Antwoorden op LINDA.

Het magazine LINDA. interviewde onlangs onze blogger Anne-Marieke Samson. Bij wijze van solidariteitsbetuiging geeft ook Gilles hieronder antwoord op de vragen die haar werden voorgelegd.

Deel 1

Kun je ons in één zin vertellen waar De val van Jakob Duikelman over gaat?
Nee, de drukproef die aan de redactie was toegezonden werd mij afhandig gemaakt door collega Marko van der Wal, die had kunnen weten dat het (na het lezen van tien bladzijden) moeten afstaan van wat een heel goede roman lijkt te zijn verschrikkelijk is. Verschrikkelijk. Ik heb weken niet aan een ander boek kunnen beginnen.

Wat is het mooiste boek wat je ooit hebt gelezen en waarom?
Omdat dit steeds verandert ga ik hier antwoorden door het boek te noemen dat ik het langst het mooist gevonden heb. In the Heart of The Country, van Coetzee. Of nee: John Bergers To the Wedding. Fuck, nee: The Insult van Rupert Thomson. Nee, niet. Anthony Doerr: The Shell Collector. Wacht. Nee, wacht. Giovanni’s Room. Of toch The Closed GardenDer Golem? Pilgrim? Le temps d’un soupir? Ames grises

Lieve LINDA. Ik kan het niet. Te moeilijk.

En waarom? Echt?

Hoe ben je begonnen met schrijven?
Mijn moeder zegt dat mijn eerste verhalen coproducties waren. Samen met mijn vader smeedde ik tussen mijn derde en negende een heel oeuvre waarin hoofdrollen voor onze huisdieren waren weggelegd.

Waar laat jij je door inspireren?
Ik geloof dat ik alles wat me overkomt onderbewust opsla en dat mijn ‘pen’ later als een soort ouija-glas de letters opschrijft die me worden ‘doorgegeven’. Nee, echt. En ik merk ik dat ik bij thuiskomst van een verre reis vaak schrijf in de sfeer van het land dat ik bezocht heb.

Wie moet jouw boek absoluut lezen?
Iedereen. De beginnende lezer raad ik Hier sneeuwt het nooit aan. Voor de gevorderden: Het laatste kind. Voor elk wat wils, dus.

Deel 2

Als jij hoofdredacteur van LINDA. was, welk thema zou de volgende LINDA. dan hebben?
Ik denk aan beauty, wellness of verre reizen. Maar koken spreekt me ook aan. Ja, misschien wel over koken. De Surinaamse keuken, lijkt me een goede. Daar zit alles in, mits je een beetje suiker en MSG weglaat uit de receptuur. 

Welke reactie op je boek is je het meest bijgebleven?
Een foto die een lezeres mailde van mijn bundel, liggend op haar blote benen, die op hun beurt weer in het gras lagen. Het was een bibliotheekexemplaar van Hier sneeuwt het nooit (wat altijd bijzonder is). Ze schreef: ‘DANK je. Dank je, dank je, dat je DIT hebt geschreven.*

Het thema van LINDA.meiden is beauty. Wanneer voel jij je op je mooist? En wanneer op je lelijkst?
Oh, beauty is al geweest. Wat jammer.

Ik voel me niet vaak mooi. Maar dat is natuurlijk de vraag niet. Ik voel me – geloof ik – op mijn mooist als ik geniet, en voor heel even niet bezig ben met hoe ik overkom. Op mijn lelijkst voel ik me als ik kleren moet kopen in om het even welke winkel.

Heb jij een schrijfritueel?
Ik schrijf vijf dagen per week van 09:00 tot 12:30 aan mijn eettafel, die LEEG moet zijn op een laptop, schrijfblok, vulpotlood, espresso en de resten van iets zoets na.

Verdien je je brood met schrijven? Wat doe je nog meer?
Ik verdien alleen de boter met het schrijven. Beleg en brood worden anders gefinancierd. Zo run ik een psychodiagnostiekbureau, redigeer ik tekst voor anderen, kook en cater ik, en heb ik een vrouw met een stabiel inkomen. Samen redden we het wel.

 

 

* Geen woord gelogen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Van de redacteur – twee boekentips voor Henk P.

