Lentedag

De eerste rokjes liepen over straat. Af en toe reed er een auto voorbij. De zon ketste dan af op de raampjes. De bundeltjes licht vielen als morsecode uit elkaar – signalen die ik niet kon lezen, boodschappen die me niet bereikten, berichten die verloren gingen door mijn onvermogen ze te ontcijferen.

Een straatkat vlijde zich tegen me aan, bolde haar rug zo krom als een snijplank die je per ongeluk in de afwasmachine hebt gedaan. Ik aaide het beest en moest denken aan B. – zij had ook een kat. En een afwasmachine. En een snijplank. En een rug, die soms ook kromde. Soms zelfs tegen me aan.

Het was een van de eerste lentedagen en de middag lag open als een verse wond. Ik tastte in mijn jaszak naar mijn sigaretten, dook een zijstraatje in, vertraagde mijn pas wat en voelde hoe de schaduwen van de gevels over me heen vielen als een vangnet.

Als ik een horloge had gedragen, had ik er niet op gekeken. Dit waren de plotselinge loze uren, een gat in mijn agenda zonder opvulling, een niemandsland van tijd. Ik stak een sigaret op, keek naar hoe de grijze rook die ik uitblies vervloog tot niets. Ik dacht weer aan B., die beweerde dat ze niet rookte, maar altijd een sigaret van mij bietste als ik er een opstak.

Een stelletje dat me passeerde, groette me. De jongen had zijn overhemd slordig dichtgeknoopt, droeg zijn haar als een aureool en liep op opengewerkte schoenen. Het meisje hing aan zijn arm, lachte hardop en droeg geen groen vissershoedje. Net zoals B. dat nooit droeg.  

Ik versnelde mijn pas weer, alsof ik weg kon lopen van herinneringen, stoorde me aan hoe de gedachten aan B. voordrongen, zich een weg baanden door relevantere overpeinzingen, om vooraan in de rij te komen.

Misschien was het de lente, dacht ik, misschien was het deze middag, die ik ineens voor mezelf had, omdat B. eerder was vertrokken en ik wist dat dat geen goed teken was. Ik stak nog een sigaret op, stond stil bij een portiekje, waar een man uit opdook, alsof hij al op me stond te wachten.

‘Kleingeld?’ vroeg hij bits, met toegeknepen ogen en zijn hand al uitgestoken, in de vorm van een kommetje. Ik schudde mijn hoofd en loog deze keer niet eens.

‘Nee, sorry.’  De man liet zijn hoofd zakken, zuchtte zacht. Net voordat ik door wilde lopen, wees hij naar mijn mond.

‘Sigaret?’ probeerde hij en keek naar het ding alsof het een biljet van vijftig euro was. De zon viel scheef op zijn gezicht, dat vol lijnen zat die zich alleen aftekenen als het leven je veel te zwaar te grazen heeft genomen. Ik greep naar mijn pakje in mijn jaszak, telde de sigaretten, gaf het pakje weg.

‘Dank, meneer, dank,’ prevelde de man, ‘God is met je.’ Hij zei het met de stelligste overtuiging, meer als een constatering dan een wens. Het had geklonken als een bezwering. ‘God-is-met-je.’

Ik keek naar hoe de man uit het zicht stierf, de hoek omsloeg. Het straatje waarin ik stond was leeg, alsof een schilder vergeten was er leven in aan te brengen. De wind blies het firmament vlak, tot ook de wolken wegdreven.

Na een tijdje waaiden zelfs mijn gedachten weg.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

In de Oorshop

Auto’s wassen

Toen mijn vader stervende was, zei hij dat ik voor mijn gezin een nieuwe auto moest kopen. Ons oude karretje had geen werkende radio meer, geen airco, geen brandstofreserve. Het raam van de bestuurder wilde niet meer naar beneden.

‘Driehonderdduizend kilometer is erg veel,’ zei hij, en zocht even naar adem. Naast zijn bed ronkte het apparaat dat extra zuurstof aan zijn lucht toevoegde en waarvan we meer hadden verwacht. ‘Als je geld nodig hebt, dan neem je toch een voorschot op je erfenis.’

Al onze gesprekken waren zakelijk, die laatste weken. Jos wilde de dingen goed afronden; de getallen moesten kloppen en hij dacht alles door. Ruimte voor het soort gesprek dat je eigenlijk wilt voeren met je stervende vader was er niet.

