Marc Poorter: De weemoed van Modiano

Het was begin jaren tachtig. Ik was een jaar of vijftien en lid van een boekenclub. Omdat ik een keer geen bestelling deed, kreeg ik de kwartaalkeuze van de club toegestuurd. Zo’n boek mocht je niet terugsturen, het werd je letterlijk de strot ingeduwd. Op de cover van de kwartaalkeuze prijkte een tekening van een man met een lange schaduw die door een mistige straat keek, daaronder de titel: De straat van de donkere winkels. De auteur was de mij toen onbekende schrijver Patrick Modiano.

Met tegenzin begon ik het op een avond te lezen, ik had er nu eenmaal voor betaald. Na een paar hoofdstukken raakte ik in de ban van het verhaal over een man die aan geheugenverlies leed. De man ging op zoek naar zijn verleden en ontmoette mensen met wie hij ooit contact had in nachtclubs in Parijs, waar hij ontdekte dat zij hem al bijna vergeten waren. Een enkeling herkende hem vaag, de meesten schudden onverschillig hun schouders. De hoofdpersoon bleek een figurant te zijn in de levens van mensen die in de jaren vijftig in het Parijse nachtleven rondhingen.

In één nacht las ik het boek uit. Ik herinner mij dat het gesneeuwd had en ik de volgende morgen in de schemer langs de donkere flatgebouwen in mijn wijk liep. Er bekroop mij een onbekend gevoel, iets wat ik nog niet eerder had meegemaakt in mijn leven. Jaren later begreep ik wat het was: weemoed.

Het was niet eens zo’n bijzondere roman. Er worden vele boeken geschreven over mensen die op zoek gaan naar hun verleden, en de sporen van gebeurtenissen uit hun jeugd proberen te achterhalen. Modiano gebruikte de zoektocht van de hoofdpersoon echter als decor van het thema dat later zijn handelsmerk zou worden: het verstrijken van de tijd en het verloren gaan van de herinnering aan mensen met wie wij ooit contact hadden. Die ochtend na het lezen van de roman werd ik mij er plotseling van bewust dat het verstrijken van tijd verdrietig maakt. Ik weet nog dat ik op de hoek van een straat stond, naast een telefooncel met een dikke laag sneeuw erop. Oké, krakende sneeuw onder je voeten, ochtendschemer, donkere huizen, stilte, het waren de omstandigheden die hielpen om dit euforische gevoel te versterken, maar toch, de volgende morgen zou het op die plek anders zijn. De regen spoelde de sneeuw weg en met de sneeuw verdween het magische moment voor eeuwig. Soms, als ik in de buurt van mijn ouderlijk huis ben, ga ik op die plek staan. De telefooncel is weg, de huizen zijn nog net als toen. Als ik mijn ogen sluit ben ik weer even de jongen die ik toen was, die zich dankzij Modiano bewust werd van het voorbijgaan van alle dingen.

Weemoed werd mijn tweede natuur, ook al leverde het mij niet meer op dan het leiden van een intens leven, waarin iedere minuut ertoe deed. Ik beleefde mijn momenten in de sfeer van afscheid. Bij mijn ouders thuis, als er op zondagmiddag visite was, mijn vader een vrolijke dronk had en mijn moeder uit een glaasje advocaat met slagroom lepelde, lette ik op de salontafel waar de bakjes met chips lagen. Met de visite verdwenen de dingen van de tafel,  met het kantelen van de zondagavond naar de werkweek, de vrolijke stemming in huis. Op elke maandagmorgen, onder het kale licht van de plafondlamp, zag ik de salontafel die de vrolijkheid van de dag ervoor symboliseerde, en ik treurde om wat voorbij was.

