Paul Auster – verslag vanuit het innerlijk

In Report from the Interior neemt Paul Auster zich voor een geschiedenis te schijven van zijn eerste 12 levensjaren. Het is een memoire, een vervolg op zijn Winter journal, dat dezelfde memoirebehoefte voedt, maar dan via wat Auster te vertellen weet over zijn lichaam. Je zou kunnen zeggen dat met het enorme 4321, dat zojuist in Amerika en in Nederland verscheen  een memoires drieluik vervolledigd is: het lichaam, de diepste jeugd en vier levens van een man  die geboren is in het jaar van Paul Auster. De ‘alternatieve levens’ een afspiegeling van jezelf in wat je dus niet geworden bent. Al met al een zeer intensieve wijze om zich af te vragen wie hij is.

Ik begon Auster te lezen op aanraden van Joris van Groningen, in 1996. Vermoedelijk heb ik toen in een half jaar al zijn tot dan toe verschenen boeken gelezen, en op een enkele titel na heb ik mijn interesse in zijn schrijven kunnen volhouden (al twijfel ik nu over de dikke pil van een 4321) Van Groningen was een heel goed lezer, en ik heb een aantal tips van hem gehad die alle tot langere schrijversliefdes leidden.

Auster heeft zich wat mij betreft een aantal keer opnieuw uitgevonden. De beste romans zitten aan het begin van zijn carrière; alle vroege romans zijn beter dan alle late. Hij heeft ook slechte boeken geschreven (Timbuktu, Travels in the Scriptorium). Maar de grote romans zijn geweldig: The New York Trilogy bovenaan, Moonpalace, The Music of Chance).

De ‘screenplays’ (speciaal Smoke en Blue in the face) vormden de eerste manier waarop Auster zich heruitvond, de memoires boeken zijn de tweede manier en het zijn ook weer boeken waarin hij zich een onbevreesd schrijver toont. Hoewel zijn onbevreesdheid soms wat ver gaat. Ik weet bijvoorbeeld nog niet of het pagina’s lang navertellen van twee belangrijke films in zijn jonge jaren nou heel geweldig is, of eigenlijk een beetje vreemd en gemakzuchtig. Maar mijn interesse in I am a fugitive from a Chain Gang en The Incredible Shrinking Man is wel gewekt.

Een plezierig bijkomend verschijnsel van dit boek over zijn jongere zelf is dat de lezer zich bij vrijwel alles kan afvragen: hoe zat dat bij mij, wat waren mijn eerste films, hoe zag mijn huis op mijn 6e er uit, van welke sport hield ik? Nog een grote aantrekkingskracht dat dit boek op mij uitoefent is dat het uitloopt in een ‘album’ van foto’s.

Een mooie genre shift, zoals John Coltrane in A Love Supreme opeens begint te zingen. Wat mij betreft een teken van kunstenaarschap: net op tijd besluiten dat de vorm die je koos toch niet voldoet om alles te kunnen zeggen. En je wilt alles zeggen.

 

———————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

 

 

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Alvise

Vannacht droomde ik over Alvise, een kleine kale man die B en ik ontmoetten toen we afgelopen zomer op een Agriturismo in Piemonte logeerden.

Op de avond van onze aankomst aten we in de warme eetzaal onder het huis van de eigenaar en raakten met hem aan de praat. Alvise vertelde dat hij uit Emilia kwam en met zijn vrouw op vakantie was. Toen ik om me heen keek voegde hij daar snel aan toe dat ze nu rustte. Zijn vriendelijke oogjes richtte hij daarbij naar het plafond, bijna alsof hij bedoelde dat ze in de hemel was.

‘Ze geniet ongelooflijk van dit soort uitstapjes, maar is daarna erg moe,’ zei hij. De zoetheid waarmee hij over haar sprak was op het randje van zorgwekkend, maar na een halfuurtje in zijn kolkende woordenstroom gezeten te hebben moest ik optekenen dat hier vooral een gelukkig man sprak. Even later slofte hij met zijn handen in zijn zakken het zaaltje uit.