‘Waar moeten we het dan over hebben?’ zei hij als we erop aandrongen dat hij de financiën een momentje liet voor wat die waren. ‘Je leeft en maakt keuzes – sommige pakken goed uit, andere minder. Haal die map met verzekeringspapieren er even bij, wil je?’

Naast zijn hang naar orde, hield mijn vader ervan zijn spullen goed te onderhouden. Zijn auto was altijd brandschoon en hij had een abonnement op de autowasserette. Ik plaagde hem daarmee, maakte een kinderachtig statement door mijn eigen karretje nooit te wassen. Het ding lag vol papiertjes en verpakkingen, lege waterflessen. Otis de Hond bekleedde de hele achterbank met los haar.

Zo’n ding was een gebruiksvoorwerp dat smerig, roestig en gekrast hoorde te zijn. Als ik de verzorgde bolide van mijn vader leende, bracht ik die altijd met een vorm van schade terug. Ik deed dat niet opzettelijk, maar opvallend was het wel.

Na de dood van Jos zochten we een vijf jaar oude stationwagon, en omdat B meeging naar de dealer kwamen we met een duurdere en mooiere versie thuis dan ik had gewild. Alles glom eraan. Hij had krasloze donkere sportvelgen en leren bekleding – de ramen achterin waren getint. Al snel noemden we hem De Jos.

Ik reed veel na mijn vaders dood. Werk aan het huis in Hilversum, mijn moeder naar de chemo brengen. Omdat ik vaak moest wachten – op makelaars, op taxateurs en chauffeurs van kringloopwinkels – pakte ik zo nu en dan de stofzuiger en hield De Jos een beetje schoon. Daar stuurde ik B dan een foto van, omdat zij de grap wel zou begrijpen.

Vorige week waren we op vakantie, en toen we terugkwamen lag De Jos vol vertrapte chips, zand en snoepverpakkingen. Ik merkte dat die rommel me onrustig maakte en reed zondag, omdat ik toch naar de groothandel moest, even door een wasstraat. De duurste beurt, kocht ik, zonder dat zelf te snappen; ik kreeg een bon voor de stofzuiger-allee die zich iets verderop bevond.

In het vak naast me stond een forse man zijn BMW te reinigen. Hij gebruikte perslucht om in alle naden van de bekleding te komen, en stofzoog de wagen daarna zo grondig dat ik even dacht dat hij de sporen van een misdrijf probeerde uit te wissen. Ik keek de kunst af, volgde zijn bewegingen, bracht een halfuur door met het terugbrengen van De Jos in zijn oorspronkelijke staat.

Ik maakte een foto en stuurde die aan B. Ze stuurde een hartje terug.

Het had allemaal wat onwennig gevoeld, maar schaamte had ik niet ervaren. Het was eerder als het schoonmaken en herinrichten van het hok van een geliefd bejaard konijn.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Eigen perspectief 

Deze week was buitengewoon speciaal omdat het helemaal in het teken stond van de geschiedenis van Suriname. Bijna elke avond heb ik een presentatie bijgewoond die hiermee verband hield. Het begon eigenlijk al vorige week zaterdag met de presentatie ‘Caatje van Heijne: van slavin tot succesvolle vrije vrouw’ door historisch letterkundige Hilde Neus. Daarna volgde op maandag een verhaal en een dialoog geleid door Noraly Beyer en Hans Kristian Ploos van Amstel over ons gedeelde slavernijverleden. Op dinsdag was er de presentatie van ‘Soengoe Kondre’, en tot slot was op vrijdag de presentatie ‘Wasverzorging voor derden als overlevings- en leefstrategie 1900-1965’ door historica Mildred Caprino. Daartussen nog een thema-avond van de Schrijversgroep ‘77 bijgewoond waarbij de 85ste verjaardag van dichter S.Sombra, de prins van Coronie is herdacht.