Terug naar Modiano. Ik heb veel aan hem te danken, ook al raakte ik mijn interesse in de loop der jaren langzaam kwijt. Andere schrijvers riepen om aandacht en de romans van Modiano leken soms een herhaling van zijn obsessie voor de duistere figuren die niets anders deden dan ronddwalen door het nachtelijk Parijs. Pas met de roman Dora Bruder was mijn liefde voor Modiano weer helemaal terug. Een verhaal over één slachtoffer van de Jodenvervolging, waarin de schrijver met slechts één enkele aanwijzing over het bestaan van de hoofdpersoon op zoek gaat naar haar identiteit. Door iets eenvoudigs te nemen – een opsporingsbericht in een oude krant over een meisje dat van huis is weggelopen – benoemt Modiano iets groots. Het is een universele techniek in de literatuur: iets verkleinen waardoor het groot wordt. De onbeduidende Dora staat symbool voor alle anonieme levens die in de oorlog genomen zijn. Aan het eind van de roman, als Modiano bij gebrek aan feiten niet weet hoe het Dora is vergaan, schrijft hij:

“Ik zal nooit weten hoe ze haar dagen doorbracht, waar ze zich verborgen hield en in wiens gezelschap ze zich bevond, die winter toen ze de eerste keer was weggelopen en de enkele weken in het voorjaar toen ze opnieuw was ontsnapt. Dat is haar geheim. Een armzalig en kostbaar geheim dat de beulen, de verordeningen, de zogenaamde bezettingsautoriteiten, het huis van bewaring, de kazernes, de kampen, de Geschiedenis, de tijd – alles wat ons bezoedelt en vernietigd – haar nooit meer zullen kunnen ontfutselen.”

Dit is Modiano. Hij schuwt het theatrale niet, maar het hindert geen moment, in de compositie van zijn roman is het een prachtige finale.

Op een website bekeek ik live de bekendmaking van de Nobelprijs voor de literatuur. Ik kon het Zweeds niet volgen, maar ik ving zijn naam op. Daarna las de man het in het Engels voor, en weer die naam. Ik kreeg er koude rillingen van. In de uren daarna merkte ik dat velen nog nooit van hem gehoord hadden. Dat zal nu vast gaan veranderen, er zullen duizenden herdrukken van zijn romans verkocht worden.

En de schrijver zelf? Ik hoorde een telefoongesprek waarin een journalist hem vroeg waar hij was toen hij het nieuws hoorde. ‘Ik wandelde door Parijs,’ was zijn antwoord. Een stotterende, verlegen man die maar één uur per dag schijnt te schrijven, meer kan hij niet opbrengen. Het is voor hem zwaar om grote gedachten om te zetten in taal, zei hij een keer. Ik ben het daar helemaal mee eens.

—-

Marc Poorter debuteerde in 2013 met de roman De waarheid en het koninkrijk (Prometheus). De roman ontving lovende recensies en kreeg veel aandacht in de media. Naast het geven van schrijfcursussen werkt Poorter op dit moment aan zijn tweede roman, die in het voorjaar van 2015 verschijnt.

In de Oorshop

Antwoorden op LINDA.

Het magazine LINDA. interviewde onlangs onze blogger Anne-Marieke Samson. Bij wijze van solidariteitsbetuiging geeft ook Gilles hieronder antwoord op de vragen die haar werden voorgelegd.

Deel 1

Kun je ons in één zin vertellen waar De val van Jakob Duikelman over gaat?
Nee, de drukproef die aan de redactie was toegezonden werd mij afhandig gemaakt door collega Marko van der Wal, die had kunnen weten dat het (na het lezen van tien bladzijden) moeten afstaan van wat een heel goede roman lijkt te zijn verschrikkelijk is. Verschrikkelijk. Ik heb weken niet aan een ander boek kunnen beginnen.

Wat is het mooiste boek wat je ooit hebt gelezen en waarom?
Omdat dit steeds verandert ga ik hier antwoorden door het boek te noemen dat ik het langst het mooist gevonden heb. In the Heart of The Country, van Coetzee. Of nee: John Bergers To the Wedding. Fuck, nee: The Insult van Rupert Thomson. Nee, niet. Anthony Doerr: The Shell Collector. Wacht. Nee, wacht. Giovanni’s Room. Of toch The Closed Garden? Der Golem? Pilgrim? Le temps d’un soupir? Ames grises? 

Lieve LINDA. Ik kan het niet. Te moeilijk.

En waarom? Echt?

