Abspecken

Behalve verslaafd aan koken ben ik verslaafd aan big history. Interesse in de mens voor het schrift is ongetwijfeld begonnen met Jean M. Auels succesvolle trilogie Earth Children waarvan ik beginnend met De stam van de holenbeer de Nederlandse vertaling in de 80-er jaren las in dezelfde tijd dat ik mijn eerste quiche leerde bakken: preitaart. En nu las ik dan de fascinerende combinatie Catching Fire van Richard Wrangham  How Cooking made us human.

Het boek lijdt aan het bedenkelijke probleem van heel veel Amerikaanse populair wetenschappelijke non-fictie: een aardig idee van pakweg 30 bladzijden wordt uitgesponnen tot 300, waardoor intens veel herhaling het lot van de lezer wordt. Bij dit boek is het wel extreem: ik vond een halve pagina waarin het boek heel adequaat werd samengevat.

Hoe begon het: een groep homo habilines, 2.3–1.65 miljoen jaar geleden, misschien zonder wapens en strategie, leerde vuur beheersen (Wrangham verwijst tot mijn onuitsprekelijk geluk ook een paar keer naar Joop Goudsbloms Vuur en beschaving) leggen noten of knollen naast het vuur en ontdekken dat het zo lekkerder is. Ze maken er al snel een gewoonte van. Omdat gekookt eten een hogere calorische waarde heeft, of preciezer: omdat het minder inspanning kost het te verteren en je dus meer profijt van en minder verteertijd voor dezelfde hoeveelheid voedsel hebt kun je het je veroorloven kleinere darmen te hebben, je houdt energie over zodat er meer naar het brein kan, die groter worden. Het samen aan het vuur zitten vraagt een minder opvliegend karakter en grotere tolerantie, je verliest je lichaamshaar, dat is niet meer nodig, je kunt op de grond slapen in plaats van in bomen, het vuur beschermt je tegen wilde dieren, omdat je groter en rechter wordt kun je beter jagen en meer vlees eten. Zo begint de geschiedenis.

Opvallend is dat koken in 97% van de nu door antropologen onderzochte samenlevingen een vrouwelijke activiteit is. Ook in samenlevingen waarin vrouwen ook het jagen en verzamelen doen, maar dit blijft een onverklaarde terzijde.

Grappig is Wrangham en passant de raw food beweging betrekkelijk belachelijk maakt: alle onderzoek wijst uit dat het gewoon te weinig calorieën oplevert. Dus gaat men al snel smokkelen met een-beetje-gebrande noten en zeer hoogwaardig voedsel dat moet compenseren, maar een ding staat vast: ze krijgen te weinig binnen en verliezen over het algemeen hun zin in seks, en vrouwen stoppen met menstrueren. Iets wat de homo erectus zich niet kon veroorloven.

Kortom, we kunnen beter koken, dan houden we wat tijd over. Al moet je wel steeds abspecken in januari.

Interessante speculaties, goed beargumenteerd, maar je blijft a la Jean M. Auel vooral proberen je voor te stellen hoe dit leven was, en welke gedachten door die steeds ruimere hersenpannen flitsten. Tomas Tranströmer fantaseert hier ook over in dit gedicht dat in zijn 12 regeltjes misschien miljoenen jaren omspant:

Een zwemmende donkere gestalte

Over een voorhistorische schildering
op een rots in de Sahara:
een zwemmende donkere gestalte
in een oude rivier die jong is.

Zonder wapens en strategie,
in rust noch in haast
en gescheiden van zijn eigen schaduw:
die glijdt over de bodem van de stroom.

Hij worstelde om zich te bevrijden
uit een sluimerend groen beeld,
om eindelijk de oever te bereiken
en met zijn schaduw samen te vallen.

(vertaling Bernlef)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Thuis

Tijdens de eerste lockdown was het denkbaar dat de wereld voorgoed zou veranderen. Jamal Ouariachi dronk whisky en speelde nummers van The Cure op Facebook. The Cure is uit mijn tijd, maar ik heb me in mijn tijd muzikaal nooit thuisgevoeld.

