Frits Ruprecht

Ooit in mijn leven wil ik met de boot naar Curaçao varen. Het gaat me nog niet eens zozeer om de reis ernaartoe, want dan zou ik net zo goed naar Haïti kunnen varen. Het gaat me om de aankomst in Willemstad. Als na al die dagen ineens het eiland opdoemt waar ik zo vaak ben geweest, de stad in zicht komt die ik inmiddels behoorlijk goed ken en de boot vervolgens de geul in vaart richting de haven. De baai waar deze geul in uitmondt ziet er op de kaart uit als ‘een stengel met een tros bloemen’. Op dat moment, na dagen waarin er alleen maar water en lucht was, ligt Willemstad aan weerszijden van de boot. Otrabanda aan bakboord, Punda aan stuurboord.
            De vergelijking van de baai met ‘een stengel met een tros bloemen’ komt uit Mijn zuster de negerin (1935) van Cola Debrot. Op de eerste pagina van deze novelle, die zich afspeelt op Curaçao, wordt de aankomst beschreven van een schip dat uit Europa komt. Op het dek staat Fris Ruprecht. Hij keert terug naar het eiland waar hij geboren is, omdat onlangs zijn vader is overleden en hij de nalatenschap moet regelen. Door diens overlijden is hij ‘voorgoed rijk’. Misschien komt hij ook wel terug, bedenkt hij, ‘omdat ik genoeg heb van Europa waar men veel te weinig negers ziet. […] Bij een negerin wil ik leven. Ik zal haar noemen: mijn zuster de negerin. Ik haatte in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie.’
            Qua verlangen lijkt deze Frits Ruprecht met andere woorden op David Samuels uit Alleen maar nette mensen, een boek dat trouwens eerst De intellectuele negerin heette. De uitgever van Robert Vuijsje vond die titel te controversieel.
            Nog een terzijde: ik heb mij er altijd over verbaasd hoezeer de namen Frits Ruprecht en Frits van Egters op elkaar lijken. Frits van Egters is de hoofdpersoon van een naoorlogse roman die enige bekendheid heeft verworven. Dat de namen zo op elkaar lijken zal wel toeval zijn. Over de invloed van Debrot op W.F. Hermans is het een en ander bekend maar over invloed van diezelfde op Gerard Reve heb ik nog nooit gehoord.
            Ik zou met de boot naar Curaçao willen varen om te beleven wat Debrot op die eerste pagina van Mijn zuster de negerin beschreven heeft. Om vanaf het dek, net als Frits Ruprecht, te zien hoe Willemstad steeds dichterbij komt. In het ideale geval stap ik op een intens trage boot, die er heel lang over doet, zodat ik alle tijd heb om tijdens de reis Debrots zevendelige en meer dan 2000 pagina’s tellende Verzameld werk te lezen. En dan daarna ook nog de tweedelige en 1000 pagina’s tellende biografie, geschreven door Jaap Oversteegen, voor Voskuil-lezers beter bekend als Paul Dehoes. Als ik dan na weken op Curaçao aankom, volledig doordrenkt met Debrot-kennis, rijd ik net als Frits helemaal naar de andere kant van het eiland, naar landhuis Ascencion, dat model heeft gestaan voor het landhuis dat beschreven wordt in Mijn zuster de negerin. Het landhuis waar Frits zijn zuster vindt.

In de Oorshop

Bees and trees: the sound of money’*

Iedere dinsdagochtend speel ik met een handjevol collega-auteurs trefbal in een gymzaaltje van een basisschool die achter De Wittenkade (Amsterdam-West) ligt en hoe

‘Waarop die Belg zegt: Nein, Sauerkraut.’

‘Hahaha!’

‘Hahaha! Vanwege die frites, snap je? Hahaha.’

‘Hahaha, maar hij – ’

‘Jongens… alsjeblieft… dit gaat toch geen running gag worden? Dit soort grappen vinden de lezers van Tirade echt strontvervelend.’

‘Nou, wij hebben ’t er nog even over gehad met z’n tweeën, maar jij deed vorige week wel of wij jóu onderbraken, maar wat is dat eigenlijk voor autoritaire gang van zaken? Misschien onderbrak jij óns wel? Hè? Mafkees. Zullen we jou nou eens even aftroeven met een fijn Bindervoet & Henkes citaat?’

‘Probeer maar.’