Neoliberalism has brought out the worst in us.’ – Paul Verhaeghe, The Guardian, 29 september 2014.

Hey Henk,

Hoe gaat ’t met jou? Met mij gaat ’t goed!

Ik zat/zit opeens te denken… die nobele Henk bezorgt nu al jaren onvermoeibaar het pleit van de NED-LIT, de LIT en de CULT in ’t algemeen, maar wie promoot nu eens een boekske aan zijn adres? Een veronderstelde lacune waarin ik graag voorzie.

Uit waardering voor al jouw inspanningen doe ik jou in dit schrijven twee tips aan de hand. Één gloednieuwe titel. En één moderne klassieker. Het eerste/tweede nonfictie. Het tweede/eerste fictie.

Ik ga mijn keuzes niet toelichten. Testimonia zijn passé – het internet bezwijkt eronder. En het was al zo’n onwaarachtig genre. Bovendien: wat zou ik boeken gaan zitten aanprijzen? Ik ben schrijver, geen copywriter of vertegenwoordiger, toch? Ik neem aan dat mijn naam aanbeveling genoeg is voor je.

Loop een boekwinkel in en je ziet tot welke ellende de misvatting dat lezers overtuigd – of erger: ‘verleid’ – moeten worden heeft geleid. Hysterische blurbs, kitscherige omslagen, zwaar gephotoshopte auteursportretten. Noem me een romanticus, maar in mijn meest extatische buien ben ik soms geneigd het boek als meer dan een louter economische factor te beschouwen – als een manier om wezenlijk contact te maken met andere mensen.

Ach, sorry… terwijl ik de jpg’s in deze missive zit te plakken, zie ik pas dat mijn beide Tip/Top boeken uit het fonds van Uitgeverij Wereldbibliotheek komen! De uitgeverij die ook mijn werk publiceert. Sterker nog… nu zie ik pas dat ik één van de twee boeken zelf geschreven heb, hahaha! Wat stom dat me dat niet eerder is opgevallen! Wat gênant eigenlijk! Wat onbescheiden! Nou ja… het gekkenhuis van de literatuur heeft vele kamers, moet je maar denken.

de rechter die geen ontzag hadHeel erg origineel zijn mijn aanbevelingen, jouw referentiekader inschattende, niet. Hugo Röling’s De rechter die geen ontzag had is je natuurlijk al lang aangeraden door je eigen auteur Kees van B. en mijn eigen romans, verhalen en blogstukken worden zo onvermoeibaar gepromoot door Weekblad Pers Groep arrangeur/auteur Hanneke van Hussel dat je er langs de één of andere weg al lang over gehoord moet hebben. Ik breng je oud nieuws, ik verdoe je tijd.

Ik ga je mijn twee Tip-boeken niet cadeau doen of laten toesturen. Je moet ze zelf kopen – ik denk dat je mijn uitgever en zijn auteurs dat beetje omzet wel gunt. Zelf ben ik een groot voorstander van zelfstandige boekhandels. Maar als je de titels liever verwerft bij een ketenboekhandel of webwinkel: dat is natuurlijk niet verboden. Zolang je de boeken maar niet steelt.

Nou, Henk, ik ga weer wat doen… schrijf me vooral niet terug, want dat valt sowieso verkeerd. Voor je ’t weet komt mijn personage De Staart de voordeur aan de Van Miereveldstraat intrappen om je knieschijven kapot te schieten en je je eigen ballen op te laten vreten. Dat moeten we niet willen!

Veel plezier met de teksten die ik je heb aangeraden – en het allerbeste voor jou en voor die fijne toko van je.

Dag hoor,

Martijn

————-

Volgende week: Via Gewande naar het Van Abbe en Kazerne – tien dagen keten met Maarten Baas.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Je bent onzichtbaar’