Hoe ben je begonnen met schrijven?
Mijn moeder zegt dat mijn eerste verhalen coproducties waren. Samen met mijn vader smeedde ik tussen mijn derde en negende een heel oeuvre waarin hoofdrollen voor onze huisdieren waren weggelegd.

Waar laat jij je door inspireren?
Ik geloof dat ik alles wat me overkomt onderbewust opsla en dat mijn ‘pen’ later als een soort ouija-glas de letters opschrijft die me worden ‘doorgegeven’. Nee, echt. En ik merk ik dat ik bij thuiskomst van een verre reis vaak schrijf in de sfeer van het land dat ik bezocht heb.

Wie moet jouw boek absoluut lezen?
Iedereen. De beginnende lezer raad ik Hier sneeuwt het nooit aan. Voor de gevorderden: Het laatste kind. Voor elk wat wils, dus.

Deel 2

Als jij hoofdredacteur van LINDA. was, welk thema zou de volgende LINDA. dan hebben?
Ik denk aan beauty, wellness of verre reizen. Maar koken spreekt me ook aan. Ja, misschien wel over koken. De Surinaamse keuken, lijkt me een goede. Daar zit alles in, mits je een beetje suiker en MSG weglaat uit de receptuur. 

Welke reactie op je boek is je het meest bijgebleven?
Een foto die een lezeres mailde van mijn bundel, liggend op haar blote benen, die op hun beurt weer in het gras lagen. Het was een bibliotheekexemplaar van Hier sneeuwt het nooit (wat altijd bijzonder is). Ze schreef: ‘DANK je. Dank je, dank je, dat je DIT hebt geschreven.*

Het thema van LINDA.meiden is beauty. Wanneer voel jij je op je mooist? En wanneer op je lelijkst?
Oh, beauty is al geweest. Wat jammer.

Ik voel me niet vaak mooi. Maar dat is natuurlijk de vraag niet. Ik voel me – geloof ik – op mijn mooist als ik geniet, en voor heel even niet bezig ben met hoe ik overkom. Op mijn lelijkst voel ik me als ik kleren moet kopen in om het even welke winkel.

Heb jij een schrijfritueel?
Ik schrijf vijf dagen per week van 09:00 tot 12:30 aan mijn eettafel, die LEEG moet zijn op een laptop, schrijfblok, vulpotlood, espresso en de resten van iets zoets na.

Verdien je je brood met schrijven? Wat doe je nog meer?
Ik verdien alleen de boter met het schrijven. Beleg en brood worden anders gefinancierd. Zo run ik een psychodiagnostiekbureau, redigeer ik tekst voor anderen, kook en cater ik, en heb ik een vrouw met een stabiel inkomen. Samen redden we het wel.

 

 

* Geen woord gelogen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Van de redacteur – twee boekentips voor Henk P.

‘Neoliberalism has brought out the worst in us.’ – Paul Verhaeghe, The Guardian, 29 september 2014.

Hey Henk,

Hoe gaat ’t met jou? Met mij gaat ’t goed!

Ik zat/zit opeens te denken… die nobele Henk bezorgt nu al jaren onvermoeibaar het pleit van de NED-LIT, de LIT en de CULT in ’t algemeen, maar wie promoot nu eens een boekske aan zijn adres? Een veronderstelde lacune waarin ik graag voorzie.

Uit waardering voor al jouw inspanningen doe ik jou in dit schrijven twee tips aan de hand. Één gloednieuwe titel. En één moderne klassieker. Het eerste/tweede nonfictie. Het tweede/eerste fictie.

Ik ga mijn keuzes niet toelichten. Testimonia zijn passé – het internet bezwijkt eronder. En het was al zo’n onwaarachtig genre. Bovendien: wat zou ik boeken gaan zitten aanprijzen? Ik ben schrijver, geen copywriter of vertegenwoordiger, toch? Ik neem aan dat mijn naam aanbeveling genoeg is voor je.

Loop een boekwinkel in en je ziet tot welke ellende de misvatting dat lezers overtuigd – of erger: ‘verleid’ – moeten worden heeft geleid. Hysterische blurbs, kitscherige omslagen, zwaar gephotoshopte auteursportretten. Noem me een romanticus, maar in mijn meest extatische buien ben ik soms geneigd het boek als meer dan een louter economische factor te beschouwen – als een manier om wezenlijk contact te maken met andere mensen.