De activiteiten waren allemaal goed bezocht. Het is opmerkelijk dat de interesse in de geschiedenis van ons land momenteel zoveel mensen aantrekt, zowel jong als oud. Tijdens de vragenrondes werden kritische vragen gesteld en scherpe opmerkingen gemaakt. Dat vond ik interessant; de moed om de gepresenteerde informatie kritisch te bevragen. Deze geschiedenis verbindt de mensen hier, en wanneer ze de kans krijgen, verdiepen ze zich erin. Naar voren kwam onder meer dat Paramaribo geen gesegmenteerde stad was. Dat de slavernij wetgeving lokaal in Suriname werd gemaakt. De archieven zijn schriftelijke bronnen van een bepaalde invalshoek. Intimiteiten tussen mensen zijn moeilijk terug te vinden, omdat ze niet in de archieven zijn af te lezen hoe mensen met elkaar omgingen. Het was niet alleen kommer en kwel in het verleden. Naast hard werken was er ook tijd voor plezierige zaken. Op elke plantage-inventaris kwamen wasvrouwen voor. Woorden als ‘bezwaard’ en ‘ongemak’ vielen vaak. Er kwamen ook persoonlijke verhalen naar voren, over familiebanden, verlies, trauma’s en ontgoocheling.

Te midden van de vele presentaties van projecten, voornamelijk uitgevoerd door Nederlanders, worden nu ook de stemmen van de Surinamers gehoord. Wij doen ook onderzoek en werken aan het vastleggen van onze geschiedenis, ondanks de beperkte financiële middelen en materiële beperkingen. De geschiedenis van Suriname is pijnlijk, maar het doet evenzeer pijn dat we het niet zelf kunnen onderzoeken en vormgeven vanwege een gebrek aan geld. Het is duidelijk hoe onrechtvaardig deze situatie is, maar mijn landgenoten tonen opnieuw dat hun stem sterk en krachtig is.

Er zijn nog meer presentaties en bijeenkomsten gepland gedurende het jaar in het kader van het Herdenkingsjaar van het Slavernijverleden. Dit zijn momenten om meer te leren over ons pijnlijke verleden. Ik kijk stiekem uit naar de presentaties van Surinamers. Wat hebben zij ontdekt en hoe kijken zij ernaar? Er zijn namelijk ook verhalen van strijd en veerkracht die nog verteld moeten worden.

Net zoals tijdens de slavernijperiode wordt er nog steeds gestreden voor erkenning. In dit geval erkenning van ons perspectief op het verleden. Nederlanders mogen zich bezwaard en ongemakkelijk voelen, maar wij willen ook onze gevoelens delen. Gelukkig gebeurt dat steeds vaker.

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Loe

De zon wierp wat verdwaalde bundels licht over de singel in Utrecht, dezelfde singel waarover Loe en ik zes jaar geleden ook liepen toen we aan ons eerste liedjesprogramma werkten. We hadden nog rugtassen, lagen wakker over eindexamens en spraken alleen over de toekomst met woorden als ‘ooit’, ‘later’ en ‘wie weet’.

‘Zes jaar geleden,’ verzuchtte hij, ‘zes jaar geleden al!’ Ik knikte, geloofde Loe op zijn woord omdat hij van ons twee altijd al de man van de data is geweest (en van het geld, de logistiek en het overzicht) en keek naar hem. De goedmoedigheid die op zijn gezicht leek geplakt toen ik hem voor het eerste ontmoette, was er nog steeds.

In een aftandse repetitieruimte draaiden we onze eerste liedjes in elkaar. We kleurden onze stemmen naar elkaar toe, droomden wat voor ons uit, bluften ons door elk optreden heen met een soort branie die er alleen is, als je nog niets te verliezen hebt.

‘Weet je nog wat ik je appte, toen?’ vroeg Loe, ‘zes jaar geleden?’

‘Dat het je leuk leek om af en toe samen te werken, en misschien eenmalig wilde optreden ergens,’ grijnsde ik. ‘En dat je mijn nummer via iemand anders had opgediept, omdat je het kwijt was geraakt.’

Loe lachte, wreef over zijn kin, keek naar het pad waarover we liepen.

‘Nou, dat is dan behoorlijk uit de hand gelopen.’

Zes jaar, dacht ik. Zo lang heb ik het nog nooit met een meisje volgehouden, en de meeste vriendschappen die ik heb gehad sneuvelden ook lang voor dat getal. Maar niet met Loe, die na zes jaar meer aanvoelt als een broer, dan een vriend. We liepen verder langs het water, roddelden wat (want zo zijn we ook), zwegen soms.

Loe is de enige aan wie ik een tekst durf te geven, de enige zelfs aan wie ik een tekst toevertrouw, omdat die tekst altijd beter terugkomt dan de versie die ik stuurde. Alleen met hem kan ik uren in één ruimte zitten en sleutelen aan een lied alsof er even niets anders bestaat, omdat we elkaar begrijpen op een manier die niet aan te leren is.