Toen de tafels waren afgeruimd en B Nadim naar bed gebracht had, dronken we koffie op het erf. De grappa was warm en plakkerig als de avondlucht, er hingen veegjes roze aan de hemel en een joekel van een maan kwam op. Ik dacht net aan het mankement aan onze auto dat ik de volgende dag in Asti moest zien op te lossen, toen achter me de stem van Alvise klonk.

‘Lieve mensen,’ kwetterde hij, en duwde een vrouw in een rolstoel tot vlak voor onze tuintafel. Ze zag grijs, en er liep speeksel uit haar mond. ‘Dit is mijn prachtige Magda. Ze is uitgerust en nu gaan we een stukje lopen.’

Ik stond op en bood de vrouw mijn hand aan. Ze maakte een zijwaartse beweging met haar hoofd, maar meer gebeurde er niet.

Een hersenbloeding, dacht ik, en pakte zelf haar koude hand, die ik voorzichtig schudde. Magda keek op naar haar glimlachende man.

‘Dit zijn nu die aardige Hollanders over wie ik je vertelde, mijn hartje. Die zo goed Italiaans spreken.’

Ik liet Magda’s hand los zodat B hem schudden kon, en na een redelijk korte uitleg van Alvise over de romantische wandeling die ze hier elke avond maakten, wenste hij ons een prettige avond.

We kregen nog wat grappa van de aardige meid met het kinderschortje voor en keken Alvise na, die Magda de heuvel op duwde en haar karretje aan de rand van de wijngaard op de rem zette. Het stalen frame ving het maanlicht en leek daardoor versierd met tientallen lampjes.

‘Zijn ze niet superlief?’ zei de tiener. Ze omhelsde haar dienblad en bleef een tijdje naast ons staan. Ik herinnerde me dat: naar oude mensen kijken zonder angst te voelen.

Die nacht werd ik gewekt door hartverscheurend huilen in de kamer boven ons. Een diepe en verschrikkelijke wanhoop sijpelde door het plafond en verkleefde met de muren. Ik stond op om de terrasdeuren en ramen te sluiten, maar het hielp niet. Na een paar minuten werd het stil. Ik opende de ramen weer, zette mijn ellebogen op de vensterbank en luisterde een tijdje naar de krekels terwijl mijn gezonde gezin vredig sliep in de ruimte achter me.

‘Nog niet,’ bad ik, en schaamde me voor mijn egoïsme. ‘Alsjeblieft nog heel lang niet.’

______________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Zijpaden

Vorige week schreef ik hier over Bob Dylans Tarantula en over Conor Oberst, naar aanleiding van diens concert in Utrecht eind januari. Ik zag hem een paar keer eerder optreden, waaronder in 2009 in Den Haag, als onderdeel van de ‘supergroep’ Monsters of Folk – met Obersts vaste bandlid/producer Mike Mogis, met My Morning Jacket-frontman Jim James, en met M. Ward, ook bekend van She & Him (met Zooey Deschanel).

En ja hoor, alle wegen leiden naar Dylan: op datzelfde festival, Crossing Border, stond ook Suze Rotolo geprogrammeerd. Voor wie de naam niet direct herkent: de (Italiaans-)Amerikaanse Rotolo (1943-2011) was politiek activiste, actrice, kunstenares en schrijfster. Tussen 1961 en 1964 had ze een relatie met Dylan; ze staat samen met hem op het album The Freewheelin’ Bob Dylan afgebeeld. (De tragiek is natuurlijk dat ze bekend kwam te staan als het ‘hoezenmeisje’.)

In Den Haag sprak ze in een kamertje ergens boven in de schouwburg over haar onlangs gepubliceerde autobiografie, A Freewheelin’ Time: A Memoir of Greenwich Village in the Sixties, en over haar carrière als kunstenares.

De Amerikaanse culturele sector is net de literaire grachtengordel: als je twee mensen die je voorheen niet met elkaar associeerde in dezelfde ruimte ziet, zou je zomaar tot de conclusie kunnen komen dat iedereen elkaar kent.