‘Nico, geef dat boek es aan… Nee, dat grote… daar. Hier: Bindervoet & Henkes… Hans Vandenburg en het Geheim van het Succes, op pagina 13 al… Humor en muziek, humor en seks, humor en literatuur, ze schijnen elkaar niet te verdragen. Alles moet ernst uitstralen, diepe diepe ernst. Anders is het niet serieus. En kan het niet serieus worden genomen. Logisch toch? Humor loopt ernstig gevaar flauw gevonden te worden. Terwijl integendeel ernst, en het sentiment dat ervoor doorgaat, op de lachspieren zou moeten werken. En humor – echte humor – altijd gerechtvaardigd wordt door de ernst van de onderliggende situatie. Einde citaat. En nou veel succes met je stukje. We zijn één en al oor.’

‘Ik streep ’t gewoon allemaal door, eikels.’

[Wederom opnieuw. En… actie!]

Iedere dinsdagochtend speel ik met een handjevol collega-auteurs trefbal in een gymzaaltje van een basisschool die achter De Wittenkade (Amsterdam-West) ligt en hoewel het er tijdens de partijtjes meestal ruw en fanatiek aan toegaat, zitten we na afloop altijd gemoedelijk aan campingtafeltjes en schenken elkaar koffie en thee uit thermoskannen en praten uren over ‘het vak’ en ‘de branche’. Afgelopen dinsdag kwamen we opeens te spreken over de boeken van Michael Pollan en over een aantal recente documentaires over voedsel en ecologie en één van mijn collega’s raadde mij toen aan naar More than honey te gaan. Mijn bevindingen:

Film: More than honey (2013).more than honey

Genre: natuurdocumentaire (niet bedoeld als eufemisme…).

Regie: Markus Imhoof.

Verhaal/kwestie: gedomesticeerde bijenvolken sterven uit, dat is al jaren aan de gang en de oorzaken daarvoor blijken zich te laten scharen onder deze ‘gemene’ deler: de mens en zijn economische aspiraties. De hoop is gevestigd op de genen van wilde bijen en killer bees en, wat mij betreft, ook een beetje op een correctieve ineenstorting van de beschaving.

Stijl: fraaie natuuropnamen (inclusief honinggetinte filmbeelden in kasten en raten), talking heads (imkers, onderzoekers, handelaren), beelden van bedrijfsbezoeken – dat alles bij elkaar gehouden door een wat gezapige voice-over.

Curieus: een bijenkoningin laat zich tijdens de zogenaamde bruidsvlucht door meerdere mannetjes (darren) bevruchten… bij de ejaculatie verliezen de mannetjes hun onderlijf en vallen dood uit de lucht… Kan dat zomaar? Is de dierenbescherming hiervan op de hoogte? Moeten er geen Blijf Van Mijn Bij Huizen komen? Handen af van onze darren!

Eindoordeel: de genuanceerde agenda van Imhoof bevalt me wel, maar intellectueel/journalistiek gezien is zijn film weinig meer dan een voetnoot bij panoramische, meer activistische films als We Feed the World (2005) en Our daily bread (2005) (sommige beelden, het mechanische leegschudden van amandelbomen met een soort bulldozertjes bijvoorbeeld, ken je ook al uit die vroegere documentaires). Compositie en montage zijn wat ongericht waardoor de film voor je weer thuis bent al uit je geheugen stuift. Twee met peilzenders uitgeruste verkennerbijtjes (2/5).

Tiradeperfect vision.

Pé Es: als je er niet bij was, afgelopen vrijdag in Perdu, wil je natuurlijk weten hoe de avond over de Filosofische Roman was? Vrolijk, gezellig en erg interessant. We hebben – als ik het goed samenvat – meteen even afgekaart dat de FR de komende jaren de NED-LIT gaat domineren. Hoor jij toevallig net bij het handjevol mensen dat de avond heeft gemist? No sweat. Grote kans dat die over twintig jaar weer een vervolg krijgt. Complimenten voor Perdu, complimenten voor Mathijs Gomperts.

Volgende week: het stukje dat ik eigenlijk voor deze week in gedachten had.

*De titel van deze blogpost is een uitspraak van een sarcastische ‘bijenmakelaar’ die met zijn kasten en volken door de Verenigde Staten reist, van boomgaard naar boomgaard, en die zowel dader als slachtoffer is van de schaalvergroting in de landbouw.

