Mezcal

Afgelopen zaterdag organiseerde ik met twee anderen een Malcolm Lowry-avond. We bestelden Mexicaans, keken naar de verfilming van Under the Volcano en dronken mezcal.
         
Under the Volcano is een cultboek, waarvan de slotzin beroemder is de inhoud: ‘Somebody threw a dead dog after him down the ravine.’ Een briljante slotzin. Het nadeel is dat je het einde al kent als je aan het boek begint. In de vierhonderd pagina’s die aan deze regel voorafgaan, wordt de laatste dag van de alcoholistische consul George Firmin beschreven, die in een slaapstadje in Mexico weinig anders doet dan mezcal drinken. Hij is, in de woorden van een van de andere personages, eigenlijk altijd ‘perfectamente borracho’.
          In Bij nader inzien van J.J. Voskuil wordt zo veel gerookt, dat Renate Rubinstein erover opmerkte: ‘Hadden ze hun sigaretten niet zelf moeten rollen, dan was het boek voor de helft korter geweest.’ Iets vergelijkbaars zou gezegd kunnen worden van Under the Volcano: als alle handelingen die op het drinken betrekking hebben (het inschenken, het glas aan de lippen zetten, de alcohol door het lichaam voelen golven) waren geschrapt, dan was dit boek een dunne novelle geworden. Eigenlijk staat niet de consul centraal, maar de alcohol. Ik ken iemand die beweerde dat hij zich van het lezen van Under the Volcano dronken begon te voelen. En Gerard Reve, zo staat in diens biografie, nam zich voor om te stoppen met drinken toen hij het uit had.
          Omdat de meeste schrijvers ook drinkers zijn, is het verklaarbaar dat dit boek vele literaire ambassadeurs kent. In Nederland zijn dat vooral A.F.Th. van der Heijden, P.F. Thomése en L.H. Wiener, die niet alleen over Lowry hebben geschreven maar ook net als hij de zowel lyrische als desastreuze gevolgen van het ‘koningswater’ (term van Wiener) uitvoerig hebben beschreven.
          Toch wordt Under the Volcano niet alleen als ‘alcohol-roman’ gewaardeerd. De zonet genoemde Reve gebruikte het boek als werkmodel bij het schrijven van Bezorgde ouders. Under the Volcano beantwoordde aan zijn ideaalbeeld van een roman, namelijk: een boek waarin eigenlijk niets gebeurt maar dat wel over ‘alles’ gaat. Maar in Lowry’s tijd waren uitgevers er niet enthousiast over. Het manuscript werd overal afgewezen. De auteur schreef daarop een veertig pagina’s lange brief aan uitgever Jonathan Cape waarin hij uitlegde waarom het wél een goed boek was. In sommige edities van Under the Volcano is deze brief opgenomen. Een lezer die moeite heeft om erdoorheen te komen, kan zich zo door de schrijver laten overtuigen om door te lezen. 

Het was nog niet zo makkelijk om voor deze Malcolm Lowry-avond een fles mezcal te bemachtigen. Bij Gall&Gall verkopen ze het niet, sterker nog: de medewerker die ik sprak had er nog nooit van gehoord. Ik moest het hem dus uitleggen. Alleen kon ik dat ook niet echt. ‘Een soort tequila,’ zei ik. Maar dat is het niet.
          Op internet bestaan er tientallen websites waarop de zin ‘What is the difference between mezcal and tequila’ te lezen valt. Maar omdat al die websites steeds net weer een andere uitleg geven, wordt het er alleen maar onduidelijker van. Het zou te maken hebben met de distilleerlocatie (mezcal wordt gemaakt in Oaxaca, de stad waar Lowry in de jaren dertig woonde) en het type agave waar ze van gemaakt zijn. Maar ergens anders staat dat mezcal de verzamelnaam is voor alle alcoholische dranken die van agave worden gemaakt, waarvan de bekendste tequila is. Misschien moet je zoiets ook niet willen begrijpen als je de nacht ervoor te veel gedronken hebt. Het leek me dat je een Malcolm Lowry-avond met een kater hoort te beginnen.
          Wat in ieder geval een makkelijk te begrijpen verschil is met tequila, is dat er in een fles mezcal een worm drijft. Een smaakloze worm overigens. De drank zelf doet denken aan petroleum. Ik kan niet zeggen dat het mijn lievelingsdrankje is geworden.
         