Zo kwam de folk-country-rockzanger Steve Earle opeens de kleine ruimte inlopen, ging op de eerste rij zitten en legde een mandoline op zijn schoot. (Nu laat mijn geheugen me in de steek: misschien zat hij er al die tijd al, of was het een ukelele die hij tegen zijn stoelpoot zette – hij was in elk geval heel aanwezig, inclusief instrument.) Ik was verrast, ik had hem eerder dat jaar voor het eerst leren kennen door Townes, een album met covers van zijn voormalige mentor Townes van Zandt (1944-1997).

(Zijpaadje #1: Van Zandt was meestal al snel tevreden na het schrijven en slordig opnemen van zijn muziek, schijnt; Earle heeft dat altijd zonde gevonden, en besloot een selectie nummers enigszins opnieuw te arrangeren, of in elk geval ‘professioneler’ op te nemen. Tip: vergelijk Van Zandts ‘Lungs’ met de versie van Earle. De eerste aangrijpend in zijn eenvoud, de tweede scherp en hard, muzikaal geweld als een trein die door een Amerikaanse prairie dendert en een litteken in het landschap scheurt.)

(Zijpaadje #2: Ik was ooit in de gelegenheid P.F. Thomèse te vragen naar zijn J. Kessels-verhaal ‘Eerder thuis dan Townes’, over een bezoek van ‘de lange, droevige Texaan’ Van Zandt aan Emmen: allemaal waar gebeurd.)

(Zijpaadje #3: Een jaar eerder, in 2008, was ik bij een concert van Joan Baez in Utrecht. Voor wie de naam niet direct herkent: de Amerikaanse zangeres was (en is nog steeds wel) een van de voornaamste gezichten van de Amerikaanse counter culture die vanaf het begin van de jaren zestig furore maakte. En, ja, ook zij had een relatie met Dylan. In 2008 was ze op Europese tournee naar aanleiding van haar nieuwe album The Day After Tomorrow. Een album geproduceerd door… Steve Earle!)

Terug naar de Haagse schouwburg, waar Rotolo haar verhaal afrondde en Earle – een verrassing, ook voor haar – met instrument en al plaatsnam op een stoeltje op het podium, en in de gemoedelijke huiskamersetting een twee- of drietal ingetogen liedjes zong. Ik vertrok met Rotolo’s handtekening in mijn exemplaar van haar boek, volledig in mijn nopjes, en daalde de trappen af naar het concert van Monsters of Folk. (Fijn festival, sowieso.)

Steve Earle verdween de jaren daarna weer een beetje uit mijn geheugen, tot ik zijn naam op een verhalenbundel zag prijken in de Literaire Reisboekhandel Evenaar. Doghouse Roses (2001). Autobiografische verhalen over down and out mannen met enkel een drugsverslaving en een gitaar, zou je na het openingsverhaal denken. Maar Earle begrijpt de mogelijkheden van fictie en gaat verder dan dat, met (vooruit, licht geromantiseerde) karakterstudies van illegal immigrants, zwijgende Vietnamveteranen, drugssmokkelaars op de vlucht voor de border patrol, moderne outlaws, en barflies in Nashville. Een mooi beeld van diversiteit van de Amerikaanse samenleving, veelal door de ogen van kerouaciaanse ramblers. Jay McInerney maakt eenzelfde vergelijking in een lovende blurb: ‘It reads like a collaboration between Steinbeck and Kerouac and Bukowski.’