 Soundtrack: Zet je kleine zorgen maar opzij.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Clubje Nederland

We hebben een clubje opgericht… en je mag erbij: de Hannah Arendt Leesclub. Vanaf september komt een nog onbekend ‘wij’ elke vier maanden bijeen in de Kleine Entrée van debatcentrum Felix Meritis. Omdat het werk van Arendt het verdient om grondig te worden gelezen; omdat lezen meer is dan stilzitten; omdat denken voor de Joods-Duitse filosofe niet alleen een aangelegenheid was voor binnenshuis, maar vooral ook voor in de publieke ruimte.

Een Hannah Arendt-clubje heeft wel iets vreemds: Arendt hoorde liever nergens bij en weigerde zichzelf filosoof te noemen. Maar het verwerpen van zo’n titel is natuurlijk alleen interessant wanneer je wel degelijk bij een intellectuele elite hoort. Toch werd Arendt ook verketterd en buitengesloten. Na de publicatie van haar verslagen van het Eichmann proces, dat ze in 1961 in Jeruzalem bijwoonde (later gebundeld als Eichmann in Jeruzalem, de banaliteit van het kwaad), joeg ze iedereen tegen zich in het harnas, waaronder vrienden en ‘eigen volk’. De controverse rond haar stukken in The New Yorker ontstond vooral omdat Arendt de Joodse Raden verantwoordelijk hield voor hun administratieve en organisatorische hulp aan de nazis. Ze betwijfelt of het slachtoffertal van WOII wel zo hoog was geweest, als de Joodse Raden niet hadden meegeholpen in het aanwijzen en rapporteren van Joden.

Het goede clubje bleek ook deel uit te maken van het slechte clubje en toen vertroebelde alles. Hoewel? Ik weet nog dat ik Primo Levi’s Is dit een mens las en eigenlijk veel meer van het kwaad begreep dan ooit tevoren: het afgebakende, satanistische kwaad dat ik tot dan toe kende van de geschiedenislessen op school en van de good guy/bad guy dichotomie in films en sprookjes, wankelde en viel. Maar niet elke vorm van verwarring is negatief. Ik begreep het kwaad beter omdat het juist nóg onbegrijpelijker en complexer bleek te zijn. Daarmee werd het menselijker en die nabijheid is eng, maar ook bevredigend: dat wij allen vatbaar blijken te zijn voor een bepaalde mate van kwaad – groot of klein – geeft ook een gevoel van verantwoordelijkheid en controle. Als ik had kunnen meelopen of collaboreren, had ik ook halt kunnen houden of niet kunnen collaboreren. Het kwaad is geen onvermijdelijke, wetmatige neergang, maar een uit radartjes gewoven tapijt van gruwel: je kunt niet het hele tapijt ontmantelen, maar je kunt wel de kleur en samenstelling veranderen.

Nederland wilde afgelopen week krampachtig graag een clubje zijn. We vormden een ongenuanceerd gezellig oranje kleedje op de vrijmarkt, staken alle neuzen op het terras dezelfde kant uit, ogen dichtgeknepen tegen de zon. 

Mogen Somaliërs, Serviërs en Afghanen bij dat clubje horen? Mogen zij ook hún leed herdenken, of begrijpen ze niets van wat ‘ons volk’ heeft meegemaakt? Vragen die (in de krant) werden gesteld. En gelukkig staat vragen vrij. Zo vraag ik me af of de oorlogsverhalen van anderen ons niet vooral confronteren met de toevalligheid van onze eigen geschiedenisbeleving: hoe erg en gruwelijk alles ook was, die gruwelijkheid wordt vooral gevoeld door wie het verhaal goed kent – zoals wij ook het leed van Afghanen nauwelijks voelen. De context en vorm waarin geschiedenis is gegoten, bepalen de impact van de feiten. We hebben geen objectieve gruwel-meter die al het kwaad in de wereld categoriseert. We hebben alleen verhalen die zich niet vanzelf vertellen. Dat de geschiedenis zich niet opdringt zonder bemiddeling, zoals honger en dorst om aandacht schreeuwen, maakt het niet minder belangrijk. Integendeel. Het verhaal is juist van waarde omdat wij er keer op keer voor kiezen het te vertellen en ons keer op keer afvragen welke elementen we toevoegen of weglaten.

Het is wel noodzakelijk om te letten op wat we weglaten of niet benoemen. Teveel verhalen worden eenduidig verteld, omdat overzichtelijkheid voorop staat. Ik vraag me af of overzicht echt leerzamer is. Een beetje mens erkent zijn eigen heterogeniteit, zijn eigen gekkigheden en conflicterende daden en motieven. Het versimpelde verhaal vervreemdt ons onterecht van het verhaal dat in haar complexiteit en veelzijdigheid juist heel nabij kan zijn.

