Vijf jaar

De laatste vier jaar schreef ik in maart altijd een stukje over mijn dode vriend Gijs, die op de 13e van die maand jarig was. Dit jaar wilde ik dat niet. Ik merkte verzet bij het idee en liet het achterwege.

De meeste van mijn vrienden leerde ik – net als Gijs – kennen in de Amsterdamse horeca. Er konden jaren voorbijgaan eer ik wist wat voor werk ze deden. Om een of andere reden zijn iemands dagtaken niet zo’n terugkerend onderwerp als je in een druk café staat met een drankje in elke hand.

Werk is wat ik doe, en vaak ook waar ik van houd, maar niet echt iets om over te praten. Ik heb het zelfs vaak als zwaktebod ervaren wanneer een ander langer dan relevant over zijn werk sprak. Voor de duidelijkheid: ik neem niemand zwakte kwalijk. Saaiheid daarentegen…

Waar het al die nachten dan wél om ging? Heel veel steeds belachelijker dingen tegen elkaar zeggen en kijken waar het schip zou stranden. Omstanders in je bullshit betrekken en nieuwe vrienden uit Dortmund maken om gearmd mee naar de volgende zaak te zwalken. Zo zijn alle uitgaansnachten van een periode van twintig jaar tot één enkele aaneengegroeid.

Ik werkte tot een uur of een, dronk bier dan wodka. Daarna fietste ik razendsnel door de drukke binnenstad om bij een café te komen waar vrienden waren en nog meer te drinken. We kraamden onzin uit en lachten tot sluitingstijd; daarna sleepten we iedereen die er gezellig uitzag mee. En dansen, natuurlijk. Heel veel dansen. Liefst op tafels.

Als dat allemaal wat puberaal en gebrekkig klinkt begrijp ik het volkomen. Toch heb ik nooit een goed werkinhoudelijk gesprek gemist. Niet toen ik barman was, noch gastheer, noch kok, noch schrijver.

De laatste tijd overkwam het me opeens weer, dat verlangen om drukte te maken, stennis te schoppen. Bijna elke week was er een verjaardag in een druk café, en omdat ik vaak pas laat in de avond in kan haken stond ik dan voor de klassieke keus: een uurtje naar aangeschoten semibekenden staren voordat ik met fatsoen af kon taaien, of nieuwe vrienden maken, kopstootjes voor ze bestellen en op en neer springen tot ze niet anders konden dan meedoen.

Je haalt ze er zo uit, de gelijkgestemden. De twinkeling in hun ogen terwijl ze proberen die jenever af te wijzen. Je hoeft ze niet over te halen, dat doen ze zelf wel. Het waren een paar gezellige en slopende weken. De druktemaker in me was terug en ik bleek hem gemist te hebben.

Kennelijk had ik hem toch niet samen met mijn vriend begraven.

 

* De man naast me op de foto is niet Gijs. 

______________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In het najaar van 2016 komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Grijs

Zaterdag at ik bij mijn moeder. Onverwacht, omdat ik me in een soort limbo had bevonden nadat ik erachter kwam dat een verjaardag waar ik die avond heen zou gaan, helemaal niet op die avond plaatsvond maar een week later – zie je, het begint al, de aftakeling.

‘Je wordt mooi grijs,’ zei ik tegen haar.
Dat is ook echt zo: niet overal een beetje, maar in stroken, alsof ze naar de kapper is geweest en niet heeft gevraagd om streepjes blond, maar streepjes grijs.

‘Ja,’ zei ze, ‘en het grijze haar is dikker, heel prettig.’

‘Ga je het verven?’

‘Ga toch heen. Je blijft aan de gang.’

We aten soep en dronken wijn. Ik zei dat ik ook grijs begin te worden, dat I. dat heel grappig vindt en er genoegen in schept de grijze haren uit mijn slaap te trekken om ze daarna liefdevol doch triomfantelijk aan mij te laten zien. Hij grijzer dan ik en een jaar ouder, wat er misschien mee te maken heeft*.