We aten Mexicaans, dronken mezcal en keken naar Under the Volcano. De film blijft behoorlijk trouw aan het boek. Al is er aan het einde een belangrijk verschil. Ik was namelijk benieuwd of en hoe ze de laatste zin van het boek zouden visualiseren. Zouden we een neerstortende hond te zien krijgen? Helaas. Geen dode hond. Je ziet alleen de consul met zijn wang op de grond liggen, terwijl hij wordt omsloten door duisternis. Even daarvoor is hij neergeschoten door een groepje Mexicanen.

In de Oorshop

Allememachies! – waarin mijn moeder blijkt te hebben gebeld… met Parijs

The Pale KingBen je in een Nederlands grotemensenboek ooit het woord allememachies tegengekomen? Ik wel. Dankzij Daniël Rovers en Iannis Goerlandt die hun bewondering voor/ kennis van/ schatplichtigheid aan David Foster Wallace (1962-2008) productief hebben gemaakt door diens nagelaten roman The Pale King, an unfinished novel (2011) te vertalen en die het woord (allememachies/ allememaggies) gebruiken op pagina 165 van hun uitmuntende Nederlandse vertaling (2013). En gelijk hebben ze, want was DFW een Nederlands auteur geweest, dan was allememaggies precies het soort woord dat hij bij het uitwringen van zijn hersens in de veelkleurige taalstroom (hoog, laag, plat, geleerd, scabreus, religieus, ambtelijk, technisch, kinderlijk allusief, etc., etc.) mee naar buiten had geknepen.

Nu wil het toeval dat Daniël Rovers een trainingsmaat van me is. We doen komende zomer allebei mee aan The Caucasus Run die ieder jaar in augustus plaatsvindt in de Republiek Dagestan. Honderddrieëntachtig kilometer onafgebroken hardlopen over de steppe. In de brandende zon. Op je blote voeten. Iedere zondag treffen Daniël en ik elkaar om ons duchtig voor te bereiden op die Kaukasische uitputtingsslag. De loodzware trainingsessie van gisterenmiddag greep ik aan om Daniël – exclusief voor Tirade – een paar basale vragen voor te leggen over het vertalen van The Pale King.

‘Daniël, laat ik beginnen met de eerste vraag. Voor alle kijkers die misschien weleens van David Foster Wallace hebben gehoord, maar nog niet de tijd hebben gevonden zich in De bleke koning (DBK) te verdiepen: waar gaat het boek eigenlijk over?’

De bleke koning gaat onder meer over de Amerikaanse belastingdienst, verveling, zweten, pathologische aardigheid, de jaren tachtig, neoliberalisme, burgerdeugden, de vloek van hyperaantrekkelijkheid, de stad Peoria, Willekeurige Feitenhelderziendheid (WFH), heldendom, de wil elke vierkante centimeter van je lichaam te kunnen kussen, een slechte jeugd, plagiaat, klassenbewustzijn, concentratie, hondenpoep, masturbatie, de ‘holler’, Ronald Reagan, het Midden-Westen, (fobische angst voor) muggen, belastingontduiking, studieschuld, autoriteit, pijpen, hoeden, voeten, slomo’s, levitatie, incrementeel buigen, de stad Utrecht, iemand de schoen wringen, regionale vluchten, de Irancrisis, salarisschalen, fiscaliteit, ongewenste zwangerschap, vissen, computers, identiteitsverwisselingen, moeders, Residentie Vissersbaai, foute mannen, wraak, rancune, de wil goed te willen doen, hielenlikken, marihuana, studeren, christenen, barbecues, registeraccountancy, oogvloeistof, Obetrol, trailerparken, Sherwood Anderson, windschutten en informatieovervloed. ’

‘Aha!’

‘…’

‘Eh, je collega Iannis Goerlandt woont in Harelbeke, terwijl jij in Amsterdam resideert… betekent dat dat één van jullie maandenlang iedere ochtend om kwart over vijf in de trein stapte of hebben jullie bij het samenwerken je voordeel kunnen doen met moderne communicatiemiddelen zoals de telefoon en het internet? Hoe verliep die samenwerking (kortom)?’

‘De theorie: hoofdstukken verdelen, nietsontziend commentaar geven op elkaars werk en het geheel vervolgens tot een vloeiend en overtuigend en consistent geheel smeden. De praktijk: Iannis en ik kampten na het eerste hoofdstuk dat we vertaalden met nek- en rugklachten vanwege de uren die we voorovergebogen boven ons toetsenbord en voor ons beeldscherm hadden doorgebracht met het geven en verwerken van alle correcties, een hoofdstuk overigens, §36, dat toevallig ook nog eens ging over de heilzame belofte van de chiropraxie. ’

‘Allememaggies!’