Zeker wanneer we zo vrezen voor veelzijdig en anders, dat we krampachtig eenheid pretenderen. Zo zagen we afgelopen week hoe de koning wilde bewijzen dat hij als iedereen is   – heel normaal (met uitroeptekens!!!! en HOOFDLETTERS in een sms) en menselijk (hij stapt spontaan de wal op!). Zie mij niet als cynisch: ik geloof in verbondenheid en ‘samen’, maar wel bij gratie van verschil. Want schermen met gelijkheid is vaak verdoezeling van verscheidenheid die je maar beter kunt omarmen.

BIb0DljCAAAiloWWanneer het !!NORMAAL!! wordt dat Tommy Wieringa met zijn New York Review of Books tote bag verdacht is omdat hij afwijkend gedrag vertoont (niet jubelt bij het zien van Wilders?), of wanneer Joanna en Hans Maessen worden opgepakt omdat zij afwijkende dingen roepen, dan vrees ik dat niet alleen Hannah Arendt weer ongelooflijk actueel is, maar ook het herbezinnen op vrijheid – een goed dat niet gekaapt mag worden onder het mom van ‘veiligheid’. 

 

Ach, zolang twee overzichtelijke stilte-minuten nog tot dagen van vragen (in de krant, binnenshuis en elders) leiden, zijn wij een prima clubje Nederland. 

 

P.S. Wie even ergens bij wil horen: opgeven kan via leesclubhannaharendt@gmail.com

Indruk (willen) maken

En dan gaan we het nu hebben over bewijsdrang. Wie lijdt er aan? Wie heeft er geen last van? Wat zijn de consequenties? 

Een paar weken terug schreef ik hier over interviews met jezelf houden, in je hoofd. Daar wijze dingen in zeggen. We zijn een paar weken verder nu en inmiddels is het me wel duidelijk geworden dat dit gepraat tegen een fictieve gesprekspartner niets anders is dan een vorm van bewijsdrang: ik ben wel een leuk mens en dit truitje staat me te gek, ik ben geen loser als ik de hele avond op bed naar crimedocs kijk en een zak Bugles leeg eet. In de hoop dat er uiteindelijk ook iemand buiten mijn hoofd is die deze dingen gaat inzien. In de hoop dat als ik in alles de beste ben, er geen weg om mij heen zal zijn. Als ik naar de bakker ga, dan wil ik de leukste klant van de dag zijn. Als ik de kat knuffel, dan wil ik dat ze mij haar favoriete baasje vindt. Zelfs als ik zoals nu in mijn eentje op mijn kamer de berentrui die ik met koninginnedag kocht draag, doe ik dit bij wijze van manier om mijn liefde aan de wereld te tonen. Hallo, hier ben ik, de beer op mijn trui draagt een grappige sjaal, jullie mogen hem best aaien. Maar waar blijft de wereld in dit geval? Waarom overschreeuw ik mezelf?

Sylvia Plath schreef:

“Perhaps when we find ourselves wanting everything, it is because we are dangerously close to wanting nothing.” 

en ook:

“I have the choice of being constantly active and happy or introspectively passive and sad. Or I can go mad by ricocheting in between.” 

spjournals

Als je The Unabridged Journals of Sylvia Plath leest, valt het al gauw op dat ze nogal vaak het woord ‘ricocheting’ gebruikt. Dit ricocheting in between (ik vind ‘schipperen’ een mooie vertaling) is precies wat er gebeurt in iemand met bewijsdrang: je wordt heen en weer gezogen tussen alles en niets willen en in het vacuüm dat uit deze zuigkracht ontstaat probeer je jezelf uiteen te zetten, om maar niet te imploderen. Je hebt een negatieve gedachte over jezelf, je spreekt het tegenovergestelde uit, je wordt teruggeworpen, je twijfelt, je probeert het opnieuw, je wil aardig gevonden worden maar niet egocentrisch, zelfbewust en bescheiden, maar niet iemand die op haar tenen loopt – je bent een grote zak vol goede intenties en uiteindelijk zit je alleen maar een beetje haperend naar de zon te praten. Dit is een tekortkoming. Haperend praten duidt aan dat je iets moet doen. Te beginnen bij je mond houden.