‘Kijk maar,’ zei ik, en toonde haar mijn slaap.

‘Ha!’ riep mijn moeder, na het vlooien, ‘nogal zeg!’

Raar, moet dat zijn. Een kind hebben en dan zien dat het grijs wordt. Ik schraapte mijn kom leeg. At een stuk brood dat mijn moeder niet wilde.

‘Jullie werden allebei veel later grijs, of niet?’

Ze knikte. Mijn vader heeft heel erg dik en heel erg veel haar, dat bijna zwart was voor hij begon met grijzen. Zij had heel erg dun haar, bruin, dat nu dus dikker wordt. Ik zit precies in het midden. Mijn broer is blond, maar toont genoeg uiterlijke overeenkomsten met beide ouders om melkboerspeculaties tegen te gaan. Hij is tweeëntwintig en nog niet grijs. Toen ik tweeëntwintig was had ik twee baantjes en liefdesverdriet. Ik las zo nu en dan een boek en vroeg ik me ontzettend af wat ik met mijn leven aan moest.

Vannacht ben ik eenendertig geworden, wat een stuk serieuzer klinkt dan dertig. Alsof ik naast wat er al is ook een koophuis zou moeten hebben, en een ademende regenjas. Op naar de veertig, zou je zeggen, en haast vergeten dat ertussenin nog negen jaren liggen.

 

 

* ‘Zeg dan nog maar iets over kaalhoofdigheid,’ zei Joop. ‘Nee, ik weet niks meer,’ zei Frits. ‘Kan het vrouwen eigenlijk iets schelen, of hun man een kale kop heeft, Ina?’ vroeg hij. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze, ‘dat zal je aan die vrouwen moeten vragen.’ (De avonden, Gerard Reve, 1947).

—–

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Aan het einde van het universum is een muur

Aan het einde van het universum is een muur. Daar achter houdt alles op, zo stelde ik me vroeger voor. Maar de leegte achter de muur was toch ook ruimte? In de zomervakanties gingen we naar Frankrijk. ’s Nachts waterde ik aan het prikkeldraad bij de koeien en soms vergat ik wat ik daar deed. Ik staarde minutenlang naar de sterrenhemel. Wat een vreemde gewaarwording voor een stadskind om de sterren te kunnen zien. Het maakte ons zo nietig, mij zo onbelangrijk. Waarom je broek nog dichtknopen? Wat betekende het ten overstaan van die weidse sterrenhemel?

Achter de muur was nog een muur. Ik nam een aanloop, een stap verticaal en mijn vingers grepen naar de bakstenen rand. In de voegen zat harde mortel. Ik trok me op, zwaaide mijn been over de muur en liet mij zakken. Nog een muur. Weer klimmen. Springen, en zo klom ik over wel honderd muren. Tot ik, uitgeput als ik was, tenslotte noodgedwongen opgaf. Wie weet hoeveel muren er nog kwamen?

Aristoteles zegt dat er aan het begin van ‘alles’ iemand moest zijn geweest die alles een zetje gaf. Anders zou het niet allemaal in beweging zijn. Dat is logisch. Hij noemde diegene ‘de eerste beweger’. Die eerste beweger was zo bijzonder omdat hij de dingen een zetje had gegeven zonder dat iemand hem daar toe dreef. Hij was zijn eigen oorzaak, causa sui, en al het andere wat daarna kwam had netjes zijn oorzaak in het voorafgaande, als een eindeloos groot spel biljart.

Als mijn vader me vroeger meenam naar het café dan speelden wij ook biljart. We stootten de ballen via de band tegen de andere ballen. Hij leerde me trekstoten, masseren, piqueren. Misschien kon de eerste beweger dat ook: piqueren. De bal had een soort effect waardoor hij terugrolde naar waar hij vandaan kwam. Zoiets moest het zijn geweest.

