Mam, ik voel me goed

Naar: Liz Rosenberg – Poems of delight

Gedichten van genoegen

1.
Mijn vriend signeert per ongeluk met zijn naam
Henry
Henry
en schrijft, Als een vriend
wil ik je vasthouden.
Henry     Henry   we willen allemaal vastgehouden worden.

2.
Op weg naar huis van zomerkamp dit jaar
bracht ik mee; chocoladekoekjes,
  een opwindbare sprinkhaan;
twee vogels; een veer; een steen; een schelp
en een kleine koperen schildpad om te dragen of te houden.
Wat heb ik gegeven?

3.
Nu neem ik iedere dag drie witte pillen
in plaats van twee.
Eentje in de middag, alleen.
Ik kan doen alsof ik een high tea heb
wanneer ik hem met water doorslik. Iets
begint zich los te maken.

4.
De eerste septemberwind fladderde
door de toppen
van gedroogd gras
en herfst kwam binnengevallen
alsof iemand een deur
had opengegooid.

5.
Vorige week overwoog ik mijn keel door te snijden.
Stelde het me pijnloos en bloedloos voor,
dacht toen aan de rotzooi.
Vandaag verzamel ik de vuile afwas,
mokkend, tevreden
mokkend te zijn.

6.
Mijn man leest voor uit Peter Pan:
een goed boek. Ik zou nooit zo’n boek
kunnen schrijven. Ik zet mijn jaloezie opzij
en kruip onder mijn zoons dekbed
naast hem, luister.
Woorden, woorden, zing ons in slaap.

7.
In de audio-visuele bibliotheek van het centrum
vonden ze twee nieuwe opnames van James Herriot.
En ik kan ze allebei lenen.
Dit betekent dat ik er vijf heb – één meer
dan ik mag hebben, en iedereen weet het.
De bibliothecaris glimlacht en zwaait terwijl ik de deur uit ren.

8.
Mijn moeders oude gouden horloge,
opnieuw gerepareerd, cirkelt
om mijn pols, glijdt losjes om
en om; en aan de andere pols
gooit een armbandje met kleine groene glaskralen
regenbogen over het stuur!

9.
Ik kan naar de film gaan vanavond.
Ik kan Raisinets eten,
en misschien word ik niet gek van de chocolade
en als ik geluk heb
vind ik iets om over te lachen in de film,
of iets goeds om over te huilen.

10.
Ik ben zo depressief dat al mijn kleren passen, ik zie er
       in alles goed uit.
Vooral in zwart.
Misschien dat mijn moeder me ziet terwijl ik nog dun ben,
maar niet te bleek. Je ziet er goed uit, zal ze zeggen,
en ik zal zeggen Mam, ik voel me goed. 


Het is helemaal niet moeilijk jezelf voor de gek te houden: dingen beter laten lijken dan ze zijn heeft bovendien een belangrijke functie. Wanneer we zo overtuigend zijn dat we onszelf beginnen te geloven, hebben we weer reden onszelf van waarde te achten. Overtuigingskracht lijkt mij in ieder geval een bewonderenswaardige eigenschap. Vaak is het echter helemaal niet nodig om er van overtuigd te zijn dat we iets gaan doen. De mogelijkheid om naar de film te gaan, Raisinets (door Nestlé geproduceerd chocoladefruit met een irritante website) te eten, schept uit zichzelf al een soort van voldoening. Ik kook vanavond weliswaar geen fantastische maaltijd voor mezelf, maar ik zou het wel kunnen.

Wanneer ik in eindeloze metaforen de uiteindes van mijn gedachten aan elkaar knoop, is ook dit een vorm van overtuigen. Uit twijfel komen vaak hele mooie woorden voort – zie bijvoorbeeld bovenstaand gedicht. Een vriendin van mij zei eens dat schatten niet voor niets vaak in scheepswrakken liggen – een gedachte die ik in mezelf maar wat graag herhaal op dagen waarop mijn gezicht weer eens de vorm van door Nestlé geproduceerd chocoladefruit aanneemt. Helaas werkt dit gegeven ook andersom: de moeder van Liz Rosenberg kan zeggen dat Liz er goed uitziet, maar Liz’ ‘Mam, ik voel me goed,’ is een leugen. Gelukkig is het ook mogelijk om depressieve gevoelens mooi te verwoorden, waarna je je op het geschreven gedicht kunt richten. Wanneer dit niet lukt, vind je misschien iets om over te lachen in de film, of iets goeds om over te huilen. Daar ben ik van overtuigd.