Dat zal Earle op prijs stellen; ik heb hem al kunnen betrappen op twee keer zingen over Kerouac. In ‘Down The Road Part II’ (2013) zitten overigens tegelijkertijd (subtiele en overduidelijke) knipogen naar Dylan en Van Zandt:

Standin’ on the highway with the road burnin’ through my shoes

Roll over Kerouac and tell Woody Guthrie the news

Heard it said there ain’t nothin’ ahead but I don’t know

Down the road I go

 

Blowin’ in the wind and flyin’ like a cannonball

Never seen a city where I couldn’t find a place to fall

But it’s only a matter of time before I’m feelin’ low

Down the road I go

(Laatste zijpaadje: Earle schijnt ooit de computer met daarop het manuscript van zijn eerste roman verkocht te hebben, om aan geld voor zijn drugsverslaving te komen. Zonde, maar wel een goed verhaal. Die debuutroman kwam er alsnog in 2011. Tegelijk met het boek verscheen een album dat dezelfde titel draagt: I’ll Never Get Out of This World Alive. Niet geheel toevallig staat daar het nummer ‘God is God’ op, dat Earle zelf schreef maar dat Joan Baez eerder opnam. Iedereen kent elkaar.)

Irwan Droog © Floor SchrijversIrwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever. © foto Floor Schrijvers

 

‘De wolf liet menig lam wel duur betalen’ over schulden

Schuldig, wie betaalt de rekening?

is volgens de NRC een ‘magistrale serie over armoede’ in Nederland.

De serie van zes documentaires over de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord gemaakt door Sarah Sylbing en Ester Gould volgt een tiental mensen die door hun schulden in de schuldhulpverlening terecht zijn gekomen of daarlangs scheren. Het is een mooi uitgebalanceerd portret waarbij de schuldvraag bijzonder genoeg niet erg direct wordt uitgespeeld.  We weten van sommige van de geportretteerden hoe ze aan hun schulden komen, maar de makers confronteren hen daar niet mee.

Een van de aansprekende portretten in deze serie van verder goedbedoelende hulpverleners is ironisch genoeg dat van de deurwaarder. We zien hem in actie, maar we zien hem ook thuis in een mooi verzorgd en redelijk duur huis, en we komen van hem te weten dat hij er soms moe van is en verlangt naar een baantje als rondleider van toeristen in het Rijksmuseum. Een lichte voortdurende verontschuldiging is op zijn aangezicht bevroren.

Griekenland bezwijkt onder zijn schuldenlast. Als je eens in paniek wilt raken dan moet je

2017-02-08_141909

hier eens een halve minuut naar kijken  en constateren dat in die halve minuut de Griekse staatsschuld is opgelopen met een bedrag dat een hoop meer is dan je in een maand of wat bij elkaar kunt verdienen. Zo’n € 1.000 per seconde. ‘Schuld’ is volgens de etymologie een afleiding van de Proto-Germaanse werkwoordsstam *skul- ‘moeten, verplicht zijn’, en dat is de zelfde stam die het woord ‘zullen’ voortbracht. Een schuld is een geldelijke of morele verplichting uit het verleden die leidt tot een sterk gevoel van moeten in het heden. Denkend over morele schuld kom je al snel in het universum terecht van Gerrit Achterberg: de schuldige die nooit inlossen kon en daar een oeuvre aan ontwrong. ‘De nacht is om ons heen gelegen, alsof ik u nog nooit bezat.’

Zowel de Griekse schuld bekijken als Achterberg lezen zijn manieren om de narigheid te voelen die ook de mensen in de Vogelbuurt dagelijks gewaarworden. Het wordt alleen maar meer.  Een kastje van € 400 bij de Wehkamp dat niet betaald werd, groeit uit tot een nota van € 1.900, en de wanhoop groeit navenant mee. ‘De wolf liet menig lam wel duur betalen’ dicht Peter Verstegen in zijn vertaling van Shakespeare’s sonnet 96.

De schuldenaren leven een leven van buitenproportionele last en vrees terwijl er oplossingen lijken te kunnen zijn die al zo oud zijn als in elk geval de judeo-christelijke cultuur, ‘vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Deze prachtige serie legt er ook onnadrukkelijk de vinger op: gericht vrijschelden is voor de maatschappij minder duur dan aan laten woekeren.

—————–

img_2482

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Hier schreef hij al eens iets over geld. En hier over schuld.

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Hope, much like shit, floats

Een tijdje terug reageerde ik op een van de mooie stukjes die Henk van Straten dagelijks schrijft. Het leek erop dat de mate van succes van zijn laatste boek hem was tegengevallen, en ik herkende me daar wel in.