Ach, sorry… terwijl ik de jpg’s in deze missive zit te plakken, zie ik pas dat mijn beide Tip/Top boeken uit het fonds van Uitgeverij Wereldbibliotheek komen! De uitgeverij die ook mijn werk publiceert. Sterker nog… nu zie ik pas dat ik één van de twee boeken zelf geschreven heb, hahaha! Wat stom dat me dat niet eerder is opgevallen! Wat gênant eigenlijk! Wat onbescheiden! Nou ja… het gekkenhuis van de literatuur heeft vele kamers, moet je maar denken.

de rechter die geen ontzag hadHeel erg origineel zijn mijn aanbevelingen, jouw referentiekader inschattende, niet. Hugo Röling’s De rechter die geen ontzag had is je natuurlijk al lang aangeraden door je eigen auteur Kees van B. en mijn eigen romans, verhalen en blogstukken worden zo onvermoeibaar gepromoot door Weekblad Pers Groep arrangeur/auteur Hanneke van Hussel dat je er langs de één of andere weg al lang over gehoord moet hebben. Ik breng je oud nieuws, ik verdoe je tijd.

Ik ga je mijn twee Tip-boeken niet cadeau doen of laten toesturen. Je moet ze zelf kopen – ik denk dat je mijn uitgever en zijn auteurs dat beetje omzet wel gunt. Zelf ben ik een groot voorstander van zelfstandige boekhandels. Maar als je de titels liever verwerft bij een ketenboekhandel of webwinkel: dat is natuurlijk niet verboden. Zolang je de boeken maar niet steelt.

Nou, Henk, ik ga weer wat doen… schrijf me vooral niet terug, want dat valt sowieso verkeerd. Voor je ’t weet komt mijn personage De Staart de voordeur aan de Van Miereveldstraat intrappen om je knieschijven kapot te schieten en je je eigen ballen op te laten vreten. Dat moeten we niet willen!

Veel plezier met de teksten die ik je heb aangeraden – en het allerbeste voor jou en voor die fijne toko van je.

Dag hoor,

Martijn

————-

Volgende week: Via Gewande naar het Van Abbe en Kazerne – tien dagen keten met Maarten Baas.

‘Je bent onzichtbaar’

fotoHet prettigste aan mijn ‘writer in residence’-plek hier aan het NIAS zijn de wandelingen van het ene gebouw naar het andere. Terwijl ik thuis in de ledige momenten van het schrijven naar de keuken loop, in de koelkast of uit het raam staar, loop ik hier van het ene gebouw naar het andere, over gras, onder bomen, langs een groene sloot met eend. Soms zie ik een nerveus eekhoorntje. In het ene gebouw heb ik een slaapkamer met douche, in het andere een werkkamer. Die werkkamer is naar mijn smaak nogal donker, voor het raam niets dan gebladerte. Toen ik een keer vroeg of ik misschien naar een kamer met meer daglicht zou kunnen verhuizen, werd mij duidelijk gemaakt dat dit niet de bedoeling was. ‘Marcel Möring, Tommy Wieringa en Thomas Rosenboom zaten hier. Dit is de schrijverskamer.’ Hij keek me aan. ‘Rosenboom was wel dol op chili con carne,’ voegde hij er aan toe. ‘Ah, vandaar die bedompte lucht,’ speelde ik het spel mee. Hij lachte. ‘Ja, precies, precies!’

Alle aanwezigen hier worden ‘fellows’ genoemd en van alle fellows wordt verwacht dat ze zoveel mogelijk aanwezig zijn, dat ze aan de gezamenlijke lunches deelnemen en lezingen bezoeken van de andere fellows. Ik ben hier beslist niet elke dag, dus als ik er ben, doe ik mijn best om mijn aanwezigheid zichtbaar te maken. Ik schuif mijn naambordje bij de receptie op ‘aanwezig’, vraag een boek aan in de bibliotheek, meld dat de douchekop in mijn studio lekt en ben stipt op tijd voor de gezamenlijke warme lunch.