Immanuel Kant zegt dat tijd en ruimte ‘waarnemingsvormen’ zijn, Formen der Anschauung. Alle waarneming van mensen is noodzakelijkerwijs altijd gegoten in de mal en matrijs van ruimte en tijd. Dat zijn volgens hem beperkingen van de mens, niet van de wereld an sich. Het kan dus heel goed daar aan liggen dat we niet begrijpen hoe het zit met het biljart, hoe het zit met de muren achter de muren. We zijn niet gemaakt om het te begrijpen. We denken noodzakelijkerwijze in ruimte en in tijd. We stellen beiden voor als oneindig, maar die voorstelling is gemankeerd.

Op het moment lees ik Flatland van Edwin A. Abbott. Flatland is antropologische fictie, opgezet als filosofisch gedachte-experiment. Aan het woord is een vierkant. Het vierkant stamt uit een ons vreemde wereld: Flatland. In Flatland leven driehoeken, paralellogrammen, vierkanten, polygonen, en cirkels. Een groot deel van het boek bestaat uit een nauwkeurige beschrijving van de maatschappelijke verhoudingen, tussen deze vormen, de klassen waarin zij opgedeeld zijn, het verkeer tussen de seksen, etc. Men krijgt bij het lezen een beeld van een wereld waarin alles plat is.

Aan de vooravond van de ontknoping krijgt het vierkant een droom, een visioen zou je kunnen zeggen. Hij ziet een wereld voor zich die bestaat uit een enkele lijn. Op die lijn bewegen wezentjes die zelf ook allemaal lijnen zijn. Een van hen is de koning. Hij is de langste lijn. Verder zijn er mannen en vrouwen, die ieder ook hun lengte hebben.

Als het vierkant een van zijn punten in deze wereld steekt en een gesprek begint met de koning van Lineland, volgt een confrontatie die doet denken aan oud filmmateriaal met first contact-beelden. In 1930 vlogen goudzoekers met een vliegtuigje over een ongerepte vallei in Nieuw Guinea. Wat zij aantroffen, was een grote hoeveelheid goud en een kleine samenleving van een kwart-miljoen mensen die nog nooit contact hadden gehad met de buitenwereld. De vallei waarin zij leefden was zo afgeschermd dat zij in hun bestaan ongestoord hadden kunnen blijven. Het was een wereld in het klein, waar nu ineens een vliegtuig landde.

Het onbegrip ten overstaan van de vreemdeling, het onbegrip van de koning der lijnen die voor het eerst met een vierkant spreekt, krijgt zijn analogie in Flatland, wanneer middenin de woonkamer van ons vierkant een in omtrek sterk variërende en pulserende cirkel verschijnt. De cirkel beweert uit een andere wereld te komen, een wereld met drie dimensies. Hij is, zo zegt hij, geen cirkel, maar een bal. De tragiek wil, dat dit te veel is voor ons vierkant om te begrijpen. Zijn waarneming is gebonden aan de tweedimensionale ruimte en in een wolk van paniek en verwarring werpt hij zich op de indringer. De twee raken in een worsteling die niet onderdoet voor die van Jacob en de engel.

—-

_Mathijs AF-9299
Tofo: Rosa van Ederen

 

Mathijs Gomperts (1988) is zondagblogger voor Tirade en zal zich buigen over de esthetica. Gomperts debuteerde in januari met zijn dichtbundel Zes. Onlangs werd bekend gemaakt dat de bundel  genomineerd is voor de C. Buddingh’-prijs. Naast dichter is is Gomperts filosoof en worstelaar.

[foto: Rosa van Ederen]

Zijn we slim genoeg om goed waar te nemen?