Conferences of liedjes die hij pas net in de grondverf heeft staan, de meest kwetsbare fase, mag ik lezen. Gedichten die ik nog niet af heb, mag hij alleen lezen. Het is een samenwerking die zo natuurlijk voelt, dat het ondertussen moeilijk voor te stellen is dat die er ooit niet is geweest.

Nadat we het rondje singel bijna helemaal hadden afgeslenterd, sloegen we af richting de Dom, stapten door en gingen voor anker op het terras van Orloff. We bestelden allebei hetzelfde bier en dezelfde broodjes kroket. Het gebeurt zelden dat de een niet bestelt wat de ander bestelt.

Weemoedig haalden we wat herinneringen op over een festivaloptreden in Bakkum waar backstage een bierkoelkast stond waar Loe me vlak voordat we op moesten vandaan trok om erger te voorkomen, die keer dat we samen op vakantie gingen en Loe het ernstig aan de stok kreeg met een conducteur omdat het hem een goed idee leek om met zijn voet het knopje van de deur van de sprinter in te drukken, de bejaarde huistechnicus die in een zaaltje in het noorden naar onze lichtman had gefluisterd dat hij doof was aan één oor terwijl wij op het podium ons al een half uur stonden af te vragen of het geluid zo slecht was, of dat het aan ons lag.

De wind was weer gaan liggen en de zon wurmde zich door het wolkendek. We bestelden nog een biertje, zakten onderuit in onze stoelen, vertelden elkaar over de projecten waar we mee bezig waren.

Die jochies, dacht ik, die jochies in die afgetrapte repetitieruimte van zes jaar geleden, met hun branie, dromen, geldingsdrang. Ze hadden eens moeten weten.

Als iemand toen iets over onze toekomst had verteld, hadden wij het van iedereen nog het minst geloofd.

Beeld: Ivar Elstrodt

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

De belofte

Columnist Em zat in mijn stamkroeg. Ze hing met haar bovenlichaam over de tafel heen, hield haar pen vast als een keukenmes en schreef. Naast haar lag een intimiderende stapel papier, zoals je productiviteit soms probeert te etaleren in de hoop dat het aanhoudt.

Ik keek naar de stapel, wilde er uit nieuwsgierigheid met mijn handen doorheen gaan, maar hield me in – door iemands papieren gaan vind ik net zo intiem als door het ondergoed gaan van een meisje bij wie je hebt geslapen.

De kroeg raasde langs ons heen, en wij schreven. Ik morrelde wat aan een mank gedicht dat het daglicht niet zou halen, bestelde nog een biertje om de pijn wat te verzachten en zij schreef aan twee nieuwe gedichten die ze later zou voorlezen. Het ging over de liefde denk ik, want ze keek er moeilijk bij terwijl ze het afmaakte en ook toen ze het later voorlas. Moeilijk, maar mooi keek ze en soms naar mij, en een betere schrijver zou daar allemaal mooie, originele parallellen trekken met de liefde, maar ik niet.  

Soms keek ik op, al wist ik niet waar ik precies naar keek, maar columnist Em werkte onverstoorbaar door aan de gedichten. Ik mompelde wat stompzinnigs over eindregels, bewonderde haar doorzettingsvermogen, bestelde nog een biertje en schreef voor de vorm nog wat door aan het couveusegedicht, dat ik eigenlijk al had opgegeven.

Een kwartier voordat we moesten gaan had columnist Em de gedichten af. Ze keek op met een blik die verried dat ze iets groots had verricht, sloeg een laatste biertje af en ging mee naar buiten omdat ik wilde roken. Spaarzaam in haar antwoorden was ze, zoals gewoonlijk, zogenaamd veelzeggend in haar nietszeggendheid, in de veronderstelling dat ik dan zou begrijpen wat ze bedoelde. We vertelden elkaar als bliksemafleider wat over onze recente exen, zij over de econoom en ik over de actrice, verklaarden de liefde dood en rookten door.   

Later wandelden we samen naar de bibliotheek, die tien jaar bestond en tot diep in de nacht open zou blijven. Ik was gevraagd om een poëzieprogramma samen te stellen en te presenteren, en dat had ik gedaan. Vier jaloersmakend goede dichters had ik uitgenodigd, en columnist Em was daar een van.   

Ik ontving de andere dichters die een voor een binnendruppelden, testte het geluid wat en kreeg een pasje waarmee ik door allerlei sluizen in de bibliotheek kon – die moest ik teruggeven aan het einde avond, werd me op het hart gedrukt toen ze zagen hoe voldaan ik leek met dat tijdelijke privilege.