In de Oorshop

We hebben er dagenlang om gelachen

Ada Limón | Vijftien verenballen 7, 8
(Naar: Ada Limón | Fifteen balls of feathers)

7.

De laatste persoon met wie mijn vriendin seks had voor ze doodging
was één of andere onweerstaanbare vreemde in Las Vegas.

We hebben er dagenlang om gelachen
         totdat we niet langer konden en haar onzichtbare vogel in tweeën brak.

Mijn hart is nog heel
            hoewel er een zwaartekracht huist
            die me aan het aas van inzinking bindt.

Mijn onzichtbare vogels zijn nog intact,
            ik kan mezelf open maken en ze je tonen,
            hoe ze zich diep hebben geworteld
            in een aanwezig nest van uitgesteld gezang.

 
8.

Bij de rivier de Rijn keken we naar vuurwerk en hielden elkaar stevig vast
                        met onze eigen luchtexplosieven.

Ik was klaar om oud te zijn.

De man van de rivierjacht zei me rustig aan te doen.
            Zijn brede schouders navigeerden het heden.

Zijn tong leek te groot voor zijn mond,
            zijn tanden waren klein als vissentanden.

Ik was nog te jong voor de kapiteinskamer,
            maar ik eiste een vrouwenafgang,
            een loopplank voor het goede in mij.

Ik gooide mijn geluksmunt over de rand
            die snel, als weghaastend licht,
            onder de golven verdween.

Dat was vijftien jaar geleden.
                        Ik wacht hier nog steeds op het stoppen van de rivier—
                        sta op de waterige uitbreiding van tijd.


De laatste keer dat ik één of andere onweerstaanbare vreemde was, dacht ik dat ik klaar was om oud te zijn. Ik hield mijn geluksmunt krampachtig bij me, die snel, als weghaastend licht, in mijn broekzak uitdoofde. Wanneer zulke dingen gebeuren, ben ik een avondlang aan het aas van inzinking gebonden: soms trekt iemand de dobber omhoog in de hoop dat ik beet ben, maar ik voel mij een vette snoek, en ik denk dat ik wegzwem.

Wanneer we vervolgens thuiskomen, is het nog niet ochtend genoeg. Mijn onzichtbare vogels zijn nog in tact, maar ik wil ze openmaken en hun ingewanden tonen, hoe ze zich diep hebben geworteld in een nest van een aanwezige vreemde die denkt dat ze klaar is om oud te zijn. Wie oud is, heeft geen geluksmunt nodig. We openen het donker met de deur en niets in de kamer is van ons. Met een infrarode camera bekeken zou het rood van ons warme lichaam het gemiddelde zwart van het koude donker niet kunnen beïnvloeden. Maar ook de kleur zwart wordt nooit helder bij binnenkomst.

Op momenten al deze kunnen we hoogstens op de grond neerzijgen en met onze adem een lepel soep warmblazen, hoogstens de geur veranderen en de rangschikking van de meubels, dode dingen.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Uiteindelijk ben je niet meer dan gewooon

Naar: Margaret Atwood | After all you are quite ordinary

Uiteindelijk ben je niet meer
dan gewoon: 2 armen 2 benen
een hoofd, een redelijk
lichaam, tenen & vingers, een paar
opvallendheden, een paar waarheden
maar niet te veel, te veel
uitstel & spijt maar

je raakt er aan gewend, leert
deadlines halen en mensen
kennen, wendt de liefde
voor een verkeerde vrouw voor
soms, hoort je hersenen
krimpen, terwijl je dagboeken
uitdijen nu je ouder wordt,

nu je ouder wordt, zul je natuurlijk
doodgaan, maar nog niet, je zult langer leven
dan mijn vervormingen van je

en er is niets wat ik wil doen
aan het feit dat je ziek & ongelukkig bent

je bent niet ziek & ongelukkig
enkel in leven en daar mee opgescheept.