Zien we wel wat we zien?  was een van de vragen van filosoof/dichter/worstelaar Mathijs Gomperts hier stelde op het Tiradeblog. Het was in het geval van zijn stuk een vraag naar aanleiding van hoe Native Americans gekeken zouden kunnen hebben naar het schip van Columbus dat in hun wateren voer. In korter bestek wees het op het daar bijgevoegde plaatje van het type waarnaar je lang moet kijken voor je ziet wat erop staat. (Herinnert u zich dit type eigenlijk nog? / Of voor wie er van houdt de Duitse variant van het zoekplaatje: ‘Wenn du 10 Sekunden konzentriert auf das Bild schaust, erscheint im Hintergrund ein Wald’)

Kortom, het is maar waar je naar op zoek bent. De vraag refereerde voor mij ook aan een boek dat ik aan het lezen ben: Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn van Frans de Waal. De bioloog/primatoloog/psycholoog De Waal schrijft graag over de geschiedenis van zijn disciplines, de helden en de onnozelaars uit zijn vakgebied. Een voorbeeld voor hem is de Duitse bioloog Von Uexküll die het begrip Umwelt muntte, de wereld vanuit het gezichtsveld van het dier. Bijvoorbeeld een teek, wat ziet die, wat voor leven leid je als je 35 jaar rustig wacht tot er een warmbloedige onder je boom doorloopt?

‘Von Uexküll beschreef ook andere voorbeelden en toonde aan dat één enkele omgeving honderden werkelijkheden biedt, die voor elke soort typerend zijn. Daarmee is Umwelt duidelijk iets anders dan het begrip ecologisch niche, de habitat die een organisme nodig heeft om te overleven. Umwelt legt de nadruk op de egocentrische, subjectieve we­reld van het organisme, die maar een klein deel vormt van alle beschik­bare werelden. Volgens Von Uexküll blijven de verschillende Umwelten ‘onbevattelijk en nooit waarneembaar’ voor alle soorten die ze bouwen. Zo zijn er dieren die ultraviolet licht zien, terwijl andere in een geurenwereld leven, of onder de grond op de tast hun weg vinden, zoals de stermol. Sommige dieren zitten op de takken van een eik, an­dere leven onder de bast van diezelfde eik, terwijl een vossengezin een hol graaft onder de wortels, ieder neemt dezelfde boom anders waar.’

Een inspirerende gedachte die het prachtige Engelse woord mesmerizing verdient, naar Franz Anton Mesmer, de vader van de hypnose. Een hynotiserende gedachte dat al die vormen van bewustzijn op sommige plekken gelijktijdig aanwezig zijn en iets anders waarnemen. Kortom dat je je je voortdurend in een wereld bevindt waar 99% van de andere aanwezigen misschien maar 1% van de indrukken met je delen. Wat voor wereld is dat dan?

‘Mensen kunnen proberen zich de Umwelt van andere organismen voor te stellen. Omdat we een sterk visueel gerichte soort zijn, kunnen we met apps gekleurde beelden omzetten in beelden zoals ze worden gezien door kleurenblinden. Als we onze empathie willen vergroten kunnen we geblinddoekt rondlopen om zo de Umwelt van slechtzien­den te simuleren.’

Etc. Wat weten we dus eigenlijk? Ik was wel gefascineerd door dat beeld van een boom waarop, van waaronder,van waaruit, van waarnaast honderden aanwezigen hun eigen opvatting over die boom hebben.

2rmuk5tEn dan hebben we het nog niet eens over de boom zelf. De Duitse boswachter Peter Wohlleben breekt in een succesvol boek Das geheime Leben der Bäume de niet-houten lans voor deze zwaar onbegrepen wezens. De Idéfix onder de boswachters! Ze hebben familierelaties, communiceren over kilometers afstand, voeden de zwakkeren onder hen etc. ‘In een hand vol bosgrond leven evenveel levende wezens als er mensen op aarde zijn.’ In een interview met NRC vertelt hij: ‘Bomen communiceren via de bloesems aan hun takken, door elektrische impulsen, ze hebben een geheime geurtaal. Al in de jaren zeventig zagen de wetenschappers acaciabomen op de Afrikaanse savanne  iets heel bijzonders doen. De acaciaboom is een lekker hapje voor giraffen. Maar de boom wordt niet graag opgegeten, dus die stuurt een viessmakend gifstofje naar zijn bladeren. De giraffe stopt met eten. Om pas honderden meters verderop weer een hapje acacia te nemen. De aangevreten acacia produceert namelijk, naast de gifstof ook een