Omdat alles op losse schroeven stond en we niets konden doen dan ons overgeven, ontspande ik volledig. Met Nadim keek ik overdag films in bed zonder me maar een tel schuldig te voelen. Ik was een te gekke vader, en kreeg tóch al mijn werk af. Wat ik schreef was goed, precies. Ik sliep door, voelde me steeds uitgeruster.

Deze tweede lockdown, met de komst van het vaccin in het vooruitzicht, zorgt voor niets dan onrust, verveling en nachtelijk malen. Alsof de kinderen dit meekrijgen zijn ook zij minder dan ideale versies van zichzelf. Terwijl Nadim wegkwijnt van ellende achter de brievenbus, wachtend op merchandise van zijn nieuwe idool Anne-Marie, streakt Ada door het huis. Een gillend, naaktroze wezen dat op de dunne vloer beukt met wat nog het meest als bokkenhoeven klinkt – ook zónder haar moeders pumps.

Ik smijt armenvol kleertjes en LEGO terug de kast in, alleen om alles na een kleine tien minuten weer als vis uit een gebarsten sleepnet op de vloer te vinden.

Wat ik leer over mezelf: ik heb minstens eens per twee weken een uitspatting nodig. Een restaurant, een café, een thuisfeest. Mensen, mensen, lieve mensen. Ik heb dat nodig zoals ik lezen nodig heb, muziek, dans, schoonheid.

De horeca is een onwrikbaar onderdeel van onze cultuur, van wie we zijn in relatie tot elkaar. Alcohol mag nooit stoppen, want het is de mooist denkbare drug.

Ik heb zó’n verschrikkelijke dorst.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Joseph Roth -Leviathan 8

(Lees vanaf het begin)

En Nissen Piczenik vergat in de haven van Odessa al snel de plichten die een gewone Jood uit Progrody heeft. Hij ging ’s ochtends noch ’s avonds naar het gebedshuis om de voorgeschreven gebeden te zeggen, maar hij bad thuis, heel haastig en zonder werkelijke en correcte gedachten aan God, en hij bad slechts als een grammofoonplaat, de tong herhaalde mechanisch de geluiden die begraven waren in zijn hersenpan. Was er op de wereld ooit eerder zo’n Jood geweest? Thuis, in Progrody, was het koraalseizoen begonnen. Nissen Piczenik wist dit, maar hij was niet langer de oude continentale Nissen Piczenik, maar de nieuwe, de pasgeboren oceanische. Ik heb genoeg tijd – hield hij zichzelf voor – om terug te keren naar Progrody! Wat mis ik daar nou helemaal! En hoeveel heb ik hier nog te winnen! En hij verbleef drie weken in Odessa en bracht er elke dag gelukkige uren door bij de zee, met de schepen, met de kleine visjes.

Dit was de eerste vakantie in het leven van Nissen Piczenik.

6

Toen hij naar Progrody teruggekeerd was, ontdekte hij dat hij niet minder dan honderdzestig roebel uitgegeven had, inclusief de reiskosten. Maar zijn vrouw en alle anderen die hem vroegen wat hij zo lang in het buitenland had uitgespookt, vertelde hij dat hij in Odessa ‘belangrijke zaken’ had gedaan. In deze periode begon de oogst en kwamen de boeren niet zo vaak meer naar de markten. Zoals ieder jaar in deze weken werd het rustiger in het huis van de koraalhandelaar. De koralenrijgsters verlieten zijn huis al laat in de middag. En ’s avonds, als Nissen Piczenik terugkeerde uit het gebedshuis, wachtte hem niet langer het heldere gezang van de mooie meisjes, maar slechts zijn vrouw, met het gebruikelijke bord met uien en radijs en de koperen samowar.