Als gevolg van dit schipperen tussen twijfel een zekerheid (“God, how I ricochet between certainties and doubts” – SP) denk ik dat een mens behoefte heeft aan absolute gedachten –  een hergeboren standpunt dat ook in het huidige filosofisch/literaire debat aan aanhangers wint. De postmodernistische opvatting dat je geen rechtstreekse confrontaties aan kunt gaan, dat er altijd enkel sprake kan zijn van een benadering, misschien doorspekt met ironie en omtrekkende bewegingen, maar niet van een kernachtige schets, lijkt me achterhaald en strookt niet met de werkelijkheid. Mensen lopen voortdurend tegen muurtjes op. Als een vrachtwagen op een kruispunt met hoge snelheid tegen een tegenliggende volvo aanknalt, is er sprake van een frontale botsing. Daar ben ik van overtuigd. Het is zo vermoeiend als je denken steeds een (oneindig) dialectisch gesprek is; een continu jezelf tegenspreken om jezelf op een hoger niveau te bevestigen — en het begint weer op nieuw. Soms heb je geen zin in weer een weer. Soms wil je wat je voelt onderstrepen, ookal staat het er slechts in stippelletters. Soms wil je resoluut en diep in slaap vallen, niet enkel een beetje dommelen. Soms moet je achter een gedachte gaan staan en die als een sneeuwschuiver voor je uitduwen om de weg vrij te maken voor mooiere dingen.  Maar waar begin je?

Dit is allemaal behoorlijk hysterisch.
Eigenlijk wil ik alleen een beetje dommelen.
Nu spreek ik mezelf tegen.
Wat een geschipper.

 

The world is not enough

IMG_2982Ik heb ontzettend veel om dankbaar voor te zijn en toch ben ik chronisch ontevreden. Dit lijkt het gevolg te zijn van experiëntiële inflatie. 

Een paar jaar geleden besprak ik dit probleem met mijn beste vriend Gijs in het kader van onze nogal doorgeslagen manier van bezig zijn met eten en drinken.

Het lijkt erop, zei ik tegen Gijs, dat de door onze grote liefde voor het vak opgedane ervaring en smaakontwikkeling het steeds moeilijker maken om te genieten van uit eten gaan. Of dat niet zonde was, vroeg ik. 

‘Waarschijnlijk wel,’ zei Gijs. ‘Maar wil je terug?’

Dat wilde ik niet. Ondanks het feit dat bijna al mijn nieuwe eetervaringen in restaurants inmiddels in meer of mindere mate kut te noemen waren, had al dat snobisme me ook iets gebracht, namelijk het vermogen te huilen – I dick you not – om heel erg lekker eten; om dat moment waarop de omstandigheden samenspannen om alle variabelen zo te schikken dat daar, op je bord, dat ene geniale lamskoteletje* ligt.

Zo zal het ook wel met de rest van het leven gaan, dacht ik. Hoe meer ervaring je opdoet, hoe minder bijzonder alles wordt. Op veel manieren kreeg ik hierin de afgelopen jaren gelijk. Een eerste keer maakt altijd meer indruk dan een tweede, en eigenlijk moet je nooit teruggaan naar de plek van je mooiste ervaring. 

Is er hoop? Gaat alles steeds minder lijken? Ik ken een tachtiger die dat zou onderschrijven. 

Toch is het mechanisme zo gek nog niet: door blootstelling aan schoonheid dooft de glans ervan uit en gaan we streven naar nog mooiere dingen, ergo hobbyismen als de Sixtijnse Kapel, James Salters Light Years en het Koningslied.

Er zijn ook tegenbewegingen. Maar wat zou er gebeuren als we allemaal Boeddhist werden en genoegen namen met een dennennaald en een platte kiezel? Waarschijnlijk zouden we ons leven wijden aan het vinden van de groenste, meest spitse naald en de perfecte ronding van de kiezel.

Het beroemdste verhaal over de kindertijd van mijn vrouw Birre, is dat ze voor haar tweede verjaardag een lolly, zo’n kaasje met rode was erover, en een bal gevraagd had. Om de loopfiets die ze kreeg huilde ze tranen met tuiten. Beati Pauperes Spiritu.  