fotoHet prettigste aan mijn ‘writer in residence’-plek hier aan het NIAS zijn de wandelingen van het ene gebouw naar het andere. Terwijl ik thuis in de ledige momenten van het schrijven naar de keuken loop, in de koelkast of uit het raam staar, loop ik hier van het ene gebouw naar het andere, over gras, onder bomen, langs een groene sloot met eend. Soms zie ik een nerveus eekhoorntje. In het ene gebouw heb ik een slaapkamer met douche, in het andere een werkkamer. Die werkkamer is naar mijn smaak nogal donker, voor het raam niets dan gebladerte. Toen ik een keer vroeg of ik misschien naar een kamer met meer daglicht zou kunnen verhuizen, werd mij duidelijk gemaakt dat dit niet de bedoeling was. ‘Marcel Möring, Tommy Wieringa en Thomas Rosenboom zaten hier. Dit is de schrijverskamer.’ Hij keek me aan. ‘Rosenboom was wel dol op chili con carne,’ voegde hij er aan toe. ‘Ah, vandaar die bedompte lucht,’ speelde ik het spel mee. Hij lachte. ‘Ja, precies, precies!’

Alle aanwezigen hier worden ‘fellows’ genoemd en van alle fellows wordt verwacht dat ze zoveel mogelijk aanwezig zijn, dat ze aan de gezamenlijke lunches deelnemen en lezingen bezoeken van de andere fellows. Ik ben hier beslist niet elke dag, dus als ik er ben, doe ik mijn best om mijn aanwezigheid zichtbaar te maken. Ik schuif mijn naambordje bij de receptie op ‘aanwezig’, vraag een boek aan in de bibliotheek, meld dat de douchekop in mijn studio lekt en ben stipt op tijd voor de gezamenlijke warme lunch.

Als ik weer terugkeer in de duistere schrijverskamer, check ik als eerste mijn mail (slechte gewoonte). Naast mijn inbox meldt een zin: ‘Je bent onzichtbaar.’ Ik kijk er even naar. Onzichtbaar. Nu heb ik net mijn best gedaan mijn aanwezigheid hier kenbaar te maken, meldt mijn mail dat ik ‘onzichtbaar’ ben. Wat zijn we toch in een rare tijd aanbeland; een tijd waarin je jezelf op alle mogelijke manieren zichtbaar maakt voor de wereld. Alsof je langzaam zou verdampen en in stoom zou opgaan als je niet online bereikbaar bent. Ooit was er een tijd waarin er moed voor nodig was om voor een onbekend publiek zichtbaar te zijn. Vandaag de dag is er moed voor nodig om onzichtbaar te durven zijn.

Goed, als je werkelijk je eigen lichaam niet meer kunt waarnemen, dan kun je je afvragen of je nog wel bestaat. (Oké, ik zal dit keer Heidegger erbuiten laten, al is de  verleiding groot.)  Maar we weten allemaal dat online zichtbaarheid weinig zegt over je daadwerkelijke toestand. Ook valse identiteiten of fake-personen kunnen online een leven hebben. Ergens is het gek dat we er dan toch zoveel belang aan hechten, aan die virtuele aanwezigheid, aan die illusie die we voor onszelf creëren en die bevestigd wordt als we zien dat anderen kunnen zien dat we er zijn. Mijn mail stelt me met onderstreepte woorden voor zichtbaar te worden. Ik kan er op klikken en de wereld zal zien dat ik er ben. Zichtbaar. Onzichtbaar. Hier zit ik. Heus, ik ben misschien wat doorschijnend, maar ik besta nog.  Goh, wat is mijn werkkamer ineens knus. Niemand weet dat ik hier fijn onzichtbaar zit te zijn, in deze bedompte schrijverskamer, verscholen achter struiken en takken waaraan ook in oktober nog vet en groen en donker dicht loof.

 

 

__________________________________________________________________

Jannah LoontjensJannah Loontjens is romancière, dichteres, critica, essayiste en filosofe. Onlangs verscheen haar roman Misschien wel niet.

 

 

 

 

 

 

De val van Zwarte Piet

Albert Heijn besloot deze week om Zwarte Piet in de ban te doen. En Amsterdam besloot het uiterlijk van de pieten bij de intocht van Sinterklaas redelijk radicaal te veranderen, geen rode lippen, minder zwarte gezichten. Tegelijk liet een Nederlandse vereniging (die ook een nogal gekleurd

Bij mijn Franse buurvrouw Odile kwam Zwapi het huis niet in. Ik weet nog dat ik me als kind afvroeg of dat racisme was. Het was ergens begin jaren negentig, ik geloofde niet meer in Sinterklaas (maar mijn zusje nog wel) en racisme was ongeveer even populair als nu. Nelson Mandela was vrij, de wereld protesteerde tegen apartheid. Ik had een fruit of the loom t-shirt met Racism Beat It erop. En MJ zong It don’t matter if you’re black or white, terwijl hij danste met indianen en bosjesmannen, met als spetterende afsluiting van de clip een gezicht dat volgens de aller-modernste technieken veranderde van kleur en van haardracht, maar ondertussen steeds bleef lachen.