Voor de liefhebbers dan nog dit plaatje. Wat is er eerlijk gezegd zo opmerkelijk aan?
Voor de liefhebbers dan nog dit plaatje. Wat is er eerlijk gezegd zo opmerkelijk aan?

waarschuwingsgas dat zegt: hongerige giraffekudde op komst. Meteen smaken alle buurbomen ook vies. ‘ Hoewel Wohlleben hier en daar een veelverklarend Darwinistisch inzichtje gemist lijkt te hebben, zijn zijn gedachten en gevoelens bij de Nederlandse bossen als bossen vol ‘bomen zonder familie, zonder relaties en zonder opvoeding, bomen die gecultiveerd, gekortwiekt en verplaatst zijn’ zeer verfrissend en ontluisterend.

Frans de Waal neemt het op voor in naam minder slimme dieren door tests te bekritiseren. Veel tests houden te weinig rekening met wat een dier moet kunnen en wil kunnen. Of zoals Werner Heisenberg het formuleerde: ‘Wat we waarnemen is niet de natuur op zich, maar de natuur zoals die zich aan onze methodes openbaart.’

Veel filosofisch valt er te leren van wie goed naar bomen en naar dieren kijkt.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Waas

IMG_1567Het was lang wachten, dit jaar. Meestal krijg ik eind maart al een fotootje van B – op weg naar haar werk genomen – waarop een groen waas te zien is dat met een grote spuitbus over de bomen lijkt te zijn verdeeld. Daar zet ze dan uitroeptekens onder. Of alleen maar: Eindelijk.

Naast de traag startende lente was het ook lang wachten omdat B tegenwoordig zo druk is met werk en opleiding dat ze geen ruimte over heeft voor zaken als het waas. Ik zie dat overal om me heen gebeuren: zes dagen als een gek rondrennen om de zevende snoeihard te ontspannen. Op dag zeven moet de bank springen, de horeca worden uitgewoond tot de sluitingstijden van de binnenstad ons goddank dwingen naar bed te gaan. Ikzelf was geen uitzondering, en hield tot voor kort minstens vier baantjes in de lucht.

Aan het begin van dit jaar vond ik dat het anders moest. Het werd tijd om te gaan doen wat ik fijn vond, en die activiteiten die me stress bezorgden en relatief weinig opleverden geleidelijk af te stoten. Dat is best eng: er zit veiligheid in wedden op vijf paarden in plaats van één. En ingrijpen in de status quo lijkt – en ís ook een tijdje – meer werk dan niets veranderen.

Do one thing every day that scares you. 

Zoals bij veel oneliners voelen Eleanor Roosevelts woorden waarachtig zonder haalbaar te zijn, tenzij je heel angstig bent aangelegd. Maar opschudding lijkt – hoe onaangenaam ook op het moment van schudden – bijna altijd ergens goed voor.

Gisterenmiddag at ik met Nadim een ijsje in het Westerpark, en daarna keken we samen naar de eenden. Ik lag op mijn buik in het gras met mijn jongen op mijn rug. We zeiden weinig. Op een gegeven moment drukte hij zijn wang tegen de mijne. De oppervlaktespanning van een kleuterwang. Zijn adem rook naar frambozensorbet en zoete koek. Ik besefte dat B en ik het goed doen, met hem. Dat hij een fijne man zal worden.

Toen het tijd leek om op te staan liepen we naar mijn fiets. Nadim leert inmiddels ook fietsen, maar zit voor grotere afstanden gelukkig nog bij me op de stang.

Op weg naar huis zagen we het waas. Ik stopte op een brug en wees ernaar. Nadim knikte. Dit jaar was ik het die de foto nam.