Koraalhandelaar Piczenik voegde zich niettemin in de gebruikelijke regelmaat van zijn herfstdagen, niettegenstaande de herinnering aan de dagen in Odessa, van welks commerciële vruchteloosheid niemand behalve hijzelf enig idee had. Een paar maanden later overwoog hij al om opnieuw belangrijke zaken voor te wenden en naar een andere havenstad af te reizen,  naar Petersburg bijvoorbeeld. Voor materiële ontberingen hoefde hij niet te vrezen. Al het geld dat hij opzij had gezet in de loop van de lange jaren van zijn handel in koralen, die steeds winst had opgeleverd, lag bij de woekeraar Pinkas Warschawsky, een gerespecteerde geldschieter in de gemeenschap die meedogenloos was in het incasseren van schulden maar evengoed alle rente op tijd betaalde. Nissen Piczenik hoefde niet bang te zijn voor lijfelijke ontbering; hij was kinderloos en had dus geen nakomelingen om voor te zorgen. Waarom dus niet naar een andere van de vele havens gereisd? De koraalhandelaar begon derhalve al aan zijn plannen voor de volgende lente, toen er iets ongewoons gebeurde in de naburige stad Sutschky.

In dit kleine stadje, dat net zo klein was als de geboortestad  van Nissen Piczenik, Progrody, opende op een dag een man, die niemand in het hele gebied kende, een koralenwinkel. Deze man heette Jeno Lakatos en hij kwam, zoals men al snel hoorde, uit het verre Hongarije. Hij sprak Russisch, Duits, Oekraïens, Pools, naar behoren, en als iemand het toevallig maar gewild had, zou de heer Lakatos ook Frans, Engels en Chinees hebben gesproken. Hij was een jonge man met steil, blauwzwart, gepommadeerd haar, overigens de enige man in de omgeving die een glanzende, gesteven kraag droeg, een das en een wandelstok met een gouden knop. Deze jonge heer was enkele weken geleden in Sutschky aangekomen, had daar vriendschap gesloten met de slager Nikita Kolchin bewerkte hem zo totdat deze besloot een koraalhandel samen met Lakatos op te starten. Het bedrijf met het felrode uithangbord was genaamd: N. Kolchin & Compagnie.

Onberispelijke rode koralen glommen in de etalage van deze winkel, lichter van gewicht dan de stenen van Nissen Piczenik, maar veel goedkoper. Een hele grote zak koralen kostte een roebel vijftig, halssnoeren waren verkrijgbaar voor twintig, vijftig, tachtig kopeken. De prijzen stonden in de etalage vermeld. En opdat niemand deze winkel zomaar zou voorbijlopen, speelde binnen een grammofoon de hele dag vrolijk schallende liedjes. Je kon ze in de hele stad en daarbuiten horen – tot in de omliggende dorpen. Er was geen grote markt in Sutschky zoals in Progrody. Niettemin – en ondanks de oogsttijd – kwamen de boeren naar de winkel van meneer Lakatos om de liedjes te horen en het goedkope koraal aan te schaffen.

Nadat de heer Lakatos een paar weken zijn aantrekkelijke bedrijf had gerund, verscheen op een dag een rijke boer bij Nissen Piczenik en zei: ‘Nissen Semjonowitsch, ik kan maar niet geloven dat je mij en de anderen al 20 jaar bedriegt. Maar nu is er een kerel in Sutschky die de mooiste koraalsnaren verkoopt, voor vijftig kopeken per stuk. Mijn vrouw stond op het punt om daarheen te gaan – maar ik dacht dat we het eerst even aan jou moesten voorleggen, Nissen Semjonowitsj.’

‘Deze Lakatos,’ zei Nissen Piczenik, ‘is beslist een dief en een oplichter. Een andere verklaring voor zijn prijzen is er niet. Maar ik ga er zelf heen als je me een lift wilt geven in je wagen.’

‘Goed’, zei de boer. ‘Overtuig jezelf.’

De koraalhandelaar reed dus naar Sutschky, bleef een poosje voor de etalage staan, hoorde de schallende liedjes vanuit de winkel, ging toen uiteindelijk naar binnen en sprak meneer Lakatos aan.

‘Ik ben zelf koraalhandelaar’, sprak Nissen Piczenik. ‘Mijn waren komen uit Hamburg, Odessa, Triest, Amsterdam. Ik begrijp niet hoe en waarom je zulke goedkope en mooie koralen kunt verkopen.’