 ‘…’

’Laatste vraag. Is TPK/DBK volgens jou een typische Great American Novel? En/of is het een Filosofische Roman? En is – ’

FR‘ Zeker een Great American Novel, zie het antwoord op je eerste vraag, maar een Grote Filosofische Roman? Bij die vraag ga ik me meteen afvragen wat dat is, zo’n (G)FR, wat wellicht, zou je zeggen, van een wijsgerige instelling getuigt, maar wat dan kennelijk wel een definitief antwoord op de vraag verhindert. En ook, niettemin: als ik beelden en vage vormen van zo’n FR voorbij zie komen denk ik toch niet in de eerste plaats aan DFW, hoewel hij, zeker, naast literatuur ook filosofie heeft gestudeerd, met name taalfilosofie en logica. Ik merk bij mezelf ook een voorbehoud, een aarzeling vis à vis het predicaat FR, wellicht omdat een (grote) roman altijd een filosofische component heeft, zoals zo’n ding ook een sociologische, politieke, lyrische component heeft, maar dat een (grote) roman toch vooral een roman, en dus literatuur is. Maar dat is niet het soort antwoord dat je verwacht of wilt krijgen. Is dit dan het moment dat ik in plaats van een tautologie te verkondigen een tegenvraag zal stellen? ’

‘Haha, ja… mooi, die tegenvraag is natuurlijk: wat vind jij (ik)? Nou, ik moet je zeggen: DFW is voor mij, in de context van de FR, werkelijk de gezalfde . Op vrijdag 3 mei kom ik daar graag op terug. Voor nu wil ik je, mede namens alle lezers van Tirade, heel hartelijk bedanken voor je antwoorden én voor je tijd.’

Dames en heren: Daniël Rovers! (applaus).

Als je, jij lezer, De bleke koning (2013) wilt lezen/aanschaffen – wat ik je oprecht en van harte aanbeveel, het is een zeer grappige, briljante, rijke roman en een uitstekende voorbereiding op het lezen van Infinite Jest (1996) – doe dat dan bij een zelfstandige boekhandel zodat je aanschaf in ieder geval bijdraagt aan de instandhouding van de NED-LIT en de NL intellectuele infrastructuur. En ben je daar toch… schaf dan meteen een Tirade aan, want het is leuk en gezellig dat je hier iedere dag even een gratis blogstukje komt lezen, maar vergeet niet dat Tirade geen subsidie krijgt en voor 100% wordt gefinancierd door het zelfstandige Uitgeverij van Oorschot.

 ‘Hé… hoe was je weekeinde?’

O, God… je zinspeelt op de uitreiking van de Opzij Literatuurprijs 2013? Ik heb gekeken. Voor de goede zaak. En als je nu op een grappig stukje hoopt, dan moet ik je teleurstellen.

M’n vrouw en kinderen waren een lang weekeinde naar Parijs, naar mijn oudste zus, dus ik zat zaterdag in m’n eentje voor de televisie… dat was niet de bedoeling trouwens… ik heb eerst zestien of zeventien vrienden gebeld, allemaal mannen, en niet één van hen had zin om mee te komen kijken… ik ben de enige Ideale Schoonzoon van Nederland…

Daarna heb ik een stuk of twintig vriendinnen gebeld… ook vriendinnen van Barbara (mijn vrouw)… Maar die reageerden allemaal hetzelfde… ik moest vooral bellen als Barbara en ik ooit uit elkaar zouden gaan, maar tot die tijd moest ik ze liever met rust laten… alleen van mijn stem raakten ze al in de war…

 ‘Hè?! Ik vroeg alleen of je TV komt kijken?’

‘Ik sta niet voor mezelf in, Martijn, ik sta niet voor mezelf in.’

Hoe het andere mannen in dit soort situaties vergaat, weet ik niet – daar praten we onder elkaar nooit over – maar waarom zijn vrouwen altijd alleen maar geïnteresseerd in mijn lichaam? In seks, als je me dat woord vergeeft.

Uiteindelijk belde ik mijn moeder. Ze wilde best langskomen. Maar niet als we naar de uitreiking van de Opzij Literatuurprijs gingen kijken.

‘Waarom niet?’

‘Dan ga je er weer zo’n rottig stukje over schrijven voor op dat Tirade-blog.’

‘Rottig? Helemaal niet! Ik heb – ’

‘Jawel, net als vorige week. Weet je dat jij de afgelopen 25 jaar helemaal niks veranderd bent?’

‘Je bedoelt dat ik nog steeds opkom voor – ’

‘Nee, dat bedoel ik niet.’

‘…’

Meisjes plagen, kusjes vragen, dat is wat ik bedoel, Martijn Knol.’

‘Nou, zeg… waar komt dit nou vandaan? Heb je met Barbara gebeld?’