De laatste jaren moet ik vaak denken aan de film As Good As it Gets, met Jack Nicholson in de rol van de misantrope schrijver Melvin Udall, die (onder een pseudoniem) succesvolle stuiverromannetjes schrijft. Udall lijdt aan dwangneurosen, en komt door ontwikkelingen in het plot onder druk te staan. Na een bliksembezoek aan zijn psychiater loopt hij terug de volle wachtkamer in en stelt zich hardop de vraag: ‘What if this is as good as it gets?’

Ik haalde Udall aan in het berichtje dat ik Henk stuurde, en hij reageerde door te schrijven dat we toch maar voorwaarts moeten met dat schrijven omdat we ook niets anders kunnen.

Sinds ik ergens in 2007 ben gestopt met mijn laatste fulltime horeca-baan, heb ik steeds vijf dingen tegelijk gedaan. Zo was ik tot medio 2015 redacteur, schrijver, psychodiagnosticus, office manager en kok. Op dit moment is het wat rustiger: ik run een diagnostiekbureau, schrijf, werk voor een wijnhandel en geef les aan de Schrijversvakschool.

Om een of andere reden heb ik altijd het gevoel gehad dat mijn échte leven zich vanzelf zou openbaren, en dat het iets geweldigs zou worden. Hoop is als heroïne: een vlucht die blind maakt voor het heden. De meest gehoorde klacht aan het sterfbed schijnt te zijn dat men niet genoeg genoten heeft van alle fasen van het leven, te weinig tijd genomen heeft voor geliefden, kinderen.*

De plek waar, en de tijd waarin ik leef maken het mogelijk me druk te maken over het topje van Maslows piramide, maar dat gezegd hebbend: wat een zonde om driekwart van je leven op hoop te draaien en het laatste stuk op spijt.

‘Wat als nu het hoogst haalbare is?’ lijkt opeens een irrelevante vraag. Er is alleen maar nu.

 

* Ik baseer dit op een aantal bronnen, maar in het bijzonder een artikel van Susie Steiner in The Guardian uit 2012.

______________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

‘Into the march now’

Na drie kwartier optreden met nauwelijks verholen woede kon Conor Oberst niet anders dan toch zijn excuses aanbieden voor ‘his country’. Hij stond in Utrecht op het podium op de dag dat in Amerika de vliegvelden overrompeld werden door plotselinge decreten. ‘I just don’t want you to think that we’re all crazy,’ zei Oberst. Hij sprak over een wereldwijde ‘weird rising wave’ van fascisme, xenofobie, racisme, islamofobie en seksisme, maar had er desondanks alle vertrouwen in dat vredelievende mensen nog altijd in de meerderheid zijn. Toch gaat hij niet stilzitten, belooft hij: ‘We’re going to take every opportunity to stop these motherfuckers in their tracks.’

Niemand kan zo prachtig kwaad zingen als Conor Oberst. Al vanaf zijn dertiende schreeuwt hij als geen ander, veelal als frontman van de band Bright Eyes; de albums Fevers and Mirrors en Lifted zitten zo vol emotie, dat er af en toe een flinke bak muzikaal lawaai nodig is om tegenwicht te bieden aan de intensiteit van zijn stem. Inmiddels is die stem voller, ronder, zuiverder, maar die uithalen, dat top of the lungs-schreeuwen, dat jaagt nog elk concert een rimpeling van collectief kippenvel door het publiek. En als hij de muziek onderbreekt voor een politiek statement, heeft hij je aandacht.