‘Je bent van de oude generatie’ antwoordde Lakatos. ‘en sorry dat ik het zeg: een tikje achtergebleven.’

Intussen kwam Lakatos van achter de toonbank vandaan en Nissen Piczenik zag dat hij een beetje mank liep. Blijkbaar was zijn linkerbeen korter, want zijn linkerschoen had een hiel die twee keer zo hoog was als die aan de rechterkant. Hij geurde geweldig bedwelmend – en je vroeg je af waar in zijn slanke lichaam de bron van al dat geuren eigenlijk zat. Zijn haar was blauwzwart als de nacht. En zijn donkere ogen, die eerst misschien vriendelijk schenen, gloeiden elk ogenblik zo intens dat een vreemd lichtje gloeide in het midden van hun zwartheid. Onder de zwarte, gedraaide snor glimlachten Lakato’s witte en blinkende tanden.

‘Dus?,’ vroeg de koraalhandelaar Nissen Piczenik.

‘Nou,’ zei Lakatos, ‘wij zijn dus niet gek. Wij duiken niet naar de bodem van de zeeën. We maken gewoon kunstmatige koralen. Mijn bedrijf heet: Lowncastle Brothers, New York. Ik heb twee jaar met succes in Boedapest gewerkt. De boeren merken er niets van. De boeren in Hongarije niet, en de boeren in Rusland al helemaal niet. Ze willen allemaal mooie, rode, gave koralen. En kijk eens aan. Goedkoop, mooi, decoratief. Wat wil je nog meer? Echte koralen kunnen niet zo mooi zijn! “

‘Waar zijn je koralen dan van gemaakt?’, vroeg Nissen Piczenik.

‘Van celluloid, mijn beste, gemaakt van celluloid!’, riep Lakatos opgetogen uit. ‘Niets tegen de techniek! Want weet je: in Afrika groeien rubberbomen, latex en celluloid worden gemaakt van rubber. Is dat onnatuurlijk? Zijn rubberbomen minder natuur dan koralen? Is een boom in Afrika minder natuurlijk dan een koraal op de bodem van de oceaan? – En, wat zeg je ervan? Zullen we samenwerken? Neem een beslissing! Binnen een jaar ben je al je klanten kwijt door mijn concurrentie – en je kunt in de zee zakken met al je echte koralen, naar waar de prachtige stenen vandaan komen. Dus zeg op: ja of nee? “

‘Geef me twee dagen’, zei Nissen Piczenik.

En hij reed naar huis.

(hier doorlezen)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Hullen in haren en naalden (Over Charlotte Mutsaers)

Het tuincentrum Ranzijn (‘Tuin & Dier’) is getransformeerd tot een kerstlabyrint. Ik zoek hondenvoer, maar stuit op pluchen rendieren met uitpuilende ogen, grote houten pinguïns (?) en plastic sneeuwpoppen zonder ogen, maar mét tanden. Huiveringwekkend.

Een echtpaar staat geagiteerd te discussiëren of ze nu wel of niet een gouden of zilverkleurige piek gaan aanschaffen voor hun kerstboom. Elders wegen twee identieke dames goudkleurig bespoten dennenappels in hun hand, alsof ze jeu-de-boule spelen en aanstonds gaan werpen.

Ik bezie het echtpaar met de piek, en werp een blik op hun nog onversierde kerstboom in de kar. Opeens waan ik me in een kledingzaak, waar ouders dure jassen en andere kledij kopen om hun kind, hun trofee, mee te versieren. Niets is te gek voor het kind: goud, zilver, engelenhaar. De laatste trends zijn geloof ik wollen kerstballen en schijfjes gedroogde citroen.

In december herlees ik meestal De avonden van Gerard Reve, maar inmiddels weet ik het wel met die bessen-appel. Bovendien is het coronaleven al claustrofobisch genoeg. Dit jaar herlees ik Zeepijn van Charlotte Mutsaers. Hierin legt zij het verband tussen de dennenboom en de zee, en pluist het uit. De essays, verhalen en brieven in dit prachtige boek hullen zich in een vacht van naalden, en ook de vertelster, Mutsaers zelf, geeft het toe aan het einde van het boek: ‘Ik ben geboren in een houten jas.’