‘Nee, maar ik weet wel waarom ze in Parijs is.’

‘Godverdomme! Jezus! Kankerzooi! Waarom lullen die zeikerige klotewijven godverdomme altijd alles door! Weet je wat? Blijf maar lekker thuis… ga maar lekker skypen met je kleinkinderen… Martijn Knol kijkt wel alleen naar de uitreiking van de Opzij Literatuurprijs 2013.’

Laat ik eerst, in abstracto/concreto, en op persoonlijke titel, mijn positie in het literaire veld nog even verduidelijken… kijk: ik pis over alle commerciële literaire prijzen – zoals je weet: met ieder diploma dat zij uitreikt, met ieder versiersel dat zij opspeldt, met iedere titel die zij toekent, viert de Cultuur in de eerste plaats haar vermogen om het individu te disciplineren en dat is mooi, maar je een beetje verzetten tegen die disciplinerende krachten – vooral wanneer die worden uitgeoefend door commerciële ‘partijen’ – is nog mooier (overigens hang ik deze theorie niet uit principe of overtuiging aan, maar omdat ik graag trouw wil blijven aan het opstandige imago dat mijn literair agent, Paul Zeeprest, en ik hebben ontworpen) – ik pis over de jury’s van die prijzen, ik pis over ketenboekhandels, ik pis over concernuitgeverijen en – gelukkig heb ik een grote blaas – ik pis over alle collega’s die bij concernuitgeverijen publiceren.

Alleen bij de Opzij Literatuurprijs was ik, uit emancipatoire sympathieën, bereid om even hoopvol af te knijpen.

Geen Nederlander die positiever bevooroordeeld voor de televisie zat, afgelopen zaterdagavond, dan ik. Ik mocht dan helemaal alleen zijn, ik had het wel gezellig gemaakt. Glaasje Pellegrino, schaal met vishapjes.

De stemming zat er helemaal in!

Want er zijn toneelgezelschappen weggevaagd, er zijn literaire tijdschriften verdwenen, maar wie doet ons wat zolang AVRO’s Opium nog bestaat! Het fundament staat nog fier overeind! Dat mag verdikkie ook weleens een keer gezegd worden!

 Zo… alleen nog een commercial voor de Lepra Stichting en hup… daar gingen we!

De genomineerden voor de Opzij Literatuurprijs waren alle vijf braaf komen opdraven… nu was het alleen nog een kwestie van afwachten tot één van de vijf haar middelvinger zou opsteken… Steek die prijs maar in je reet

Dat werd genieten! Verandering! De emancipatie van het individu! Literatuur in plaats van commercie! De verbeelding aan de macht! 

Hé, opletten… nu gingen we met de schrijfsters praten! Wat hadden ze zich mooi aangekleed en opgemaakt!.. en terecht!… je komt niet iedere dag op de televisie! Hartstikke leuk. Vrolijk. Spannend ook. Nu begon het echt… Andere kijkers keken misschien naar vijf vrouwen… ík keek naar vijf auteurs… dit ging verdomme gewoon hartstikke interessant en inhoudelijk worden!

Na een paar seconden voelde ik de glimlach van m’n gezicht glijden.

Godverdomme zeg.

Gerrit Komrij:  ‘Dat is het mooie van het tv-kijken. Al je nachtmerries komen uit.’*

Was Eva Jinek ziek? Is Sacha de Boer op vakantie? Had Clairy Polak andere verplichtingen? En wordt die Cornald Maas verdomme betaald van mijn belastingcenten?!

Op verzoek van mijn onderburen ben ik jaren geleden al gestopt met kijken naar uitzendingen van de publieke omroep omdat ik (hemdsmouwen, biertje) de hele avond You’re fired! You’re fired! naar de tv zat te schreeuwen…

Een folterende twintig minuten lang werden de auteurs – vijf volwassen vrouwen die erin zijn geslaagd van het schrijven hun beroep te maken – gepest en gejend met kinderachtige filmpjes en stupide vragen… Het gezicht van presentator Cornald Maas droeg de volle uitzending die lugubere, sadistische grijns van een straatjochie dat een aangereden hond staat te prikken met een stokje…

Was mijn vrouw schrijfster, dan zou ik haar verbieden aan dit soort televisie mee te werken. Of zeg ik nu iets ongeëmancipeerds?

Dit programma was zo achterlijk dat het volgens mij strafbaar is.