Als ik weer terugkeer in de duistere schrijverskamer, check ik als eerste mijn mail (slechte gewoonte). Naast mijn inbox meldt een zin: ‘Je bent onzichtbaar.’ Ik kijk er even naar. Onzichtbaar. Nu heb ik net mijn best gedaan mijn aanwezigheid hier kenbaar te maken, meldt mijn mail dat ik ‘onzichtbaar’ ben. Wat zijn we toch in een rare tijd aanbeland; een tijd waarin je jezelf op alle mogelijke manieren zichtbaar maakt voor de wereld. Alsof je langzaam zou verdampen en in stoom zou opgaan als je niet online bereikbaar bent. Ooit was er een tijd waarin er moed voor nodig was om voor een onbekend publiek zichtbaar te zijn. Vandaag de dag is er moed voor nodig om onzichtbaar te durven zijn.

Goed, als je werkelijk je eigen lichaam niet meer kunt waarnemen, dan kun je je afvragen of je nog wel bestaat. (Oké, ik zal dit keer Heidegger erbuiten laten, al is de  verleiding groot.)  Maar we weten allemaal dat online zichtbaarheid weinig zegt over je daadwerkelijke toestand. Ook valse identiteiten of fake-personen kunnen online een leven hebben. Ergens is het gek dat we er dan toch zoveel belang aan hechten, aan die virtuele aanwezigheid, aan die illusie die we voor onszelf creëren en die bevestigd wordt als we zien dat anderen kunnen zien dat we er zijn. Mijn mail stelt me met onderstreepte woorden voor zichtbaar te worden. Ik kan er op klikken en de wereld zal zien dat ik er ben. Zichtbaar. Onzichtbaar. Hier zit ik. Heus, ik ben misschien wat doorschijnend, maar ik besta nog.  Goh, wat is mijn werkkamer ineens knus. Niemand weet dat ik hier fijn onzichtbaar zit te zijn, in deze bedompte schrijverskamer, verscholen achter struiken en takken waaraan ook in oktober nog vet en groen en donker dicht loof.

 

 

__________________________________________________________________

Jannah LoontjensJannah Loontjens is romancière, dichteres, critica, essayiste en filosofe. Onlangs verscheen haar roman Misschien wel niet.

 

 

 

 

 

 

De val van Zwarte Piet

Albert Heijn besloot deze week om Zwarte Piet in de ban te doen. En Amsterdam besloot het uiterlijk van de pieten bij de intocht van Sinterklaas redelijk radicaal te veranderen, geen rode lippen, minder zwarte gezichten. Tegelijk liet een Nederlandse vereniging (die ook een nogal gekleurd

Bij mijn Franse buurvrouw Odile kwam Zwapi het huis niet in. Ik weet nog dat ik me als kind afvroeg of dat racisme was. Het was ergens begin jaren negentig, ik geloofde niet meer in Sinterklaas (maar mijn zusje nog wel) en racisme was ongeveer even populair als nu. Nelson Mandela was vrij, de wereld protesteerde tegen apartheid. Ik had een fruit of the loom t-shirt met Racism Beat It erop. En MJ zong It don’t matter if you’re black or white, terwijl hij danste met indianen en bosjesmannen, met als spetterende afsluiting van de clip een gezicht dat volgens de aller-modernste technieken veranderde van kleur en van haardracht, maar ondertussen steeds bleef lachen.

Mijn buren moesten lachen toen ik vroeg waarom zwarte mensen bij hen niet welkom waren. Het ging niet om zwarte mensen, maar om Zwarte Piet, zei buurman. Mijn buurman, zo vertelden ze me toen, had mijn buurvrouw toen zij net in Nederland woonde uitgenodigd op een sinterklaasviering waar hij Piet zou spelen. Om indruk op haar te maken had hij zich extra dom gedragen, en zich enthousiast tegen zijn zwartgeschminkte kop geslagen als hij door Sint werd gecorrigeerd. De aanwezige kinderen hadden geschaterlacht. Maar buurvrouw was na afloop geschokt, en in het geheel niet gecharmeerd. “Si(e)nterklaas i(e)s een raci(e)st”, had ze gezegd. En natuurlijk had ze gelijk, zei buurman toen. Hij deed voor hoe hij lamgeslagen van schrik en spijt zijn armen omlaag liet vallen, toen hij zijn nieuwe geliefde boos weg zag fietsen omdat hij onschuldige kinderen een negentiende-eeuws karikatuur had voorgeschoteld van een luie, domme, zwarte man.