Kijk, schreef ik aan B toen ik hem stuurde. Eindelijk.

______________________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind.

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

De onzichtbaarheid van Columbus

Toen ik zestien was kwam de film What the bleep do we know? uit. Mijn moeder was er helemaal weg van. Ze heeft een zwak voor spirituele interpretaties van het leven, en deze film, met z’n belofte dat de wereld plooibaar was en onze wil tegemoetkwam als je maar hard genoeg ‘wilde’ paste precies in haar wereldbeeld. Ik geef toe, ook ik vond het een hele spannende gedachte dat je met je geest invloed uit kon oefenen op de wereld. Dat als je maar genoeg in iets geloofde, het bewaarheid werd. Ik richtte mijn aandacht op het manifesteren van een heel knap meisje, dat dan mijn vriendinnetje kon worden. Nu, twaalf jaar later, moet ik toegeven dat het heeft gewerkt. Ik heb een vriendin. Ze is ontzettend knap. Wie weet hoe dat was gegaan als ik die film niet had gezien?

Wat mijn moeder betreft… vooral het verhaal over de onzichtbaarheid van Columbus raakte haar. Columbus, zo werd in de film verteld, had met zijn schip de kust van Zuid-Amerika bereikt, maar het schip was onzichtbaar voor de inboorlingen die aan die kust leefden. Ze wisten niet wat een schip was en omdat zoiets in hun wereld niet bestond, konden ze het niet zien. Het schip was er gewoon niet. Columbus was er gewoon niet. Het was een gewone dag aan strand.

Mijn moeder vroeg zich af: zijn er dingen die wij niet zien, omdat we denken dat ze niet bestaan? Zijn de dingen die wij zien er alleen omdat we nou eenmaal in ze geloven? De film riep zo veel vragen op over hoe de wereld in elkaar zat en wat de relatie tussen onze waarneming en die wereld was. Ze kon er niet meer over ophouden en we voerden lange discussies, over hallucinaties, schoonheid in de kunst en dat mijn rood misschien wel haar groen was…

Dit spectrum aan onderwerpen, weet ik nu, komt aan bod in twee takken van de filosofie, de epistemologie en de esthetica. In dat eerste gaat het vooral om de vraag hoe wij kennis van de buitenwereld kunnen verkrijgen, maar soms ook breder, hoe we kennis überhaupt verkrijgen. Als je een som uitrekent en het antwoord hebt, wat is er dan gebeurd? Eerst wist je het antwoord niet en daarna wel… Hoe kan dat? De tweede tak, de esthetica, gaat over kunst. Wat is kunst? Wat is schoonheid en wat is de verhouding tussen mens en kunstwerk?

‘Aisthesis’, uit het Oudgrieks, betekent zoveel als zintuiglijke waarneming. De eerste theorieën in de esthetica gingen dan ook niet zo zeer over kunst, over plezierige waarneming, maar over waarneming an sich. Hoe werkt zintuiglijkheid? De zon schijnt, het licht valt in de zeilen van Columbus, maar de Indianen zien het niet. Zien ze iets anders? Donderwolken? Een school vissen? Wat zien ze?

Inmiddels heb ik mijn twijfels bij het verhaal over Columbus en de indianen. Het is te mooi om waar te zijn. Het is een indianenverhaal. Ik vermoed dat die Indianen wel degelijk iets zagen, maar dat zij eenvoudigweg niet konden plaatsen wat dat was. Een voorbeeld daarvan is de zwart-witfoto bij deze blog. Tijdens mijn studie kreeg ik deze voor ogen en ik heb me er dagenlang over gebogen, tevergeefs. Ik zag de foto wel, en ik zag wel dat er iets op stond, maar ik kon niet zien wat het was, tot iemand het aan me vertelde. Toen verscheen er ineens, in een Gestalt-switch, iets op de foto, wat er eerst niet was geweest. Het gebeurde voor mijn ogen, alsof het magie was.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Julia Buijs"
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.

  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.