Margriet van der Linden, PR-medewerkster van Opzij, kwam ook aan het woord. Was Van der Linden een man, dan had ik hem een autoritaire klootzak genoemd, nu zeg ik liever: dominatrix. Ze liet haar ogen rollen. Het lezen van al die door vrouwen geschreven boeken was ‘geen straf’ geweest merkte ze op tegen Maas. Sterker nog: ze had ontdekt dat ‘vrouwen hartstikke goed kunnen schrijven.’

Oho, Pinocchio!

Zal ik eerlijk opschrijven wat ik dacht/denk?

Van der Linden háát literatuur. Ze háát al die moeilijkdoenerige kutboeken die haar uren en uren van het twitteren hebben gehouden. Ze verveelt zich kapot als ze een literaire tekst moet lezen. Maar dat kun je niet hardop zeggen in een cultuurprogramma dat aandacht besteedt aan jouw blad. D’r neus groeide zowat m’n kamer in.

Margriet van der Linden geeft precies niks om literatuur. Ze gebruikt vrouwelijke auteurs alleen om PR voor haar Weekbladpers-glossy te genereren (klik ook even door naar de pdf’s). Opzij exploiteert vrouwelijke auteurs en door vrouwen geschreven literatuur en voor alles wat Opzij neemt en vraagt, geeft ze een lousy vijf mille retour. Knappe Suggar daddy die met zo’n fooi zou wegkomen.

Opzij is een product. En vrouwen zijn content. Oftewel: handel.

Follow the money.

Wat verdient Margriet van der Linden eigenlijk per maand? En wat krijgt Cornald Maas voor het presenteren van zo’n Opiumuitzending? Hoeveel belastinggeld gaat er naar z’n programma? Wat is de advertentieomzet van een gemiddeld nummer van Opzij?

Terug naar de uitzending.

Tot aan de laatste seconden hield ik mijn hoop gevestigd op jurylid Elsbeth Etty. Die zat, met een schattig appeltaartje op schoot, de hele uitzending mooi te wezen, maar het leek me een kwestie van minuten, seconden en Etty zou ouderwets gaan rellen en muiten… ja, ja, daar… nee… niks hoor… de lucht van appel, kaneel en rozijnen heeft blijkbaar een kalmerend, al te kalmerend, effect…

Zullen we Jeroen Mettes er nog eens op naslaan?

‘Het is naïef om te denken dat een democratie niet haar eigen officiële dichters zou hebben; in feite valt elke dichter zonder kritiek en zonder verbeelding onder deze rubriek.’ *

Ja, sorry, ik weet ’t… ik zit te zeiken. Laten we d’r maar mee kappen voor vandaag.

Zoals mijn literair agent, Paul Zeeprest, altijd zegt: dat ethische gelul bewaar je maar tot na de 24ste druk.

 

Tirade – groot geworden door kwaad te blijven.

 

Volgende week (29/04/13):  Alles komt goed. Nu: effe chillen met… Klangkarussell – Sonnentanz.

*Gerrit Komrij, Horen, zien, zwijgen (1977;107). *Jeroen Mettes, Weerstandbeleid (2011; p.148).

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Ondergeschoven moeder – ‘Neglect is the worst form of racism’

 

tribunaalAfgelopen dinsdag vond er in de Singelkerk te Amsterdam een literair tribunaal plaats. Aanklager Gerard Spong betichtte Daan Heerma van Voss dat hij met de publicatie van zijn autobiografische roman De vergeting te ver was gegaan: familieleden en vrienden worden met naam en toenaam genoemd en komen niet altijd even glorieus naar voren. Voor de volledige tenlastelegging t.a.v. de verdachte, klik hier

Echt nieuw is die klacht natuurlijk niet. Voskuil verwerkte zijn collega’s in ‘soap voor intellectuelen’ Het bureau, Naima El Bezaz werd na de publicatie van Vinexvrouwen bedreigd door haar Vinex-buren en de Noorse Karl Ove Knausgard wordt sinds Min Kamp genegeerd door de familie van zijn vaders kant (zijn vrouw heeft, heel verstandig, geen van de zes delen gelezen). Wie bij leven geen last heeft van privacy-gevoelige vrienden en familie, krijgt dat wellicht na zijn dood nog: denk aan de door Schafthuizen gecensureerde teksten in de biografie van diens lief Reve, en naar het schijnt was het uiteindelijk Nietzsche’s zus die de geschriften van de filosoof na zijn dood ‘nazificieerde’.

 Enfin. Ik was niet bij het literair tribunaal afgelopen dinsdag, maar lees dat Daan Heerma van Voss gesteund werd door een advocaat (zijn redacteur) en twee getuigen (vrienden). Zijn moeder stond aan de andere kant, zij klaagde haar zoon aan. Het vonnis werd uitgesproken door rechter Felix Rottenberg, die een taakstraf oplegde: schrijf een excuusbrief aan je moeder. Betekent dit dat Heerma van Voss ook schuldig werd bevonden, of probeerde de rechter beide partijen gewoonweg tevreden naar huis te sturen?

