit is een aal.’ Sommigen zeiden dat ze het niet goed konden zien. ‘Ik geef het wel door,’ zei Mick. ‘Dit is ook een stekelbarchje.’ ‘Mooie spreekbeurt!’ riep er een. De aal lag inmiddels in drie brokken op de grond. ‘Hoe kom je hieraan?’ wilde iemand weten. ‘Gewoon,’ zei Mick, ‘uit ons tuin.’ ‘Heb je die dingen gemaakt?’ vroeg een ander. ‘Nee, gewoon zo gevonden,’ zei Mick. Zoals je in wolken schapen en zwanen kunt zien, zo had Mick van alles in de kluiten ontdekt. Hij had het spreekbeurtwaardig gevonden.

Chatwins roman, Utz (1988), draait om een ontmoeting van de schrijver met de verzamelaar van meer dan duizend stuks Meissenporselein. Als hij niet de aandrang voelt om ze te strelen, bewaart baron Kasper Joachim Utz zijn zoete rococobeeldjes thuis, in Praag, in vitrinekasten. Van oudsher bezit porselein grote aantrekkingskracht. De geheimzinnige alchemistische receptuur ervan zou leiden naar de Steen der Wijzen, en daarmee naar het eeuwige leven. Ook het aardewerk zelf werd onvergankelijkheid toegedicht. Dat Utz zich als kwart-jood met zijn verzameling in de jaren veertig uit de klauwen van de Duitse bezetter weet te houden, en daarna uit die van stalinistisch Tsjecho-Slowakije, lijkt die claim te bevestigen.

Niettemin beseft hij dat er uiteindelijk geen redden aan is. Wanneer hij sterft zijn de beeldjes verdwenen: kapotgemaakt of weggegooid – Chatwin komt er niet achter. Utz had hem al voorbereid met een verhaal over rabbi Löw en diens golem, gekneed uit de vette modder van de Vltava-rivier volgens richtlijnen van de kabbala en het Boek der Schepping. Dit robotachtige kleibeeld was een bediende en een figuur die hem beschermen moest tegen gevaarlijke lieden. Toen de rabbi hem, kortgezegd, vergat of verwaarloosde, sloeg de golem de boel zelf kort en klein en restte de rabbi niets anders dan het schepsel te vernietigen. Het geklei met de esoterie van de kabbala en de alchemie blijft, hoe godgelijk ook, mensenhandenwerk en is daardoor, waarschuwt Utz, blasfemisch en tot verbrijzeld-worden gedoemd.

Er zijn sociaal wetenschappers geweest die aan deze golem een psychologisch fenomeen hebben opgehangen, tegenovergesteld aan het Pygmalion-effect. De documentaireserie ‘Klassen’ bracht dit Golem-effect – de relatie tussen lage verwachtingen van leerkrachten en slechte prestaties van leerlingen, onder meer zichtbaar bij onderadvisering – opnieuw voor het voetlicht.

Ik word altijd onzeker als ik over deze effecten lees of hoor. Als meester ben ik ook een mensenkneder. Ik blijf verre van esoterie, maar breekbaar zijn mijn schepsels regelmatig. En als ik ze met mijn mensenbrein dan ook nog vergeet, verwaarloos of niet op waarde schat – of ik nu golems maak of porseleinen Galatea’s, ik ben gewaarschuwd. 

Mick keek in zijn doos of er nog een mooie kluit in zat. Ondertussen vertelde ik dat Mick heel goed had aangetoond op wat voor grondsoort wij hier wonen, want kijk jongens, de kluiten van Mick zijn niet van modder, maar van klei! Ik noemde nog een aantal andere grondsoorten, waar die in Nederland voorkwamen en wat er zoal op groeit, en bedankte Mick voor zijn leerzame spreekbeurt.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Tien

Op een ijzige nacht in februari raakte je te water, en meteen ook kwijt. We vierden je verjaardag zonder je, verzamelden ons, een man of honderd sterk. Ik hield een kleine toespraak en we hieven onze glazen.

Hoewel ik de afgelopen tien jaar vaak aan die toespraak ben herinnerd, weet ik er bijna niets meer van. Het enige wat ik me herinner te hebben gezegd is dat er nu een leegte in ons midden was, en dat de contouren van onze vriend – als we die leegte met zijn allen zo dicht mogelijk omgaven – vanzelf zichtbaar zouden worden.

Jouw omtrek was af te meten aan gedeelde leegte, en mijn contouren vervaagden zonder jou. Ik heb mezelf na je dood heruitgevonden, moest me daartoe afvragen wie ik was zonder jouw blik.

Elkaar is alles wat we hebben, en als er iemand wegvalt – iemand die niet weg mág vallen – dan wordt dat alles kleiner.