Wie schrijft wordt. Zelden deed iemand dat mooier, grappiger en diepzinniger dan Charlotte Mutsaers in Zeepijn. Ook lezen is worden. Met elke pagina van Zeepijn word je meer zee en pijnboom, en ruik je en adem je, en wieg je mee op de golven en in de wind. Geïnspireerd en gemotiveerd door het concept ‘wordingen’ in het werk van de Franse filosoof Gilles Deleuze, hult Mutsaers zich als schrijver niet alleen in de naalden van de kerstboom, maar ook in de vachten van paarden, honden en andere zoogdieren. In het essay ‘Fik en Snik’ uit de bundel Paardenjam kijkt ze over de rand van een tafel naar een vers gebakken, geurige kersentaart (zoals afgebeeld op een schilderij van Bonnet). ‘Via de hondenblik om je heen kijken,’ schrijft Mutsaers, ‘dat geeft de dingen kleur.’

Terug in het labyrint van kerstversiering en jingle bells gidst de hond me naar de hoek met vlees. We laden een stapeltje hondenworsten in het mandje, ook voor in de vriezer. Op weg naar de uitgang passeer ik de geurloze plastic sneeuwpop zonder ogen, maar met tanden. Opnieuw huiver ik. Bij de kassa staat een lange rij van mensen, honden en kerstbomen. Ze ademen zwaar achter hun mondkapjes, hijgen, dampen, trillen en bloeden hars.

"Foto van Guido van Hengel"
Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

Laatste les

Een van de dingen die ik het liefst doe is lesgeven op de Schrijversvakschool. Omdat ons vaste gebouw coronabeperkingonvriendelijk is, waren er de afgelopen weken ruimtes geboekt in de Beurs van Berlage.

In de mijne – niet de mooie directeurskamer, die kreeg Nico Dros – stond altijd een bak lolly’s klaar. De enkele beglazing liet het fraairuige innercity soundscape van de buurt geweldig door. Toegegeven: geen toeristen, maar wél goed wat auto-alarmen en wegrennende dealers.

Mijn klasje was een van de gezelligste ooit, wat natuurlijk kwam door de studenten, maar ook doordat de lessen voor ons allemaal het uitje van de week betekenden. Niet eerder zat ik in de appgroep van een klasje, niet eerder wilde ik na élke les met mijn studenten bier gaan drinken.

Bij de laatste les zouden we allemaal iets meenemen. We zouden eerder afbreken en dan een uurtje borrelen. Toen ik binnenkwam stond de dranktafel al behoorlijk vol.

‘Ik stel voor,’ zei ik. ‘Dat we eerst jullie werk bespreken en dan een blikkie opentrekken.’

De klas wilde er niks van weten. Zelf zat ik na een halfuur al aan de pils.

Als er voor volwassenenonderwijs een ethische commissie is, dan kom ik de situatie daar graag toelichten. Ik ben er zeker van dat ik de absolute noodzaak van dat winterkoude, maar tegelijk lauwzwetende blikje pilsner helder zal kunnen overbrengen. We waren heel snel klaar met bespreken. Het zou een mooi verhaal zijn als we stiekem uit het raam hadden gerookt, dus zo staat dat hier nu ook.

Voor tien uur ruimden we alle sporen weg. Letterlijk: alsof we nooit in het zaaltje gezeten hadden. Dit ging vanzelf, zonder overleg wist iedereen zijn rol. Voor de geloofwaardigheid liet ik een Chupa-chupfolietje achter op de tafel bij de deur.

Vanaf het bordes keek ik mijn cursisten na, en bedacht nog eens hoe raar het is onaffe, zelfgeschreven verhalen te delen met een kamer vol bijna-vreemden. Twee van mijn studenten hadden moeten stoppen wegens zwangerschap. Eentje zou bijna bevallen en de ander werd door haar zwangerschap verrast, te misselijk om nog te gaan. Een derde stopte wegens een plotselinge relatiebreuk, te verwoest om nog te gaan.