Vandaag maak ik een lijst van mijn opvallendheden:

–          Onzichtbare littekens van de waterpokken op mijn hoofd, die zichtbaar zullen worden de dag dat mijn haar begint uit te vallen, zodat ik op mijn vijfentachtigste mijn allereerste ziekte terug zal krijgen.
–          Het verlangen een gebeurtenis dertig verschillende aflopen te gegeven voordat deze zich aandient, waardoor reageren in het heden zijn urgentie verliest en uitblijft. Is dit een vorm van opgeven? Als ik deze vraag slechts eenmaal stel, dan zal het antwoord wel ja zijn.
–          De grote moedervlek op mijn rechterborst, waarvan men zegt dat ik hem weg moet laten halen, om niet in één keer borst- en huidkanker te ontwikkelen.
–          Poëzie. (Poëzie? Het is een hobby. Het is geen werk. Je zweet niet.)
–          De moeite die het me kost om dingen uit handen te geven. Wie geen dingen uit handen geeft, zal in ieder geval geen blaren zien, maar ook nooit een tamme kanarie vast kunnen houden.
–          Mijn onvermogen het Griekse alfabet te onthouden, hoewel ik onlangs de namen van de negen nimfen leerde. Kleio, Euterpe, Thalia…
–          Mijn lievelingsgedicht, dat onvertaalbaar is, omdat in ieder land andere vogels uitsterven.
–          Een paar waarheden, maar niet te veel.
–          Mijn lievelingsmoedervlek, klein, op mijn rechterpink, die zichzelf uitvlakt naarmate mijn dagboeken uitdijen.


Zelfportret met een ballon

(Naar: Matthew Dickman | Self-portrait with a balloon)

Mijn broer zweeft als een ballon terwijl we door de stad wandelen,
hij is verliefd en ik moet aan zijn broekspijp trekken
om hem bij me te houden.

Vlakbij is een straatlantaarn groen geworden.
Vlakbij is een travestiet in een bushokje aan het slapen.
Vlakbij is de hoek van Sixth en Lavaca.

Austin, Texas was ooit Iets, Mexico
en twee Mexicaanse broers wandelden
door de stad terwijl één van hen door de lucht begon te zweven.

Ik ben de afneembare kaft van een pulp-Western aan het worden,
een ingekleurde schaduw,
hoe ik hier zit in dit portret en een poncho & sombrero draag,

een natte cigarillo aansteek.

Degene die love lifts us up where we belong verzon was een genie.

Liefde doet dat.

Degene die La Vida Loca schreeuwde voordat het vast werd gegrepen
en tot een betekenisloos liedje werd geslagen was een filosoof.

Het is gek.

De rivier stroomt door de stad als een hond die zojuist
door het deurscherm is gesprongen, wild in de tuin,

en ik houd een pistolero in mijn hand,
vlak bij de hoek van Eighth en Lavaca,
en ik hoop dat mijn broer omlaag zal zweven voordat ik het geweer
uit zijn holster moet trekken, hoop dat als het tussen mij en de rivier is

ik het zal zijn die morgenochtend opstaat.


Als ik de revolver had, zou ik de denkbeeldige ballonnen kapotschieten. Niet omdat ik cynisch over, of gewelddadig door, de liefde was geworden, maar om aan te tonen hoe dun het vel is dat het gas bijeenhoudt en hoeveel krachtiger het schot van een geweer, zowel in substantie van de kogel als in diens snelheid. In een boek las ik dat Light always travels at lightspeed, welke een gegeven is dat enkel voor licht geldt. Het maak niet uit hoe hard je van een lichtbron wegrent, de stralen stevenen altijd met een snelheid van 300.000.000 meter per seconde op je rug af. Voor de snelheid van al het andere geldt dat je minder snel achterhaald wordt naar mate je je vlotter verwijdert. Het is dus mogelijk om weg te rennen van een kogel. Hoe harder je je moordenaar achterlaat, hoe zachter de kogel je schouderblad binnendringt, dan je longen, je ribben, of de auto naast je, waar je nog net niet op tijd achter bent gaan zitten om te schuilen. Ik weet niet zeker of dat genoeg is, maar desondanks: zachter.