De les die ik daar toen uit getrokken heb is dat racisme geniepig is. Kennelijk kun je een racist zijn en daar geen idee van hebben. En het is dus zaak om mensen daarop te wijzen (er even vanuitgaand dat mensen geen racist willen zijn). Maar hoe pak je zoiets aan? “Ik ken moslims”, zei laatst iemand bij een etentje met yoga-vrienden, “die leiden zo’n goed leven, daar kunnen jij en ik nog een puntje aan zuigen.” Toen ik daarop zei dat ik een jood kende die ook een uitzonderlijk goed leven leidde, kreeg ik de vraag of ik antisemiet was. chimmy

Ik las een tijdje terug Americanah van Chimamanda Ngozi Adichie. Daarin zet Adichie (overigens zonder enige bitterheid en met een prettige dosis humor) een redelijk angstaanjagend beeld neer van alledaags racisme in Amerika (dat overigens niet voorbehouden is aan witten of Amerikanen). Hoofdpersoon Ifemelu, een Nigeriaanse fellow aan een Ivy-league universiteit ontkomt er niet aan dat haar omgeving denkt dat ze achterlijk is, of een beetje vies, of bijzonder sterk; dat ze raar haar heeft, of een virtuoos ritmegevoel, dat ze haar leven lang honger leed, voor oorlogen is gevlucht of alleen maar biologisch eten at (of juist niet, want waarom zou iemand naar de Amerika komen als er biologisch eten in Nigeria was).

Ik ben zelf één keer in mijn leven geconfronteerd met iets dat op racisme leek. Een medestudent uit een ver land, met wie ik ooit een paper moest schrijven, stak een pleidooi af dat de joden de tweede wereldoorlog over zichzelf hadden afgeroepen. De joden zaten namelijk destijds in de bancaire sector en vroegen woekerrentes. Geen wonder dus dat de mensen daartegen in opstand kwamen. Ik weet nog dat mijn hersenen op volle toeren draaiden toen hij dat uitlegde. Ik dacht, niet boos worden, rustig blijven. Maar hoe reageer je op zoiets? Ik begon onhandig en ietwat betweterig uit te leggen dat het leed dat de joden, nee, laten we beginnen bij mijn familie, ten deel was gevallen in de oorlog op geen enkele wijze verdiend was en ook weinig te maken had met woekerrentes. De medestudent leek dat allemaal niet te horen, want hij was te verbaasd om iets anders. “Ben jij joods?”, riep hij uit. “Maar, maar… jij bent heel aardig!”

Toen we (allebei) bijgekomen waren van de schrik bekende de medestudent dat hij eigenlijk nog nooit met een jood had gepraat. Zijn moeder leerde hem als kind dat de joden hem zouden komen halen als hij niet naar haar luisterde. “Joden hebben namelijk horens, en eten kindertjes. Daar maakte ze me bang mee”, zei hij lachend, omdat hij inmiddels oud genoeg was om te weten dat dat een grapje was; een klein leugentje van ouders om de kinderen zoet te houden.

Living with the news – W.S. Merwin

Living with the News

Can I get used to it day after day
a little at a time while the tide keeps
coming in faster the waves get bigger
building on each other breaking records
this is not the world that I remember
then comes the day when I open the box
that I remember packing with such care
and there is the face that I had known well
in little pieces staring up at me
it is not mentioned on the front pages
but somewhere far back near the real estate
among the things that happen every day
to someone who now happens to be me
and what can I do and who can tell me
then there is what the doctor comes to say
endless patience will never be enough
the only hope is to be the daylight

 

(uit: The New Yorker, 28 juli, 2014)

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • "Foto van Lia Tilon"
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • "Foto van Jos Versteegen"
    Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.