De voordrachten waren adembenemend goed en pas toen ik het poëziegedeelte afgekondigd had, viel er een zwaarte van me af die aan een vreemd soort verantwoordelijkheidsgevoel kleeft. In het café dat naast de bibliotheek zat bezette ik een tafeltje met Lena, die me met haar uitzonderlijke voordracht zo had overvallen dat ik daarna in verwarring weer het podium was opgeklommen om de volgende dichter aan te kondigen.

We praatten wat na over de avond, ik stortte lof over haar uit die haar meer dan toekwam en we lachten gedwee om hoe de karaokebar, die in een zijruimte van het café was ingericht, ieder woord dat we spraken overstemde.  

Vlak voor het einde gaf ik het pasje terug aan een medewerker van de bibliotheek. Ik bestelde nog een biertje voor Lena, columnist Em die ook was aangeschoven, en mezelf. Daarna zag ik door de grote ramen hoe de avond opging in de nacht en vertelde ik aan columnist Em hoe wankel ik altijd word in haar aanwezigheid.

Tijdens de laatste sigaret, voor de deur van het café en onder toeziend oog van een olijke beveiliger die eigenlijk de deur moest bewaken maar die avond vooral een oog hield op de rokende dichters die met het glas in de hand naar buiten stoven, vroeg Lena of een van ons nog een column zou schrijven over deze avond.

‘Nee,’ zeiden we beiden stellig, en schudden onze hoofden, om onze woorden extra kracht bij te zetten, alsof we daarmee wilden voorkomen dat een van ons iets anders zou doen.

Terwijl ik keek hoe columnist Em langzaam uit het zicht stierf terwijl ze steeds verder het plein opliep, wist ik al dat ik ditmaal degene zou zijn die zich niet aan een belofte zou houden

Beeld: Het Eemhuis

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Het interessegebied

Ik zat in de bioscoop. Op het doek zag ik hoe de commandant van Auschwitz, Rudolf Höss, een van zijn kinderen voorleest. Hij had haar slaapwandelend op de overloop bij het raam aangetroffen en weer naar bed gebracht. Hij ligt op haar bed en leest voor, zoals zoveel vaders voorlezen. Op een zeker moment houdt hij op met lezen: hij merkt dat ze in slaap gevallen is. Zoals zoveel vaders staat hij voorzichtig op en loopt op zijn tenen naar de slaapkamerdeur.

Maar hij is geen gewone vader: hij is de commandant van Auschwitz. Wij kijkers weten wat voor vreselijkheden er onder zijn bevel plaatsvinden. We weten waar hij overdag mee bezig is.

Hoewel ik de film (The Zone of Interest) als geheel om verschillende redenen niet zo briljant vind als de meeste recensenten (wat ook weer kan komen door de hoge verwachtingen die gewekt waren door diezelfde recensenten), intrigeert mij het element van die haast doodgewone vader met een haast doodgewoon gezin enorm. Het is misschien het enige wat mij nog kan bewegen naar een film over de Tweede Wereldoorlog te kijken: de mens achter de nazi. De klassieke scheiding tussen goed en kwaad, de nazi’s als pure slechteriken en de geallieerden als pure goedzakken, heb ik te veel gezien en te veel gelezen. De nuance, het hoe en waarom, blijft te veel buiten beschouwing in die films en boeken. Het is gemakzucht om te zeggen dat iemand slecht is, zonder dat je je afvraagt waarom iemand zo geworden is – een vraag die je kunt stellen zonder de acties van degene goed te keuren. De gedragingen blijven even verwerpelijk, even moreel fout, maar je laat wel zien waar ze uit voortkomen. 