Interessant is de kwestie natuurlijk wel. Een schrijver moet alle vrijheid hebben (alhoewel hij uiteraard impliciet en veelal onbewust altijd aan bepaalde vorm-conventies voldoet), maar zodra de titel ‘roman’ slechts een middel wordt om schaamteloos over vrienden en familie te kunnen schrijven, gaat er iets mis. De roman moet namelijk het doel zijn – het schofferen van je naasten is dan slechts een middel, en niet andersom.   

Moeder Christien Brinkgreve vertelde vorige week in debatcentrum De Nieuwe Liefde waarom ze haar zoon wilde aanklagen in het (door hemzelf bedachte) literair tribunaal. Haar probleem met De vergeting was niet zozeer dat ze er wat bekaaid vanaf kwam, maar vooral dat Heerma van Voss een dierbare jeugdherinnering aan zijn vader toeschrijft.

Heerma van Voss heeft dit verwijt in het boek opgenomen. Hij beschrijft hoe zijn moeder het manuscript heeft gelezen en hem in tranen opbelt. Ze vraagt waarom ‘het steeds de vader is die je helpt en nooit de moeder’? Ze heeft het nagevraagd bij haar man en die bevestigt: niet hij, maar zij zat ‘s nachts altijd met haar astmatische zoon op schoot in de douche te stomen. ‘Ben ik zo vanzelfsprekend en normaal dat ik onzichtbaar word?’

Heerma van Voss weigert het te veranderen. Hij vindt dat herinneringen niet gecorrigeerd kunnen worden. En daarin heeft hij natuurlijk grotendeels gelijk. Wat zou er wel niet met de roman gebeuren wanneer elke herinnering feitelijk gecheckt moest worden? Het gat dat in ruimte en tijd ontstaat en opgevuld wordt door de schrijver, is interessanter dan de werkelijkheid.

In De Nieuwe Liefde sprak Brinkgreve van een persoonlijke gerief, maar belangrijker nog was haar professionele klacht: als socioloog en feminist heeft ze vaak genoeg gezien dat de vrouw wordt weggeschreven. De moeder is een ondergeschoven ouder. Haar vanzelfsprekende rol in de opvoeding van het kind, ondermijnt haar positie. Vanzelfsprekendheid is een haast onaanvechtbaar onrecht, en juist dat maakt het zo moeilijk. ‘Neglect is the worst form of racism’ las ik deze week in De republiek, de nieuwe roman van Joost de Vries.* 

Dit maatschappelijke ‘neglect’ van de zorgende vrouw, wordt flink bekritiseerd door ‘care ethics’ feministen. Veel van deze zorg-ethiek feministen zien zorg als iets inherent vrouwelijks, en eisen meer waardering voor deze kwaliteit. Aandacht, anticiperend vermogen en een goed oog voor de nabije omgeving zouden de wereld verbeteren. Daar hebben ze gelijk in. Alleen zou ik die eigenschappen niet specifiek aan sekse willen verbinden: het zijn bovenal kenmerken van de literatuur.

Een herinnering is een herinnering is een herinnering. De schrijver zal zeggen dat hij die niet gaat veranderen puur om politiek-correct te zijn, of om familie tevreden te houden. Maar het is veelal de herinnering die ‘politiek-correct’ is, die zich naar de maatstaven van het normale vormt.

De literatuur behoort een zorg-ethiek na te streven. Niet om een politieke agenda te verdedigen, maar omdat voor de auteur die zich verwondert, nauwelijks vanzelfsprekendheden bestaan.

 

 


* Vandaar dat ik hier nog even wil zeggen: Gefeliciteerd Manon Uphoff met het winnen van de Opzij Literatuurprijs! Ik ben het niet eens met de kritiek van collega Martijn, die de genomineerden opriep om de prijs te weigeren. Voorlopig kies ik liever voor openlijk positieve discriminatie die het ‘neglect’ blootlegt, dan dat we de vergetelheid haar self fulfilling prophecy werk laten doen. 