Ik deed een wens dat het allemaal goed mocht komen en fietste naar huis, waar de slaap me urenlang ontlopen zou.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Joseph Roth – Leviathan 7

(Lezen vanaf het begin)

‘En ik,’  zei Nissen Piczenik  ‘ben mijn stad Progrody nooit uitgekomen en enkel boeren kopen mijn koralen. Maar u zult mij hier allemaal toe willen geven dat een eenvoudige boerin, versierd met een paar kettingen van prachtig, smetteloos koraal, meer voorstelt dan een groothertogin. Trouwens, koralen worden door hoog en laag gedragen, ze verheffen de nederigen en sieren de fine fleur. Koralen kunnen ‘in de morgen,’ s middags, ’s avonds en’ s nachts gedragen worden, bij een feestelijk bal, bijvoorbeeld in de zomer, in de winter, op zondag of op doordeweekse dagen, op het werk en in vrije tijd, in gelukkige tijden en op momenten van rouw. Er zijn veel soorten rood in de wereld, beste medereizigers, en er staat geschreven dat onze Joodse koning Salomo een heel speciaal rood had voor zijn koninklijke mantel, omdat de Feniciërs die hem aanbaden hem een heel speciale worm hadden geschonken, die de gewoonte had om rode kleurstof als urine uit te scheiden. Het was een kleur die er tegenwoordig niet meer is, het paars van de tsaar is niet meer diezelfde kleur, want de worm stierf na Salomo’s dood, de hele soort van deze wormen stierf uit. En kijk, deze kleur komt nu alleen nog voor in volstrekt rode koralen. Maar waar ter wereld heb je ooit rode parels gezien?’

De zwijgzame koraalkoopman had nog nooit zo’n lange en zo’n begeesterde rede afgestoken voor zoveel vreemden. Hij schoof zijn pet van zijn voorhoofd en wiste het zweet van zijn voorhoofd. Hij glimlachte beurtelings naar de medereizigers, en ze onthaalden hem op het applaus dat hij verdiende. De man heeft gelijk!’, riepen ze als uit een keel.

En zelfs de parelhandelaar moest toegeven dat Nissen Piczenik weliswaar geen gelijk had in deze kwestie, maar een uitstekende redenaar was waar het koralen aanging.