De Britse auteur Martin Amis lijkt in zijn boek The Zone of Interest (waarop de film losjes gebaseerd is) voor de gemakkelijke weg te hebben gekozen. Zijn commandant van Auschwitz, Paul Doll (die volgens Amis gemodelleerd is naar Rudolf Höss), lijkt aan een of andere geestesziekte te lijden (Höss had naar mijn weten geen psychische problemen). In het boek wordt hij steeds gekker. Zelfs zo gek dat hij zijn taken niet meer naar behoren kan uitvoeren. De andere nazi’s die Amis opvoert, doen psychisch ook niet helemaal normaal aan: ze zijn geobsedeerd door seks. Vrijwel elk gesprek gaat erover. Om de commandant als door en door slecht af te schilderen, laat Amis hem ook de klassiekste mantra’s en redeneringen van de nazileer uitkramen. Dit soort personages interesseert mij niet meer. Ik wil best geloven dat ze er zijn geweest, maar je kan mij niet wijsmaken dat alle nazileiders door en door slecht waren. Dat ze als vader en echtgenoot niet – al was het maar af en toe – lief waren. Dat ze hun gezin niet meenamen op een uitje. Dat ze, kortom, niet méér mens waren dan we misschien willen denken. De Franse schrijver Robert Merle beschrijft in zijn roman La mort est mon métier (die ik voor mijn Franse lijst gelezen heb) het leven van Rudolf Lang, eveneens commandant van Auschwitz en eveneens gebaseerd op het leven van Rudolf Höss. Maar anders dan Amis weet Merle wel een geloofwaardig mens van vlees en bloed neer te zetten. Dat doet hij door heel precies te laten zien waar deze Rudolf Lang vandaan kwam: zijn jeugd, zijn dominante vader, zijn eerste jaren in het leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, de verschrikkingen, zijn angsten, zijn dromen. Het is een getroebleerde ziel die uit het verhaal oprijst, een vreselijke man. Maar het is wel een waarachtig mens en geen sjabloon.

Ik had eigenlijk besloten om de Tweede Wereldoorlog de komende tijd links te laten liggen. Ik had er genoeg van. Zoals ik hier eerder al een keer schreef, las ik als kind ontzettend veel boeken over de Tweede Wereldoorlog. Ik ging de bibliotheek in en koos de boeken uit op basis van het stickertje dat op hun rug geplakt zat: een vlag met prikkeldraad eronder: oorlog en verzet. Ik kende de verhalen nu wel, vond ik. Maar ik kan dan wel besloten hebben mij niet meer met de Tweede Wereldoorlog te bemoeien, die oorlog bemoeit zich wel met mij. Zo werd er bij het eerste college van de master die ik nu volg gemeld dat we dit jaar een boek zouden gaan maken over jonge Joodse kunstenaars in Nederland vlak na de Tweede Wereldoorlog. Daar zat ik dan met mijn voornemen. Terwijl ik onderzoek deed naar ‘mijn’ kunstenaar, de schrijver en dichter Louise van Santen, haar gedichten las en een interview met haar bekeek, merkte ik dat ik werd meegevoerd door haar verhaal en mij opnieuw interesseerde in die oorlog en die vreselijkheden. Ook tijdens het kiezen van een scriptieonderwerp blijkt de oorlog niet ver weg. Andere recente voorbeelden zijn de roman Nirwana van Tommy Wieringa en de film The Zone of Interest waar ik dit stukje mee opende. Mensen om me heen zeggen dat ik die moet lezen of zien. Dat het ‘echt iets’ voor mij is, wat dat ook verder maar moge betekenen. En dan doe ik dat. Dan dompel ik mij weer onder in het ultieme kwaad. En dan wekt het weer mijn nieuwsgierigheid.

Is dat – het ultieme kwaad – ook wat anderen zo interesseert in die oorlog? Is het misschien wat mensen in zijn algemeenheid interesseert? In Cambodja schijn je rondleidingen te kunnen krijgen op de killing fields, waar de Rode Khmer zijn slachtingen uitvoerde. Je kunt ook Auschwitz bezoeken, evenals Sobibór en Dachau. Mensen willen zien waar wij (oké: sommigen van ons) toe in staat zijn.

Ik wil het waarom weten. En het wat: wat drijft iemand? Hoe wordt iemand zo? Ik vrees dat ik er nooit achter zal komen. Maar ik denk wel dat het een begin is om iemand als mens te beschouwen en niet als een losgeslagen duivel: een mens kun je nu eenmaal beter begrijpen dan een demon. 

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Zoeken

    Zoeken

    ’s Ochtends vroeg: we staan achter het hek en speuren door verrekijkers het weiland af. Het perceel lijkt ongemoeid, straks de boer maar even bellen wat zijn plannen ermee zijn. Er zitten kieviten op. Twee dofferts – mannetjes – duikelden zopas even door de lucht en streken erop neer. Vorige week vonden we al een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Roeien – een liefdesverklaring

    Roeien – een liefdesverklaring

    De encyclopedie van het geluk 30 Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over.  Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw....
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.