This is how it is with the anxious

Ik ben heel lang heel bang geweest, met name om gek te worden. Van alles heb ik er aan gedaan. Dagboeken volgeschreven. Therapie. Er een bachelorscriptie aan gewijd (‘De beperkende kracht van existentiële angst en psychologische vrees in het werk van Jean-Paul Sartre’). Eindeloos uitgesteld naar buiten te gaan en vervolgens eindeloos uitgesteld weer thuis te komen. Een verzameling gedichten over angst aangelegd, zinnen daaruit op mijn handen geschreven. In een eindeloos gesprek met mezelf over moed besloten dat ik een dapper mens ben. Vervolgens naast de zinnen op mijn handen plusjes geschreven als het me lukte om in m’n eentje boodschappen te doen. Dat ontroerend van mezelf gevonden. Daar weer huilend mijn moeder over gebeld. Opnieuw begonnen. Gegroeid als een knotwilg. Er is echt geen onderwerp dat me de afgelopen drie jaar zoveel heeft beziggehouden als angst – zelfs de liefde heeft een tijd lang het onderspit moeten delven. Het enige wat me al die tijd niet lukte was er gedichten over schrijven.

Maar nu ben ik bezig aan mijn tweede bundel. Althans, dit is de hoop. Soms ben ik bang dat ik door mijn angsten overwonnen te hebben roekeloos ben geworden. Dat is paradoxaal, maar als ik een ding geleerd heb over angst, over daar tegen vechten, is het dat ze paradoxaal is, angst. Zoals Katie Ford schrijft in een gedicht dat ik ooit vertaalde: This is how it is with the anxious. What is not happening is happening all of the time. Wie bang is voor iets wat in de toekomst mogelijk plaatsvindt, haalt deze mogelijkheid voor een deel naar het heden. Ik ben immers nog nooit zo gek geweest als gedurende de periode dat ik bang was om gek te worden. Het eenzaamst voel ik me op de momenten dat ik bang ben voor altijd alleen te blijven. En ook als je bang bent voor iets simpels en concreets als een spin, als je angstig je lakens opklopt om te kijken wat er onder ligt, hoewel er geen spin te bekennen is, is dat wat je doet: je haalt de ervaring die nooit zal plaatsvinden, het moment waarop je gillend in een container vol vogelspinnen geduwd wordt, naar het heden. Dat is niet zo slim.

Wat precies helpt tegen angst weet ik nog steeds niet. Op het moment dat ze voorbij is, is het opeens ook heel lastig om er nog een correcte herinnering over te hebben. Waarschijnlijk helpen alle dingen die ik hierboven noemde een beetje. En er eindelijk gedichten over schrijven, dat helpt ook.

 

een stem spreekt tegen me en ik moet bepalen
of het een engel is
maar hoe kan ik tot zoiets in staat zijn?

wie angst heeft wil over angst lezen
in een net ontdooide wereld
een knoop van haar lange jas open doen

in een nieuw land een winkel beginnen
daar ’s ochtends de luiken open doen
zien dat het lente is

op een manier
dat je je opeens afvraagt
wat het is dat je binnenlaat

Een einde

Gisteren zette ik een punt achter het laatste woord van mijn nieuwe boek. Dat laatste woord is woorden. 

Omdat het schrijven voor mij evengoed een ontdekkingsreis is als voor de lezer, heb ik tot het einde toe niet geweten hoe het af zou lopen met mijn personages en de stad waarin ze zich bevinden. Ik duwde gewoon die cursor voor me uit, en probeerde elke werkdag af te sluiten voor ik me had leeggeschreven. Zoals de obscure Amerikaanse schrijver E. Hemingway het zegt in zijn in vergetelheid geraakte A Moveable Feast:

I had learned already never to empty the well of my writing, but always to stop when there was still something there in the deep part of the well, and let it refill at night from the springs that fed it.” 

Ik weet niet hoe hij verder te werk ging, maar door de natuurlijkheid waarmee zijn verhalen – je zou ze echt eens moeten lezen, zeer de moeite waard – zich ontrollen, lijkt het me sterk dat hij zijn lijnen eerst helemaal uitzette. Ernest (ja, zo heette hij echt) zal waarschijnlijk niet heel anders gewerkt hebben dan ik. 

Het grote risico van een aanpak waarbij je een hoofdpersoon ‘volgt’ in plaats van hem te ‘sturen’ naar een vast eindpunt, is dat je blijft zitten met een vrij oninteressante wandeling van 230 pagina’s. Je kunt zomaar een jaar werk weggooien, en dus is er zeker iets te zeggen voor een geplande aanpak. Maar wie kan het nou opbrengen om alles al te weten en dan als een letterzetter de juiste blokken in de juiste volgorde te duwen? 

Met literatuur verdien je niets. Die vier mensen in ons taalgebied die er hun hypotheek mee kunnen aflossen maken nog geen promille van het totaal uit, dus laten we zeggen: met literatuur verdien je niets. Zou het dan geen écht weggegooid jaar zijn om een verhaal te schrijven waarvan je de afloop al kent?  