Mijn buren moesten lachen toen ik vroeg waarom zwarte mensen bij hen niet welkom waren. Het ging niet om zwarte mensen, maar om Zwarte Piet, zei buurman. Mijn buurman, zo vertelden ze me toen, had mijn buurvrouw toen zij net in Nederland woonde uitgenodigd op een sinterklaasviering waar hij Piet zou spelen. Om indruk op haar te maken had hij zich extra dom gedragen, en zich enthousiast tegen zijn zwartgeschminkte kop geslagen als hij door Sint werd gecorrigeerd. De aanwezige kinderen hadden geschaterlacht. Maar buurvrouw was na afloop geschokt, en in het geheel niet gecharmeerd. “Si(e)nterklaas i(e)s een raci(e)st”, had ze gezegd. En natuurlijk had ze gelijk, zei buurman toen. Hij deed voor hoe hij lamgeslagen van schrik en spijt zijn armen omlaag liet vallen, toen hij zijn nieuwe geliefde boos weg zag fietsen omdat hij onschuldige kinderen een negentiende-eeuws karikatuur had voorgeschoteld van een luie, domme, zwarte man.

De les die ik daar toen uit getrokken heb is dat racisme geniepig is. Kennelijk kun je een racist zijn en daar geen idee van hebben. En het is dus zaak om mensen daarop te wijzen (er even vanuitgaand dat mensen geen racist willen zijn). Maar hoe pak je zoiets aan? “Ik ken moslims”, zei laatst iemand bij een etentje met yoga-vrienden, “die leiden zo’n goed leven, daar kunnen jij en ik nog een puntje aan zuigen.” Toen ik daarop zei dat ik een jood kende die ook een uitzonderlijk goed leven leidde, kreeg ik de vraag of ik antisemiet was. chimmy

Ik las een tijdje terug Americanah van Chimamanda Ngozi Adichie. Daarin zet Adichie (overigens zonder enige bitterheid en met een prettige dosis humor) een redelijk angstaanjagend beeld neer van alledaags racisme in Amerika (dat overigens niet voorbehouden is aan witten of Amerikanen). Hoofdpersoon Ifemelu, een Nigeriaanse fellow aan een Ivy-league universiteit ontkomt er niet aan dat haar omgeving denkt dat ze achterlijk is, of een beetje vies, of bijzonder sterk; dat ze raar haar heeft, of een virtuoos ritmegevoel, dat ze haar leven lang honger leed, voor oorlogen is gevlucht of alleen maar biologisch eten at (of juist niet, want waarom zou iemand naar de Amerika komen als er biologisch eten in Nigeria was).

Ik ben zelf één keer in mijn leven geconfronteerd met iets dat op racisme leek. Een medestudent uit een ver land, met wie ik ooit een paper moest schrijven, stak een pleidooi af dat de joden de tweede wereldoorlog over zichzelf hadden afgeroepen. De joden zaten namelijk destijds in de bancaire sector en vroegen woekerrentes. Geen wonder dus dat de mensen daartegen in opstand kwamen. Ik weet nog dat mijn hersenen op volle toeren draaiden toen hij dat uitlegde. Ik dacht, niet boos worden, rustig blijven. Maar hoe reageer je op zoiets? Ik begon onhandig en ietwat betweterig uit te leggen dat het leed dat de joden, nee, laten we beginnen bij mijn familie, ten deel was gevallen in de oorlog op geen enkele wijze verdiend was en ook weinig te maken had met woekerrentes. De medestudent leek dat allemaal niet te horen, want hij was te verbaasd om iets anders. “Ben jij joods?”, riep hij uit. “Maar, maar… jij bent heel aardig!”