Misschien is dat óók ouder worden: dat je alles krimpt tot ook je laatste raakvlak met anderen verdwijnt, en je vormloos achterblijft. Niet langer begrensd en gedefinieerd door het contact met die geliefden, maar ook zonder identiteit.

Deze week mocht ik Het jasje van Luis Martín inspreken als luisterboek. Vijfentwintig jaar na dato las ik over het begin van een vriendschap tussen twee jonge mannen. Over jou en mij.

De eerste bladzijden waren moeilijk – ik maakte fout op fout, moest steeds opnieuw beginnen – maar daarna werd ik toch in ons verhaal gezogen. Ik las over barmannen die nachten sloopten, dagen sliepen, over leven zonder zicht op een eind. Natuurlijk kende ik onze afloop, maar zolang ik las was ik weer Issa en jij Gijs.

We smeten met de tijd alsof we die als fooi gekregen hadden.

Hoe vaak kan ik nog over je schrijven?

Heb je liever dat ik je laat gaan?

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Kleur is een taal (II): De kunde van het verschil

Vertalen is de kunde van het verschil. Taalverschil, tijdsverschil, cultuurverschil, genderverschil, verschillen in kennis en ervaring… Elke vertaler moet zich rekenschap geven van die verschillen en zich ertoe verhouden – om ze glad te strijken of ze aan te zetten, naar believen. Juist de bewuste omgang met verschillen, het lucide besef van de problemen die ermee gepaard kunnen gaan, zijn voorwaarden voor een goede vertaling, en ook, in een bredere context, voor het samenleven in een superdiverse maatschappij. De kunde van het verschil: techniek en ethiek in één.

Een vrouwelijke collega, wier naam ik uit kiesheid verzwijg, trok enigszins smalend mijn vermogen om de Franse schrijfster Annie Ernaux te vertalen in twijfel. Hoe zou een hanig type als ik ooit empathie kunnen opbrengen voor het leven en lijden van die vrouw?

Emancipatie, dat is als je geen genoegen neemt met het jou aangeboren keurslijf, met de voor jou bestemde kooi. Dat is als je je een vrijheid toe-eigent die je voorheen niet had. Precies dat doet Ernaux in De jaren. Ze overschrijdt het intieme en subjectieve, de huis-, tuin- en keukendrama’s waar vrouwelijke auteurs naar verluidt goed in zijn; en waagt zich op superieur ironische toon aan de grote greep van geschiedschrijving en collectief geheugen, wat naar verluidt juist een mannelijk prerogatief is. In één moeite door bewijst ze hoe twijfelachtig zulke categoriseringen zijn.

Ook een mannelijk vertaler kan zijn keurslijf afwerpen, aan zijn kooi ontsnappen en een stem geven aan het intieme en het subjectieve.

Het grootste voordeel van de overlappende identiteit tussen auteur en vertaler is technisch. Een gay vertaler die een gay auteur vertaalt, kent het gay vocabulaire.

Het bolwerk van de literaire vertalerij is van oudsher oorverdovend wit. Emancipatoire gebaren zijn daarbinnen allerminst misplaatst, al komt ook geduld van pas, want de molens van de geschiedenis malen traag. Maar als Hafid Bouazza Baudelaire kan vertalen en Jenny Mijnhijmer Audre Lorde en Richard Wright, dan is er misschien beweging in de goede richting.

Intussen zijn we een unieke kans op een meerstemmige Gormanvertaling misgelopen. Katelijne De Vuyst heeft ‘The Hill We Climb’ al vertaald. Hoe interessant zou het niet zijn geweest als we ook een versie hadden in het steenkolen-Nederlands van Rijneveld, en het spoken word-Nederlands van Babs Gons of Zaïre Krieger?

"Foto van Rokus Hofstede"
Rokus Hofstede

Rokus Hofstede (Hengelo, 1959) bracht het grootste deel van zijn leven in België door, woont in Ronse. Vertaalt Franse literatuur, vooral essayistisch proza (Barthes, Bourdieu, Ernaux, Latour, Michon, Perec). Werkt, na De grote angst in de bergen (Van Oorschot, 2019), aan een nieuwe Ramuz-vertaling: Schoonheid op aarde. Ontvangt in 2021 de Nijhoffprijs (zie www.hofhaan.nl).

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • "Foto van Lia Tilon"
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • "Foto van Bibi Roos"
    Bibi Roos

    Bibi Roos studeert in 2025 af van de opleiding Writing for Performance aan de HKU en is de eerste in de reeks Tiradeblogs van afstudeerders. Ze schreef een scriptie over schaamte en humor en maakt daarnaast als Funny Bergman de explosieve solo ‘Ik ben Funny’, waarmee ze deze zomer op de Parade staat. Ze maakt het liefst werk over Bijzonder Vreemde Personen en Dingen en is entertainer, winnaar en performer in vele opzichten.
    (portret: Lin Woldendorp)