Wie echter verliefd is, traag omhoog zweeft, kan geen kant op. Het is onmogelijk om in de lucht een doel te hebben, want er is geen einde. Er is geen harder of zachter, enkel de zwevende snelheid van je lijf dat geen weg uit zal weten. Stort neer, broer van Matthew, stort neer – hoofd in het zand. Wanneer er geen licht in het spel is, is het nog mogelijk jezelf te verwijderen.

De anatomie van een vijftienjarige

Ada Limón | Vijftien verenballen 5, 6
(Naar: Ada Limón | Fifteen balls of feathers)

5.
Toen we het dun-opgerolde papier over onze lippen lieten gaan
            bij het Wixhausen treinstation, dachten we aan hoe grappig
            het woord goederen was. Hoe het leek op iets uit
            oude films—Peter Lorre die zegt, Heb je de goederen gehaald?

De trein raasde voorbij en soms voelden we ons jong.
            Meestal waren we high en voelden ons zo snel
            en zo sterk als die trein.

Stonden op de wissel, sprongen van schakel naar schakel,
            over de ijzeren platen, de schroefbouten, de pinnen—
            het leven was al te lang in gang gezet.

Ik kan haar zien nu, met haar haren opeengehoopt boven een flanellen shirt,
           struikelend over Duitse woorden en
           ouzo drinkend in het Griekse restaurant.

      Ze is niet zo dom als ze er uit ziet,
      hoewel ze voorover valt
      in de eeuwige misvatting        
      dat treinen niet stoppen.


6.
De allereerste keer dat ik echt van seks hield,
           was de allereerste keer dat ik blij was een meisje te zijn.

En bovendien, dat ik uitvond dat een menselijk lichaam twee harten heeft.

            Ik keek neer op mijn gladde buik, waarvan het afgezonderde gepomp
                       als een bulldozer uit mijn navel kroop.

            Ik dacht dat ik misschien een koe was,
                      maar dan met meerdere harten in plaats van magen.
       
                      (Wat een genot een duaal onderkomen te hebben
                           van mysterieuze onderbroken hartslagen!)

Zoiets zou niet mogen bestaan in de anatomie
                     van een vijftienjarige, of zou eigenlijk gevangen moeten worden.

              Liggend op een crèmekleurig laken met uitzicht op
              het plaza, voelde het alsof ik een levende vogel had ingeslikt.

              Het gaf me geen vleugels, het legde me wekenlang plat.

              Ik kon niet telefoneren zonder rillingen,
              en als ik lachte, droop er vogelbloed van mijn tandvlees.

We hebben het niet over liefde,
             ik heb mezelf tot een dierlijk wezen gebaard. 

Toen ik vijftien was, dronk ik met oud en nieuw dat jaar voor het eerst alcohol, waarna de wereld begon te draaien. De wereld draaide al, maar dan in de vorm van tennisballen, tollen, het levenswegrad, de ogen van mijn vader bij een sarcastische opmerking, misschien, en dit was echter. Ik dacht dat ik eindelijk zou kunnen bellen zonder rillingen, maar het gaf me geen vleugels, en het legde me ook niet wekenlang plat.

Toen ik elf was, plakte ik plaatjes van mijn favoriete popsterren over de kaft van mijn Winnie de Pooh dagboek in de hoop dat de inhoud hierdoor ernstiger, wereldser zou worden. Tekst bleek zich niet zo makkelijk voor de gek te laten houden en in een poging mijn verleden alsnog te redden, probeerde ik het boekje vervolgens in brand steken. Omdat ik lucifers eng vond, bracht ik het een paar dagen later naar het oud papier.

Toen ik achtenzestig werd, schreef ik mijn eerste gedicht over de liefde waarin ik het niet hoefde te vergelijken met dieren of planten. Liefde bestond uit twee tevreden mensen, legde zich vermoeid maar verzadigd neer in mijn buik, waarvan de navel stil bleef liggen als een hagedis op een zonnige steen.