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Het weer in augustus

Sebastian Haffner

In 1992 las ik Anmerkungen zu Hitler van Sebastian Haffner en mijn wereld zou nooit meer dezelfde zijn. Je kunt een leven vullen met over de oorlog lezen en steeds weer – als je geluk hebt – op een titel stuiten waarin het grote gebeuren net vanuit een ander licht bezien wordt. Zo las ik in een dorp in Portugal Leven en lot van Vasili Grossman, in de vertaling van Froukje Slofstra en ongeacht alle kampverhalen die ik kende was een passage in dat boek over een concentratiekamp precies de passage die me op een diepere manier deed begrijpen wat er allemaal gebeurd was en wat dat betekende. Ik kreeg een huilbui, wat me toch niet vaak overkomt.

Anmerkungen zu Hitler was geen bijzonder emotionerend boek, maar liet me op eenzelfde wijze opeens vanuit een heel ander gezichtspunt naar Hitler kijken. Persoonlijker, ontdaan van Grote Oordelen, maar waarnemend, gedetailleerd. Nu lees ik Haffners Geschichte eines Deutschen en ik herken de persoonlijke stijl en weet dat Haffner voor mij van een bijzondere kwaliteit is. Dat komt omdat Haffner zelf  durft te denken en de geschiedenis beschrijft vanuit eigen waarneming zonder zich af te vragen of hij niet liever een wagonlading boekenwijsheid en theorie moet aanvoeren. Zijn theorieën zijn persoonlijk. Wist ik bijvoorbeeld al dat het feit dat het prachtig weer was toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak mede het oorlogsenthousiasme van de gemiddelde Duitser bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog verklaart? Haffner is een jongetje van zeven en is zeer ontstemd dat zijn vakantie in de bosrijke omgeving waar zijn ouders een huisje bezitten niet de heerlijke onafzienbare twee weken voort zal duren, maar tot een abrupt einde moet komen. Maar de spanning die het oplevert: met de trein naar huis en prachtig weer en iedereen is enthousiast, en hij is nog nooit zo laat naar bed gegaan. De stad zinderde. En in die stad ongetwijfeld veel jongetjes van zeven die in de jaren kort voor de oorlog jonge mannen waren in de kracht van hun leven.  In mijn (gebrekkige) vertaling:

‘Het is voor de hele verdere Duitse geschiedenis van betekenisvol belang geweest dat  het uitbreken van de oorlog, ondanks het verschrikkelijke ongeluk dat de oorlog  met zich mee bracht, voor bijna iedereen met een paar onvergetelijke dagen van geïntensiveerd leven verbonden bleef,  terwijl  aan de Revolutie van 1918, die uiteindelijk toch  vrede en vrijheid bracht, bijna alle Duitsers slechts bedrukte herinneringen hadden. Zelfs het feit dat het uitbreken van de oorlog met prachtige zomerweer en de revolutie met koude novembernevel gepaard ging, was een serieuze handicap voor de revolutie. Dat mag  misschien belachelijk klinken, maar het is waar. De Republikeinen voelde het later zelf ook, ze hebben nooit echt aan die 9e  november herinnerd willen worden, en ze  hebben de datum  nooit in het openbaar gevierd. De nazi’s, die de 14e  augustus tegen de 18e  november hebben uitgespeeld, hadden daarmee vrij spel. De 18e  november: hoewel die dag het einde van de oorlog betekende, de vrouwen hun mannen, de mannen hun leven terugkregen, is er geen feestelijk gevoel verbonden met die datum, veeleer mismoedigheid, nederlaag, angst, zinloos geschiet en verwarring, en ja: slecht weer.’

Iets in de gaskamerbeschrijving van Grossman – een waarachtig detail – haalde een hendel over waardoor mijn begrip van wat daar werkelijk gebeurde eerst echt geactiveerd werd. In het werk van Haffner leiden zijn gewaagde suggesties, zijn persoonlijke waarheid tot een hernieuwde kennismaking met de geschiedenis. Waarin het weer van belang blijkt.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jos Versteegen"
    Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

  • "Foto van Bibi Roos"
    Bibi Roos

    Bibi Roos studeert in 2025 af van de opleiding Writing for Performance aan de HKU en is de eerste in de reeks Tiradeblogs van afstudeerders. Ze schreef een scriptie over schaamte en humor en maakt daarnaast als Funny Bergman de explosieve solo ‘Ik ben Funny’, waarmee ze deze zomer op de Parade staat. Ze maakt het liefst werk over Bijzonder Vreemde Personen en Dingen en is entertainer, winnaar en performer in vele opzichten.
    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.