Toen we (allebei) bijgekomen waren van de schrik bekende de medestudent dat hij eigenlijk nog nooit met een jood had gepraat. Zijn moeder leerde hem als kind dat de joden hem zouden komen halen als hij niet naar haar luisterde. “Joden hebben namelijk horens, en eten kindertjes. Daar maakte ze me bang mee”, zei hij lachend, omdat hij inmiddels oud genoeg was om te weten dat dat een grapje was; een klein leugentje van ouders om de kinderen zoet te houden.

Living with the news – W.S. Merwin

Living with the News

Can I get used to it day after day
a little at a time while the tide keeps
coming in faster the waves get bigger
building on each other breaking records
this is not the world that I remember
then comes the day when I open the box
that I remember packing with such care
and there is the face that I had known well
in little pieces staring up at me
it is not mentioned on the front pages
but somewhere far back near the real estate
among the things that happen every day
to someone who now happens to be me
and what can I do and who can tell me
then there is what the doctor comes to say
endless patience will never be enough
the only hope is to be the daylight

 

(uit: The New Yorker, 28 juli, 2014)

Dichters en de tijd

jorge-luis-borgesJorge Luis Borges heeft een gedicht geschreven ‘aan de eerste dichter van Hongarije’.

Op deze datum, toekomstig voor jou
en onbereikbaar voor de wichelaar
die de verboden vorm der toekomst ziet
in een ster of in de ingewanden van een stier
kan ik moeiteloos jouw naam, broeder en schim, opzoeken in de encyclopedieën.

(vertaling Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer)

In Borges eigen zijn taal:

(En esta fecha para ti futura
que no alcanza el augur que la prohibida
forma del porvenir ve en los planetas
ardientes o en las vísceras del toro
nada me costaría, hermano y sombra
buscar tu nombre en las enciclopedias.)
[…]
Hij schrijft dan verder over dat hij kan opzoeken onder welke koningen deze dichter leefde, welke rivieren hij zag en dat zeeën en talloze nachten hen beiden scheiden,

maar ons verbindt op niet te ontraadselen wijze
de mysterieuze liefde voor het woord,
deze omgang met symbolen en met klanken.

We kennen de pogingen van Gerrit Achterberg om de dode te spreken te krijgen, een oerdrift van de dichter sinds Orpheus. Borges werk is vergeven van een eigenlijk veel aardsere wijze van benadering. Borges weet zich een vriend van deze Hongaar uit vergleden tijden. Hij kan, blind ziende, in zijn tijd kijken. Zoals ook Lars Gustafsson in voorbije tijden blikt, de wereld namelijk, vóor Bach

Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de Partita in a mineur,
maar hoe zag die wereld eruit?
Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,
overal onwetende instrumenten
waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier
nooit over een claviatuur waren gegaan
[…]

waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn,
het gezonde geluid van sterke honden in de winter.

Gustafsson verbaast zich dat daar ‘nergens Bach, nergens Bach’ heeft geklonken.

Ook striptekenaar Mark Retera de tekenaar van Dirk Jan stelt zich regelmatig een vroeger wereld voor, hier een van de vroegste voorstellingen mogelijk, Yucatan, bij een vallende ‘ster’.

Teksten en kunst die de tijd verruimen werken op mij als ademhalen onder een crawlende arm door, het vult de borst vol lucht en verdrijft de benauwenis.

In Frans van Hasselts meesterlijke boek Griekse tijd (Querido, 1985) beschrijft hij een dergelijke ervaring in Monemvasia: ‘En toen werd ik mij met een schok bewust, dat ik werkelijk op duizend jaren neerkeek, die daar als het ware door elkaar heen lagen, op duizend jaar dood en leven, duizend jaar bebouwing en verval [… ]En plotseling is het alsof die duizend jaar wegvallen, zich buiten haakjes laten plaatsen, alsof hier fundamenten, ruïnes, huizen en mensen met elkaar leven met gelijke rechten en in een uniek verband, mogelijk gemaakt door uitschakeling van de factor tijd.’

Al deze schrijvers hebben het wonderlijke effect op mij dat mijn gare auto heeft als ik door een kuil rijd: dat alle boxen het heel even weer doen, en de muziek opeens harder, zuiver en in stereo klinkt.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen

  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.