Toen ik vijf was, droomde ik dat het sneeuwde, terwijl niemand me had verteld dat er een kans bestond dat er die nacht daadwerkelijk sneeuw zou vallen. Het had de hele nacht kunnen regenen. Ik werd wakker en de wereld was zo wit als mijn vijf jaar oude huid. Dit was de allereerste keer dat ik dacht dat ik de wereld kon veranderen.

Wat een genot een duaal onderkomen te hebben van misvattingen en onderbroken geloof!

Honderdzevenenzestig

De stille wereld | Jeffrey McDaniel
(Naar: The Quiet World)

In een poging om mensen elkaar
vaker in de ogen te laten kijken,
en ook om ons zwijgen te verzoenen,
heeft de regering besloten
om iedereen, iedere dag,
honderdzevenenzestig woorden te geven.

Wanneer de telefoon gaat, plaats ik mijn oor
aan de hoorn zonder hallo te zeggen.
In het restaurant wijs ik naar de kippensoep.
Ik wen snel aan deze nieuwe wijze.

’s Nachts bel ik mijn geliefde op afstand,
vertel trots dat ik er enkel negenenvijftig
verbruikt heb vandaag. De rest heb ik voor jou bewaard.

Wanneer ze niet antwoordt,
weet ik dat al haar woorden op zijn,
dus fluister ik langzaam, tweeëndertig
en een derde keer dat ik van haar houd.
Daarna zijn we nog slechts aan de lijn
en luisteren naar elkaars ademhaling.



Op mijn veertiende was ik voor het eerst echt sprakeloos. Ik wist nog niet goed wat echt was, maar wel dat het zat in de dingen die je bij binnenkomst meteen begrijpt. Ik wist ook nog niet goed wat begrijpen was, maar wel dat het kwam in stukken, in brokken, die het maakte. Nu weet ik minder. Wat ik wel weet is dat ik een keer een avond lang voorlas en een wijnglas omgooide, maar wat ik niet begrijp is dat ik ook een keer een avond lang geen wijnglas omgooide en niet voorlas, omdat ik niet wist of iemand wilde luisteren. Ik wist niet of iemand wilde luisteren, omdat ik niet naar mezelf wilde luisteren en ik dacht dat we dingen gemeen hadden. Wat ik begrijp: dat zwijgen geen verzoening duldt. Wat ik leer: dat wat ons het eerst redt, de fontanel, later weinig van zich horen laat. Het tocht in mijn hoofd, maar het komt niet uit de kieren.

Ik houd geen woorden over vandaag.

Meer blogs

  • Afbeelding bij DE MENS ALS BIOPIC 9 Mama Wilders

    DE MENS ALS BIOPIC 9 Mama Wilders

    Op 6 september is Geert Wilders jarig. Dat is altijd een sacraal gebeuren, want op die dag komt hij langs bij zijn moeder Maria Ording Wilders in Grubbenvorst. Maar vandaag niet. Vandaag moet hij in verband met een kabinetsformatie – alweer – op bezoek bij koningin Beatrix. Dat vindt zijn moeder onbegrijpelijk, verdrietig en schandalig....
    Lees verder
  • Afbeelding bij Hoe ik een paardenmeisje werd

    Hoe ik een paardenmeisje werd

    Larousse 21 Er verbergen zich veel verschillende mensen in onze inborst. Je zult er op zeker moment achter komen dat je iemand geworden bent die je niet wist dat je in je had. Ik ben de afgelopen jaren veel mensen geweest, en de afgelopen maanden weer heel veel anderen. Maar nu ben ik een paardenmeisje...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Gouden Bergen

    Gouden Bergen

    Deze week ben ik in Bergen aan Zee; een lief huis in de duinen, waar ik samen met vier schrijversvrienden van ’s ochtends vroeg tot vlak voor het avondeten werk aan onze komende romans. Mijn tijd hier wil ik altijd optimaal gebruiken, ik maak dan grote stappen. De concentratie die in de woonkamer van ons...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Mira Aluç
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • Foto van Menno Hartman
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • Foto van Jasmijn Kenselaar
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.