Op Ruminations, zijn meest recente album, wordt zijdelings Vietnam genoemd – de afgelopen weken weer op de voorgrond van het collectieve geheugen, nadat massale demonstraties herinneringen opriepen aan de Vietnamprotesten. Oberst zingt in ‘A Little Uncanny’, niet toevallig het nummer dat hij speelde direct na zijn verontschuldigingen voor Trump:

We started drinking the Kool-Aid

We were taking the bait

We were talking the big talk

Never playing it safe

Looking good as Jane Fonda

On a Vietnam tank

Can’t get something for nothing

Have to energize your base

 

But she was young enough

She was blonde enough

She was ’bout a perfect ten

Had millions of admirers but not one single friend

And it’s a, it’s a little uncanny what she managed to do

Become a symbol for a pain she never knew

Van Jane Fonda is het een kleine stap naar anti-oorlogsactivist, politicus en schrijver Tom Hayden, met wie Fonda naar Hanoi reisde en in 1973 trouwde. Hayden publiceerde onlangs, kort voor zijn overlijden in oktober 2016, Hell No: The Forgotten Power of the Vietnam Peace Movement. ‘We were a generation divided by Big Lies and propaganda’, schrijft hij over de jaren zestig en zeventig. Hij benadrukt hoe groot het belang was (en vooral: is) van het vertellen en delen van de juiste, échte verhalen, om de geschiedenis correct te herinneren. ‘Storytellers, artists, actors, and musicians would need to be engaged in this effort. The more people were aroused, the more they might demand of Congress and the media, and the more the truth of history could be presented.’ De autoriteiten, parafraseer ik Hayden, zijn al decennialang bezig de peace movement die de Vietnamoorlog uiteindelijk een halt toeriep uit de geschiedschrijving te schrappen – oftewel, het is aan ‘echte mensen’ om ‘echte verhalen’ te delen.

In 1971 publiceerde Bob Dylan (na jaren uitstel – hij schreef het al in ’65 en ’66) op veler verzoek een boek: Tarantula. In mijn herinnering – ik las het zo’n tien jaar terug – was het een dichtbundel; maar nadat hij de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg toegekend, werd Tarantula her en der een bundeling van kort proza genoemd. Het zit er eigenlijk een beetje tussenin, zie ik nu, en is – hoewel me er niet veel van was bijgebleven – toch een interessante (en, weinig verrassend: heel muzikale) tekst. Je vindt er zomaar flarden van ‘echte verhalen’ in, die – als je bereid bent door het kerouaciaanse Doctor Sax-imitatieproza heen te kijken – opeens weer relevant zijn:

… surrendering to persuasion, the crime against people, that be ranked alongside murder & while doctors, teachers, bankers & sewage cleaners fight for their rights, they must now be horribly generous… & into the march now where tab hunter leads with his thunderbird

Het is natuurlijk niet Tarantula waardoor Dylan (tegen wil en dank) zijn stempel ‘voice of a generation’ kreeg, en ook zijn latere autobiografische Chronicles (met de fascinerende ondertitel Volume One) zal niet zijn waar mensen als eerste aan zullen denken bij het horen van zijn naam. Toch zou ik ook benieuwd zijn naar een bundel of roman van Oberst; de neerslag van een moment en een sentiment in de tijd, in drukvorm, zoals Tarantula dat deels ook is. Er zijn naast Dylan genoeg andere muzikanten die zich met verve hebben gewaagd aan boeken schrijven; Steve Earle, Patti Smith, Leonard Cohen (hoewel hij meer een schrijver was die zich aan zingen waagde), Willy Vlautin, Josh Ritter. Via nogal wat omzwervingen kom ik zo bij het onderwerp waar ik me deze maand wekelijks in wil verdiepen.

Terug naar Hayden: het lijkt er inmiddels op dat we de komende jaren meer waarheid kunnen verwachten in kunst, muziek en literatuur, dan in de alternative facts van officiële berichtgevingen. Of dat nu in al dan niet geëngageerde literatuur is, waar problematische kwesties bij uitstek onderzocht en van verschillende kanten belicht kunnen worden, of in die hartstochtelijke belofte van een man op een Utrechts podium, die ooit (tegen wil en dank) als ‘de nieuwe Bob Dylan’ werd bestempeld: ‘We’re going to take every opportunity to stop these motherfuckers in their tracks.’

Irwan Droog © Floor Schrijvers

Irwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever.

© foto Floor Schrijvers

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.