 

 

* Met dank aan meneer Toso van ristorante Da Toso in Friuli. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Dingen waar ik niet dikwijls over nadenk en toch wil kennnen

In tegenstelling tot mijn collega’s Martijn, Lieke en Simone  ben ik geen filosofisch onderlegd mens. Wel las ik veel te vroeg veel Nietszche en Plato (maar dat was meer te danken aan hun goede stijl en aan mijn ongeremde en onbepaalde leeshonger.) Het heeft helaas geen vermogen tot erg kritisch denken in mij teweeggebracht. Grote vragen gaan vaak langs me heen, ik snap ze ook niet en ik ben er iets te eenvoudig voor.  Of moet ik zeggen dat ik leef in de zegen van de zorgeloosheid? De ‘Wereld in de zunne’, zal ik maar zeggen: ‘lekker alles goed’.

Wel realiseer ik me dat veel niet te kennen is. (Ik kom nu in de buurt van een filosofisch jargon) en daar maak ik me soms ook zorgen om. Ik maak mij zorgen om de maar schijnbaar éen op éen relatie van wat Google meent dat bestaat, en wat werkelijk bestaat. Of preciezer: de angst dat mensen denken dat Google alles ziet en kent. Google plaatst een filter over wat we kunnen kennen, en daar kan ik wakker van liggen en dat deed ik vannacht ook inderdaad.

Het probleem ligt dieper. Ik was een paar weken terug in het depot van het Tropenmuseum: een fascinerende omgeving. In een eerder leven was ik eens in het depot van de  Bibliothèque nationale de France in Parijs Een depot is de vaak ondergrondse afdeling van  musea of bibliotheken waar bewaard wordt wat niet getoond kan worden. En in die zin is het depot het negatief van de ogenschijnlijk kenbare wereld. Voor wie daar gevoelig voor is is het depot met zijn rekken en in beschermende constructies opgeslagen spullen een prachtig verhaal, het verboden verhaal eigenlijk. In het geval van het Tropenmuseum hangt dat slechts gedeeltelijk kunnen tonen niet alleen samen met zakelijke aspecten als hoeveelheid expositieruimte, de hoeveelheid beschikbare mensuren en de staat van het materiaal, maar ook met wat het museum wil vertellen. Een museum heeft een verhaal, zag ik ook in het Rijksmuseum onlangs, en in dat laatste geval nu een tikkeltje  een simplistisch verhaal (als we ons naast alle loftrompetten een klein zuur nootje mogen veroorloven: de tekstjes naast de werken zijn wat infantiliserend).

Het Tropenmuseum ontstond uit het Koloniaal museum en werd van materiaal voorzien door onder meer verzamelaars uit de 19e eeuw. Deze mensen die zich vooral in ons wingewest Nederlands-Indië ophielden hadden zo hun eigen beperkingen in kijken, zoeken, de werkelijkheid waarnemen. Hoewel de Islam er ook toen al een enorme factor was, zag de koloniaal vooral Hindoeïsme en boeddhistische cultuuraspecten op bijvoorbeeld Java. De Islam werd bijkans genegeerd. Het Koloniaal museum van Nederland, dat werkelijk eeuwen in de gelegenheid was artefacten van Islamitische kunst te vergaren, deed dat niet of nauwelijks. In het depot bevinden zich wel honderden huizen op schaal van bevolkingsgroepen per eiland. In Indië vervaardigd, maar dienstig om de Nederlandse zendeling kennis te laten maken met zijn toekomstige omgeving.

Het tonen van die huizen past nu veel minder in het ‘museale verhaal’. Het verzamelen van Islamitische kunst heeft  vroeger veel minder in de collectievorming een rol gespeeld dan nu wenselijk zou zijn. Het zogenaamde museale verhaal is een verhaal dat je eigenlijk alleen kunt lezen met heel veel voetnoten. Ik heb behoefte aan het waarom achter collecties en keuzes. Steeds dieper in de Franse bibliotheek bevinden zich boeken die nooit opgevraagd worden, ook een bibliotheekdepot is een negatief. Dat wat we niet lezen.

Ik wil graag diep in de kelders van de BNdF zijn, volgaarne in het depot, omdat het depot bijna als negatief van het museum een heel sterk verhaal vertelt. Je moet er zelf het nodige bij denken, maar denken kan geen kwaad, al wordt het in musea wel eens ontmoedigd. Ik pleit voor museale transparantie: dat een museum vooraf helder en ronduit zijn beperkingen meldt.  Het liefst benader ik musea vanuit hun depots. Ik vrees de tijd waarin mijn bril een Googlebril is, die me toont wat ik hoop te vinden. Ik wil graag vinden wat ik niet zoek en niet begeerde te weten.

 

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Machiel Jansen"
    Machiel Jansen

    Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

  • "Foto van Plonia Westendorp"
    Plonia Westendorp

    Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.