Uiteindelijk bereikten ze Odessa, de stralende haven, met het blauwe water en de vele bruidswitte schepen. Hier wachtte de pantserkruiser al op de matroos Komrower als een vaderlijk huis op zijn zoon. Nissen Piczenik wilde het schip ook wat van naderbij bekijken. En hij ging met de jongen naar de opzichter en zei: ‘Ik ben zijn oom, ik wil het schip zien.’ Hij was zelf verbaasd over zijn durf. Nee, dit was niet langer de oude continentale Nissen Piczenik die met een gewapend matroos aan het praten was, dit was niet de Nissen Piczenik van het Progrody van het continent, maar een compleet nieuw mens, als iemand wiens ingewand binnenstebuiten was gekeerd, een soort van binnenstebuiten persoon, een oceanische Nissen Piczenik. Het kwam hem voor dat hij niet per trein was gekomen, maar regelrecht uit zee, uit de diepten van de Zwarte Zee. Hij kende het water zo goed als hij zijn geboorteplaats, daar waar hij woonde -Progrody – nooit had gekend. Overal waar hij kijkt ziet hij schepen en water, water en schepen. De bleekwitte, gitzwarte, koraalrode – ja, koraalrode – wanden van de sloepen, de boten, de schepen, de zeiljachten, de motorboten geselen teder het eeuwig kabbelende water, nee, dat klopt niet, de schepen worden gestreeld door honderdduizenden kleine golven die als tongen zijn en handen in één, tongetjes en handen tegelijkertijd. De Zwarte Zee is helemaal niet zwart. In de verte is zij blauwer dan de lucht, vlakbij is ze groen als een weide. Duizenden snelle kleine visjes hupsen, springen, glijden, dwalen, schieten en vliegen heen en weer als je een stuk brood in het water gooit. De blauwe lucht strekt zich uit over een wolkenloze haven. De masten en schoorstenen van de schepen strekken zich ernaar uit. ‘Wat is dit? Hoe heet dat?’ vraagt Nissen Piczenik onophoudelijk. Dit is een mast en dat is de boeg, hier zijn reddingsvesten, er zijn verschillen tussen boot en sloep, zeilboot en stoomboot, mast en schoorsteen, kruiser en koopvaardijschip, dek en achtersteven, boeg en kiel. Honderd nieuwe woorden bestormen haast het arme maar vrolijke hoofd van Nissen Piczenik. Na lang wachten (uitzonderlijk, zegt de onderofficier), krijgt hij toestemming om de kruiser te inspecteren en zijn neef te vergezellen. De luitenant van het schip zelf verschijnt om de joodse handelaar te bestuderen die aan boord van een kruiser van de keizerlijke Russische marine rondloopt. Zijn hooggeborene, de luitenant-admiraal van het schip, geglimlach. De zachte wind waait langs de lange zwarte panden van de mantel van de magere roodharige Jood, je ziet zijn versleten, verscheidene malen opgelapte gestreepte broek in zijn matte knielaarzen zitten. De Jood Nissen Piczenik vergeet zelfs de geboden van zijn religie. Voor de glimmende wit-gouden pracht van de officier neemt hij zijn zwarte pet af en zijn rode, gekrulde haren wapperen in de wind. ‘Je neef is een goed matroos!’, zegt zijn hooggeborene, de officier. Nissen Piczenik kan geen passend antwoord vinden, hij glimlacht alleen, hij lacht niet, hij glimlacht stil. Zijn mond is open, je kunt de grote geelachtige paardentanden en het roze gehemelte zien, en de koperrode sik hangt bijna tot over zijn borst. Hij kijkt naar het stuurwiel, de kanonnen, hij mag door de telescoop kijken – en Godbetert, de afstand komt dichtbij, wat veraf is, is er al, achter de lenzen. God gaf mensen ogen, dat is zo, maar wat zijn gewone ogen vergeleken met ogen die door een verrekijker kijken? God heeft mensen ogen gegeven, maar ook verstand, zodat ze telescopen kunnen uitvinden en de kracht van deze ogen kunnen versterken! En de zon schijnt op het dek, richt zijn stralen op de rug van Nissen Piczenik, en toch heeft hij het niet warm. Omdat de eeuwige wind over de zee waait, ja het lijkt alsof er een wind uit de zee opkomt, een waaien vanuit de diepte van de wateren.

Uiteindelijk kwam dan het uur van afscheid. Nissen Piczenik omhelsde de jonge Komrower, maakte een buiging voor de luitenant en vervolgens voor de matrozen, en verliet de pantserkruiser. Hij had besloten om onmiddellijk na het afscheid van de jonge Komrower terug te keren naar Progrody. Maar hij bleef toch in Odessa. Hij zag de pantserkruiser vertrekken, de matrozen groetten hem, terwijl hij in de haven stond te zwaaien met zijn blauw, rood gestreepte zakdoek. Hij zag vele andere schepen vertrekken en zwaaide naar alle onbekende passagiers. Want hij ging elke dag naar de haven. En iedere dag leerde hij iets nieuws. Hij hoorde bijvoorbeeld wat het anker hijsen, of: de zeilen binnenhalen, of: lading lossen, of: schoten aanhalen, enzovoort betekent.

En iedere dag zag hij al die jonge mannen in matrozenpakken aan het werk op de schepen, in de masten klimmen, hij zag de jonge mannen door de straten van Odessa lopen, arm in arm, een hele reeks matrozen die de hele breedte van de straat in beslag namen – en het ging hem aan het hart dat hij zelf geen kinderen had. Gedurende deze uren had hij zonen en kleinkinderen gehad willen hebben – en het staat buiten kijf: hij zou ze allemaal naar zee hebben gestuurd, ze zouden matrozen zijn geworden. Ondertussen was zijn onaantrekkelijke vrouw onvruchtbaar en thuis in Progrody. Ze heeft vandaag namens hem  koralen verkocht. Is te haar wel gelukt? Kent ze de betekenis  van koraal wel?

(Hier doorlezen)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler